|
Omgangshuizen
verergeren de kwaal Maarten
Legêne De samenleving zit in toenemende mate in de maag met grote aantallen moeders die beschikkkingen van de kinderrechter niet naleven. Deze praktijk is inmiddels zo wijdverbreid, dat kinderrechters tot schertsfiguren zijn verworden als het gaat om het vaststellen van omgangsregelingen. Dat valt die kinderrechters zelf ernstig aan te rekenen, omdat zij wel degelijk over voldoende middelen beschikken om hun gezag als rechter in het belang van het kind te doen gelden. Zo zou de rechter de formele verblijfplaats van het kind kunnen toewijzen aan de ouder die de omgang van het kind met diens andere ouder niet belemmert of onmogelijk maakt. Met dit eenvoudige middel zouden vrijwel alle problemen uit de wereld zijn. Voor hardnekkige gevallen van recidive zou voorts de ontneming van het ouderlijk gezag een optie zijn. Een nieuwe mogelijkheid, het voorwaardelijk stellen van het ouderlijk gezag, zou nog een beter idee zijn. Wie niet naar de kinderrechter luistert, krijgt dan een gele kaart. Wie daarna nog steeds meent dat moeders wil wet is, boven die van de Staat der Nederlanden, krijgt een rode. Dat de meeste kinderrechters deze maatregelen niet overwegen, heeft als oorzaak dat die kinderrechters het in hun hart helemaal niet erg vinden als moeders hun vonnissen niet naleven. En zo is het ook met de politiek: de enige politieke partij die zich al enkele jaren werkelijk druk maakt over deze uitholling van de rechtstaat en de gevolgen die dat voor veel kinderen en hun vaders heeft, is de VVD, zo blijkt uit het stemgedrag van de fracties in het parlement. De voormalige staatssecretaris van Justitie Cohen zei het tijdens een kamerdebat in juni 2000 zelfs hardop: “de vraag kan worden gesteld of al die vonnissen van de kinderrechter nu wel zo verstandig zijn”. Kinderzorg is in ons land nog steeds het exclusieve domein van moeders, ter compensatie van hun achtergestelde positie op de arbeidsmarkt. Ook daarin is Nederland immers één van de hekkensluiters binnen de Westerse wereld. Vorig jaar werd in opdracht van het ministerie van Justitie een studie gepubliceerd waarin werd bepleit het negeren van vonnissen van de kinderrechter strafbaar te stellen. Daarvoor zou een nieuwe bepaling in het wetboek van strafrecht moeten worden opgenomen. België kent zo’n bepaling al langer en gisteren nog heeft de correctionele rechtbank van Leuven een 34-jarige vrouw veroordeeld tot het maximum van een jaar effectieve celstraf omdat ze haar kinderen de omgang met hun vader weigert. Ter geruststelling: dezelfde rechtbank veroordeelt daarnaast vaders tot een jaar celstraf als zij weigeren onderhoudsgeld voor de kinderen te betalen. Ook in België krijgt men kennelijk genoeg van de gedoogcultuur. De voorstellen voor strafbaarstelling hebben het in Nederland in de Kamer niet gehaald. In plaats daarvan werd vrijwel kamerbreed “het omgangshuis” als remedie voor de kwaal aangewezen. Daarbij zou overigens geen enkele taak voor de Raad van de Kinderbescherming zijn weggelegd, zo benadrukte de Kamer en bevestigde de staatssecretaris. Wij zijn nu een jaar verder en zien de Raad, tegen de wil van kabinet en kamer, als fervent pleitbezorger van omgangshuizen optreden. Wij waren er al gewend dat de Raad stelselmatig wetten en vooschriften overtreedt en zijn dus niet verwonderd dat de Raad die omgangshuizen als haar nieuwe werkgelegenheidsplan blijft doordrukken, nu steeds meer stemmen opgaan om die Raad eens op te laten houden met al die frauduleuze scherstonderzoeken bij omgangskwesties. Nu de hoogste baas van de Raad, de staatssecretaris, de hand gelukkig stevig op de knip houdt, wil de Raad deze omgangshuizen met geld van gemeenten en provincies instellen. Het is te hopen dat deze laatsten er niet intuinen. Omgangshuizen vormen namelijk geen enkele oplossing maar verergeren juist de kwaal. De oorsprong van omgangshuizen ligt in het grote buitenland, waar een tot omgang veroordeelde moeder nog weleens abrupt met haar kinderen twaalfhonderd kilometer verderop wil gaan wonen. Door op centrale plaatsen een omgangshuis neer te zetten en moeder te verplichten het kind daar wekelijks naar toe te brengen, smoort men deze ongewenste verhuisdrift in de kiem, omdat het nuttig effect ervan verloren gaat. In Nederland kennen wij deze geografische problemen niet. En ook voor het overige is er, behoudens zeldzame gevallen, geen enkele reden om de kinderen wel bij moeder, maar niet bij vader thuis te laten verblijven. Het omgangshuis werkt discriminerend voor zowel vaders als kinderen en stigmatiseert tussen vaders en kinderen. De instelling van omgangshuizen vormt daarnaast een regelrechte uitnodiging om als moeder te blijven weigeren aan een normale omgang tussen de kinderen en vader mee te werken: dat leidt dan in elk geval tot dat rottige omgangshuis. Voorzien kan dus worden dat, net als bij elk product en elke dienst, aanbod vraag zal kweken. Voordat wij het weten zullen er tientallen miljoenen gemoeid zijn met dit nieuwe speeltje van de zorgsector en de Raad voor de Kinderbescherming. Honderden hoogst correcte dames staan daar al klaar om op kosten van de gemeenschap binnen deze nieuwste variant toe te zien op de hoogst correcte omgang van vaders met hun kinderen. En tientallen handige ondernemers zien in hun kielzog – net als bijvoorbeeld in de kinderopvang – de gulle geldstroom van rijk, provincie en gemeente al hun private domein in stromen. Te vaak wordt vergeten dat de huidige omgangsproblematiek een complete “bedrijfstak” (rechters, advocaten, raden) in stand houdt waarin honderden miljoenen per jaar om gaan. Deze bedrijfstak is net zo nobel als iedere andere en denkt vooral aan zijn eigen belangen. “In het belang van het kind” is dan equivalent voor “in het belang van ons baantje en maandsalaris”. Wat dat betreft zijn die omgangshuizen beslist een goede vondst. In onze westerse wereld zijn relaties tussen volwassenen steeds vaker slechts van tijdelijke aard, ook als uit die relaties kinderen worden geboren. Mensen moeten als gevolg daarvan nog leren dat zij als ouders wel het recht hebben om hun onderlinge liefdesrelatie te beëindigen, maar dat hun kinderen het recht behouden om de liefde voor hun beide ouders onbelemmerd te kunnen blijven genieten. Dit humane beginsel is inmiddels behoorlijk stevig verankerd in wetten en internationale verdragen, maar is nog strikt onvoldoende doorgedrongen in de hoofden van de meeste Nederlandse kinderrechters en medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming. Deze staatsdienaren doen als gevolg daarvan aan uitlokking en zijn de werkelijke veroorzakers van het probleem dat nog zoveel moeders kinderen niet beschouwen als zelfstandige wezens met eigen noden en rechten, maar als persoonlijk bezit waarmee je naar believen kunt doen en laten wat je wilt. Ook in de discussie rond omgangshuizen is immers de centrale vraag: wie haalt het nu in zijn hoofd om zijn kinderen moedwillig te vervreemden van hun andere ouder? Is dat goed ouderschap? Gaan we dat nu voor duur geld belonen met een nieuw soort weekendgevangenis voor de kinderen en hun vader, louter omdat moeder hun dat geluk niet gunt en hen eigenmachtig het recht daarop ontneemt? Moeten wij niet veel eerder toe naar verplichte ouderschapstherapie voor mensen die hun kinderen moedwillig vervreemden van hun andere ouder, in plaats van die andere ouder en de kinderen nog verder te stigmatiseren? Maarten
Legêne Maarten Legêne is bestuurslid van de Stichting SOS Papa |