Experimenten in samenleven: 
het vaderloze gezin

Een onderzoek door CIVITAS, Institute for the Study of Civil Society onder redactie van Rebecca O’Neill, september 2002. 
Vertaling uit het Engels door Nanne Scholtens en Hein van Gils

John Stuart Mill deed ooit zijn beroemde oproep om te experimenteren met leefwijzen waarmee we van elkaar zouden kunnen leren. De afgelopen 30 jaar hebben we een dergelijk experiment gedaan met het gezin. Nu is het de tijd om de resultaten daarvan te wegen.

‘De mens is niet volmaakt en daarom is het nuttig dat er verschillende meningen bestaan en evenzo dienen er ook verschillende experimenten met leefwijzen te zijn; opdat er vrije ruimte gegeven kan worden aan een variëteit van karakters, zonder de ander te schaden; en dat de verschillende vormen van (samen-)leven beproefd moeten kunnen worden, zodra iemand zich daartoe geroepen voelt. (J.S. Mill).

In deze passage uit ‘On Liberty’(1859) stelt de kampioen vrijheidsdenker uit de 19e eeuw, dat er altijd een publiek voordeel moet zijn in het toelaten van experimenten. Zijn redenering was dat net als we waarheid van leugen kunnen onderscheiden door het opeen botsen van meningen, zo kunnen we ook het menselijke samenleven verbeteren door een ‘strijd’ in leefwijzen toe te laten. Echter, Mill verwachtte niet dat zulke experimenten oneindig konden doorgaan. “Het zou absurd zijn” meende hij, “om te beweren dat mensen zouden moeten leven alsof hoegenaamd niets bekend was voor ze in de wereld kwamen; alsof niet reeds de ervaring had geleerd dat de ene levenswijze, of bestaanswijze of gedrag te verkiezen is boven een andere.”

In de zeventiger  en tachtiger jaren van de vorige eeuw beweerden veel mensen dat het traditionele gezin - gebaseerd op een getrouwde biologische vader en moeder en hun kinderen - uit de tijd was. Onder de vlag van ‘vrijheid van keuze’, ‘zelfvervulling’ en ‘respect voor alle vormen van samenleven’, leidden feministen en sociale activisten een campagne om te experimenteren met allerlei vormen van gezinsstructuren. Soms werd beweerd dat vrouwen en kinderen geen mannen nodig hadden of zelfs beter af waren zonder. Er werd gezegd dat het gezin niet afgebroken werd, maar alleen veranderde, en dat het belangrijkste voor kinderen het geluk en de zelfontplooiing van hun ouders waren; dat kinderen veerkrachtig waren en weinig negatieve gevolgen zouden ondervinden van scheiding en uiteenvallen van het gezin. Niet zelden lachte men om het idee van ‘bij elkaar blijven omwille van de kinderen’. Sommige ouders omarmden de nieuwe denkwijze, maar niet iedereen die meedeed aan het vaderloze gezinsexperiment’ was een willig subject. Naarmate de gedachte meer post vatte dat moeders en kinderen geen vaders nodig hadden verzwakte veel sociale en wettelijke steun voor het huwelijk. Sommige moeders met kinderen werden eenvoudigweg verlaten, sommige vaders werden eenvoudigweg opzij geschoven.

J.S. Mill’s standpunt vormde onderdeel van zijn meeromvattende pleidooi voor het vermijden van sociale controle waar de belangen van anderen niet worden geschaad. Mensen mochten hun eigen ideeën in praktijk brengen, ‘zonder belemmering, fysiek of moreel, van hun mede mensen’ zo lang als ze dat op eigen risico zouden doen. Voor Mill was dat laatste een absolute voorwaarde.

Als iemand een regel of verplichting aan een ander schendt, dan raakt deze zaak buiten wat respectvol genoemd kan worden, en is als zodanig moreel verwerpelijk te noemen’. (parafrasering, vert.) Mill noemt met name de verantwoordelijkheid van de vader voor zijn kinderen:  ‘Indien bijvoorbeeld een man door mateloos of extravagant gedrag niet meer in staat is om zijn schulden te betalen, of als hij de morele verantwoordelijkheid voor een gezin op zich heeft genomen en om dezelfde reden niet meer in staat is om dit gezin te ondersteunen of op te voeden, dan is hij strafbaar. Niet vanwege zijn extravagantie, maar omwille van zijn nalatigheid. (parafrase, vert.)

Na drie decennia van experimenteren met het vaderloze gezin, zijn we nu in de positie om de resultaten te evalueren.

Het experiment

Minder kinderen leven met hun moeder en vader

  • Het aandeel huishoudens met een moeder en een vader met afhankelijke kinderen daalde van 38% in 1961 tot 23% in 2001, terwijl het percentage één-ouder gezinnen over dezelfde periode verdriedubbelde van 2% tot 6%. (1)

  • Vanuit het kind gezien: 80% van de afhankelijke kinderen groeit op in 2-oudergezinnen (inclusief 6% in stiefgezinnen). Verder leeft 18% met alleen de moeder, en 2% met alleen de vader. In 1972 leefde 92% van de kinderen in 2-ouder gezinnen. (2)

  •  Volgens een analyse van het British Household Panel Survey (BHPS) data, zal 40% van alle moeders enige tijd tijd als alleenstaande ouder doorbrengen. (3)

  • Meer mensen wonen alleen. Tussen 1961 en 2001, verdubbelde het aantal eenpersoons huishoudens van 14 tot 30%. Dit percentage zal naar verwachting stijgen tot 35 % in 2021. (4)

 Wegen naar het vaderloze gezin

Het toegenomen aantal en relatief aandeel van eenoudergezinnen was ten dele toe te schrijven aan toename van scheiding. Tegelijkertijd waren er andere sociale veranderingen. Minder mensen huwden, meer kozen ervoor om samen te leven in plaats van te trouwen. Door deze veranderingen ontstonden verschillende wegen naar het vaderloze gezin.

Echtscheiding

De Divorce Reform Act (wet) uit 1969 had een piek aan scheidingen tot gevolg omdat verscheidene duizenden echtparen, daarvoor wellicht reeds hadden besloten te scheiden. Sinds 1974 steeg het aantal scheidingen geleidelijk en bereikte in 1993 een piek met 180.000 in het Verenigd Koninkrijk. Het jaarcijfer van echtscheiding schommelde rond de 13 per 1000 getrouwden in de 90-er jaren. (5) Vanuit het kind gezien: door de 90-er jaren, was bij 55% van de scheidingen een kind onder de 16 jaar betrokken. (6) 25 % van de kinderen wiens ouders in 2000 scheidden was onder de 5 jaar. 70 % was 10 jaar of jonger. (7) Over het geheel loopt 36% van de kinderen die uit een huwelijk geboren zijn, de kans om de scheiding van hun ouders te beleven voor hun 16e jaar. (8)

Geboorten buiten het huwelijk

Voor het grootste deel van de 20e eeuw schommelt het percentage buitenechtelijke geboorten rond de 5%. Vanaf de 60-er jaren nam dit aantal geleidelijk toe tot 10% in 1975, waarna de toename versnelde. Tegen 2000 was het aandeel buitenechtelijke geboorten verviervoudigd tot 40%. (9)

Veranderingen in huwelijkse- en samenwoonrelaties

Het aantal en het aandeel in het totaal van eerste huwelijken is drastisch gedaald: van 300. 000 in 1961 tot 180.000 in 2000. Per 1000 alleenstaande vrouwen trouwden er 83 (1961) en 33 per 1000 (2000). Bij mannen zakte het aandeel van 75 per 1000 in 1961 naar 26 per 1000 in 2000.

Hoewel het aantal 2e huwelijken toenam van 19.000 voor mannen in 1961 tot 75.000 in 2000 en van 18000 tot 36.000 voor vrouwen, is het relatieve aandeel in dezelfde periode scherp gedaald van 163 per 1000 gescheiden mannen, naar 42 per 1000 gescheiden mannen en van 97 (1961)naar 36 per 1000 gescheiden vrouwen (2001). (10)

Eerste en tweede huwelijken worden steeds vaker voorafgegaan of vervangen door samenwonen. Het aantal ongetrouwde vrouwen in samenwoonrelaties verdubbelde van 13% in 1986 tot 25 % in 1999. (11) Vormen van samenwonen vormen nu tot 70% van de eerste partner relaties. (12) Hoewel samenwonen recent meer sociaal aanvaard is, is zo’n relatie nogal kwetsbaar. Samenwoonrelaties duren gemiddeld 2 jaar voor ze eindigen of in een huwelijk worden omgezet. Van de samenlevende paren die niet huwen houdt 18% tenminste 10 jaar stand (vergeleken met 75% bij getrouwde stellen). (13)

Het is waar dat het percentage kinderen dat bij een alleenstaande moeder ter wereld komt ongeveer gelijk is gebleven. In 2001 was 7.3% van alle geboorte geregistreerd op naam van de moeder (= 19% van alleen buitenhuwelijkse geboorten). Nog eens 7.3% van alle geboorten werd aangegeven door vader én moeder, maar de ouders woonden niet op het zelfde adres (19 % van alle buitenechtelijke geboorten). Tot slot werd 25.3 % van alle geboorten door vader én moeder aangegeven, waarbij de vader op hetzelfde adres woonde (deze geboorten uit samenwonende ouders, vertegenwoordigen 63% van alle niet-huwelijkse geboortes) (14) (figuur 3)

Kortom: veel niet-huwelijkse geboorten vinden plaats binnen samenwoon vormen van partnerschap. Evenwel lopen samenlevingsvormen een groter risico op beëindiging, vooral als er kinderen uit voortkomen.

Als het over samenwonende ouders gaat, zijn de volgende twee belangrijke statistieken relevant:  

  •  Samenwonen is een van de hoofd wegen naar éénouderschap. Tussen de 15 en de 25% van alle eenoudergezinnen ontstaan uit verbroken samenwoonrelaties. (15) 

  • Kinderen die binnen huwelijken geboren worden, hebben tweemaal zoveel kans om hun gehele jeugd met beide natuurlijke ouders door te brengen, dan kinderen uit een samenwoonrelatie. (De cijfers zijn respectievelijk 70 versus 36%, zie figuur 4) (16)

Ook het aantal samenwonende stiefgezinnen neemt toe. Eén op de 14 kinderen zal waarschijnlijk op enig moment voor het 17e jaar in een stiefgezin wonen. De samenwonende man in deze relaties heeft noch een biologische, noch een wettelijke band met het kind van de moeder. (17)

Is het gehuwde, tweeouder-gezin achterhaald?

De meeste mensen geloven nog steeds in het ideaal van het huwelijk, en zullen trouwen.

 

  • Meer dan 50% van de volwassen bevolking is op dit moment getrouwd. (19)

  • Volgens de British Household Panel Survey (BHPS) verwacht bijna 75% van de kinderloze paren onder de 35 jaar op een bepaald moment wel te zullen trouwen.

  • Naar verwachting zal ongeveer 90% van de vrouwen die geboren zijn in de 60-er jaren, getrouwd zijn tegen hun 45e jaar. (20)

  • Negen van de tien tieners onder 16 jaar, wil trouwen. Een enquête onder 2000 scholieren tussen de 13 en 15 jaar, toonde dat voor hen de stelling: ‘het huwelijk ouderwets is en niet langer van belang’ slechts door 4% van hen werd onderschreven. (21) Volwassenen door heel Europa delen deze visie. Enquêtes door de Economische Commissie van Europa, maakten duidelijk dat 85 à 90% van de volwassenen de visie verwerpt. dat het huwelijk verouderd is. (22)

De resultaten

Hoe beïnvloedt het vaderloze gezin volwassenen, kinderen en de samenleving?

Indirecte gevolgen, Selectieve gevolgen en Beleidsimplicaties

Indirecte gevolgen
Het is reeds lang onderkend dat kinderen die opgroeien in alleen-moeder huishoudens, eerder problemen ondervinden op het emotionele vlak, dat van de opleiding en scholing, in financieel opzicht, en gedrag vertonen dat doorgaans wordt geassocieerd met sociale uitsluiting, zoals overtredingen, tienerzwangerschappen, alcohol -en drugsgebruik en werkeloosheid. Het kan zeer lastig zijn om de factoren en processen die hier aan het werk zijn en bijdragen tot deze vatbaarheid uit elkaar te halen.. Kinderen uit ‘alleen-moeder-huishoudens’ ervaren bijvoorbeeld vaker armoede dan kinderen uit twee-oudergezinnen. Onderzoekers kunnen zich derhalve afvragen of de armoede het gevolg is van het opgroeien in alleen-moeder-gezinnen per  se, of dat er andere factoren in het spel zijn, zoals ‘leven in armoede’ wat het gevolg zou kunnen zijn van, of versterkt zou kunnen zijn door het leven in een éénmoeder-gezin. (??) In dat geval zijn sommige gevolgen van het leven in een eenoudergezin ontstaan door een soort van kettingreactie, die armoede veroorzaakt, met als gevolg weer andere problemen.

Selectieve gevolgen
Ook is er op gewezen dat sommige factoren die het opgroeien in een één-moederhuishouden met zich meebrengen, zoals armoede, reeds bestonden vóór de scheiding of het uiteengaan van samenwonen, of vóór de geboorte van een kind buiten het huwelijk. Met andere woorden: de symptomen zouden er ook geweest zijn als de ouders bijeen waren gebleven. En er is op gewezen dat het mogelijk is dat één-moeder huishoudens ontstonden juist door negatieve situatie, zoals huiselijk geweld of andere vormen van conflict. In deze gevallen zouden de negatieve gevolgen die kinderen ondervinden in eenoudergezinnen, het gevolg kunnen zijn van het conflictueuze leven vóór de scheiding. Het kan dus zijn dat juist gezinnen die reeds problemen en achterstanden hebben, ‘geselecteerd’ worden naar eenoudergezinschap. En ook zouden mensen die veel voorsprong hadden zoals een stabiel en liefhebbend gezin, economische zekerheid, een goede opleiding, eerder trouwen en dit partnerschap ook doen standhouden, tegenover hen die dit niet hebben. Onderzoekers zouden zich af kunnen vragen of de positieve uitkomsten in deze gevallen eerder te danken zijn aan de voorafgaande goede voorwaarden, die uitselecteerden naar stabiele twee-ouder gezinnen,
hetzij eerder door de voordelen die het huwelijk als vorm, met zich meebrengt.

Sociale wetenschappers gebruiken speciale methoden om het indirect en selectief gevolg te meten. Beide vormen van ‘gevolg’ zijn reëel en spelen een rol in de uitkomst. Echter verklaren ze in de meeste gevallen niet alle (grotere) risicofactoren die samengaan met het leven in alleen-moeder gezinnen. Dit heeft grote politieke gevolgen Immers als alle alleenstaande moederhuishoudens boven de armoedegrens zouden worden gebracht, zouden ze nog steeds een verhoogd risico op bepaalde problemen hebben.

Daarom: het vergelijken van de aantallen mensen uit verschillende gezinsstructuren die verschillende problemen ervaren geeft een goed beeld van hoe mensen werkelijk leven. Door het verkennen en controleren van de rol van indirecte en selectieve gevolgen, kunnen sociale wetenschappers het ontstaan van problemen verklaren en misschien zelfs oplossingen hiervoor aandragen. Bij de feitenpresentatie hebben we getracht beide typen gegevens - voorzover beschikbaar - te verwerken.

Alleenstaande moeders zijn armer 

  •  Alleenstaande moeders hebben een tweemaal zo grote kans als tweeoudergezinnen om op enig moment in armoede te leven (69% van de alleenstaande moeders bevindt zich in de onderste 40% wat betreft huishoudelijk inkomen, versus 34% van paren met kinderen). (23)

  • Alleenstaande ouders lopen tweemaal zoveel kans om chronisch in de lage inkomensgroepen te blijven ( ze verkeren drie van de vier jaar in onderste 30% van de inkomens ladder. Bij paren met kinderen: 50% versus 22%. (24)

  • Alleenstaande ouders lopen een dubbel risico dan stellen met kinderen dat ze niet aan het sparen van geld toekomen. (68% versus 28%). (25)

  • Alleenstaande ouders zullen achtmaal eerder in een situatie van werkloosheid raken als getrouwde stellen met kinderen (45% versus 5.4 %). (26)

  • Eenouder-huishoudens lopen een twaalfmaal verhoogd risico dat ze een beroep op sociale bijstand doen als paren met afhankelijke kinderen (51% versus 4%). Ze zullen 2.5 maal eerder ‘belastingkrediet voor werkende gezinnen’ ontvangen (24% versus 9%) (27)

Ze hebben een grotere kans op stress, depressie, en andere emotionele en psychische problemen. 

  • Op de leeftijd van 33, zullen gescheiden en nooit getrouwde moeders 2.5 maal meer dan getrouwde moeders hoge niveaus van psychologische problemen ondervinden. Zelfs na correcties voor financiële problemen, voorafgaande psychologische problemen en andere demografische factoren hielden alleenstaande moeders nog steedss 1.4 maal meer kans op psychologische problemen. (28)

  • Alleenstaande moeders rapporteren zevenmaal vaker ‘zenuwproblemen’, ook na in acht nemen van andere demografische factoren. (29)

Hebben meer gezondheidsproblemen 

  • Resultaten van het British General Household Survey tonen dat, zelfs rekening houdend met demografische en socio-economische omstandigheden, alleenstaande moeders een aanzienlijk slechtere gezondheid hebben dan vrouwen met een partner, in vier op de vijf gezondheidsvariabelen. (30)

  • Gescheiden vrouwen hebben een hoger sterftecijfer, 21% hoger dan het gemiddelde van getrouwde vrouwen. Sterftecijfers van gescheiden vrouwen van 25 jaar en ouder vallen 35 tot 58 % hoger uit dan die van getrouwde vrouwen in dezelfde leeftijd. (31) 

Kunnen grotere problemen ondervinden in de interactie met hun kinderen 

  • Jongeren in eenoudergezinnen hebben tot 30% meer kans dan jongeren in tweeoudergezinnen, te melden dat hun ouders zelden of nooit weten waar ze waren. (32)

  • Na het in acht nemen van andere demografische factoren, kwam in eenoudergezinnen: Tot 2.25 maal vaker voor dat het gedrag van het kind de ouders verontrustte. 30% vaker aanzienlijke conflicten met hun kinderen voor 60% vaker voor dat ouders te veel of te hoge verwachtingen ten aanzien van hun kind koesteren. (33) 

Niet inwonende biologische vaders

 

Riskeren het contact met hun kinderen te verliezen 

  • 20 tot 30% van de niet-inwonende vaders heeft hun kinderen in het laatste jaar niet gezien. Nog eens 20 tot 40% ziet hun kinderen minder dan eens per week. (34) 

Hebben een grotere kans op gezondheidsproblemen en vertonen een hoog risicogedrag 

  • Gescheiden mannen tussen de 20 en de 60 jaar hebben een 70 tot 100% hogere sterftecijfer dan getrouwde mannen. (35)

  • Op een bevolking van jongvolwassenen, zullen gescheiden mannen en vrouwen met tweemaal zoveel waarschijnlijkheid meer gaan drinken dan hun getrouwde leeftijdgenoten. In dit geval was er geen selectie-effect. Met andere woorden: zwaar drinken leidde niet tot scheiding. Maar de scheiding leidde tot zwaar drinken. (36)

  • Gescheiden mannen waren aanzienlijk meer geneigd om marihuana te roken en onder invloed van alcohol te rijden. (37)

  • Gescheiden mannen scoorden het hoogst op niet-safe vrijen, 15.7% meldt meerdere partners te hebben en geen condoom te gebruiken in het afgelopen jaar. Vergeleken daarmee: 3% van de getrouwde mannen, 10.4% van de samenlevende mannen en 9.6% van de alleenstaande mannen. (38) 

Kinderen die zonder hun biologische vaders opgroeien:

 

Hebben een grotere kans op armoede en achterstand 

  • Kinderen die opgroeien in eenoudergezinnen belanden doorgaans in de onderste 40% van de inkomensladder, in vergelijking met kinderen die in tweeouder-huishoudens leven (75% versus 40%). (39)

  • Zelfs na correcties voor wat betreft de lage inkomensgroepen, zullen kinderen die opgroeien met alleenstaande nooit getrouwde moeders een extra achterstand houden. (40)

  • Na correcties voor andere demografische factoren, zullen kinderen uit eenouder huishoudens nog steeds 2.8 maal zovaak een familie-uitje (bewust) missen (41)

Hebben grotere kans op emotionele om mentale problemen 

  • Na correcties voor andere demografische factoren, hebben kinderen uit eenoudergezinnen een 2.5 maal zo hoge kans om zich soms of vaak ongelukkig te voelen. Ze scoren 3.3. maal vaker laag als het gaat om zelfwaardering. (42)

  • Kinderen tussen vijf en vijftien jaar uit eenoudergezinnen in Groot Brittannië, hadden tweemaal zo vaak gezondheidsproblemen als kinderen uit een intact tweeouder gezin (16% versus 8%). (43)

  • Een uitgebreid langetermijn onderzoek onder 1400 Amerikaanse families, bracht aan het licht dat 20 tot 25% van de kinderen uit een gescheiden gezin, in hun gedrag blijvende tekenen vertoont van depressiviteit, impulsiviteit (risico’s nemen), onverantwoordelijk- of antisociaal gedrag, in vergelijking met de 10% onder de kinderen uit intacte tweeouder gezinnen. (44)

Ondervinden meer problemen op school 

  • Kinderen uit eenoudergezinnen hebben een grotere kans om lager te scoren bij lezen, rekenen en denkvaardigheden. (45)

  • Na correcties voor andere demografische factoren, meldden kinderen uit eenoudergezinnen 3.3 maal vaker problemen in hun academisch/schoolwerk en in 50% vaker een probleem met leraren. (46)

Ondervinden meer moeiten in de omgang met anderen 

  • Na correcties voor andere demografische factoren, blijkt dat kinderen uit eenoudergezinnen driemaal vaker problemen ondervinden in vriendschappen. (47)

  • En deze kinderen hebben eerder gedragsproblemen en/of vertonen vaker asociaal gedrag. (48)

  • Jongens uit eenoudergezinnen zullen eerder agressief gedrag te tonen tegenover volwassenen, naar andere kinderen, en het vernielen van bezittingen. (49)

Lopen meer kans op gezondheidsproblemen 

  • De schattingen zijn dat het scheiden van de ouders bij de kinderen het risico op gezondheidsproblemen met  50% verhoogt. (50)

  • In Engeland en Wales was gedurende het jaar 2000 het de sterfte aan wiegedood bij ouders die op verschillende adressen woonden, driemaal hoger dan voor baby’s die uit een getrouwde moeder en vader werden geboren (0.66 per 1000 geboorten, tegenover 0.18). Onder babies die alleen geregistreerd waren op de naam van de moeder was de sterfte aan wiegedood zelfs zevenmaal hoger dan onder de kinderen die uit een huwelijk geboren waren (1.27 per 1000, tegenover 0.18). (51)

  • Na correctie voor andere demografische factoren, bleek dat kinderen die in eenouder gezinnen opgroeien, 1.8 maal zo vaak een psychosomatische gezondheidsklachten hebben en malaise ondervinden zoals pijntjes, hoofdpijn, buikpijn, en zich niet lekker voelen. (52)

Lopen een groter risico op het ondergaan van fysiek-, emotioneel- of seksueel misbruik. 

  • Volgens gegevens van de National Society for the Prevention of Cruelty to Children (NSPCC) zullen jongeren die in een eenoudergezin opgroeien vijfmaal eerder het slachtoffer worden van fysiek misbruik en emotionele mishandeling, in vergelijking tot kinderen in tweeoudergezinnen. (53)

  • Alle onderzoeken naar slachtoffertjes van kindermisbruik wijzen het stiefgezin aan als hoogste risicofactor,  met het risico op dodelijk misbruik 100 maal hoger dan in normale tweeoudergezinnen (54), zulks volgens de internationale deskundigen op dit gebied, Daly en Wilson, zich baserend op Amerikaans onderzoek van 1976. (55) Het gebruik van de term stiefvader is echter in het onderzoek problematisch geworden; de term doelde immers op vaders die in een gezin leefden met kinderen die niet van hem maar van de moeder waren. Nu wordt de term stiefvader echter gebruikt om elke man in het gezin aan te duiden: al dan niet met de moeder getrouwd. Een NSPCC onderzoek uit 1988 dat onderscheid maakte tussen getrouwde stiefvaders en samenwonende (ongetrouwde) stiefvaders, bracht aan het licht dat getrouwde stiefvaders minder misbruikten: ‘voor niet biologische vaders, wordt het gehuwd zijn verbonden met een grotere betrokkenheid en verantwoordelijkheid in de vaderrol.’ (56) Analyse van 35 gevallen van misbruik tussen 1968 en 1987, welke onderwerp van openbaar onderzoek werden, toonde dat de risicofactor voor kinderen die met een alleenstaande moeder woonden, en een niet-biologische vader (eng.: unrelated man), tot 70 maal hoger was dan dat het zou zijn voor een kind met twee getrouwde biologische ouders. (57)

Hebben een grotere kans om van huis weg te lopen 

  • Kinderen uit eenoudergezinnen zullen tweemaal eerder van huis weglopen als kinderen uit tweeoudergezinnen (14% in vergelijking tot 7%). (58) 

Tieners die opgroeien zonder hun biologische vaders:  

 

Hebben een grotere kans om problemen te krijgen met hun seksuele gedrag  

  • Volgens de National Survey of Sexual Attitudes and Lifestyles hadden kinderen uit eenoudergezinnen een grotere kans op seksueel contact voor hun 16e vergeleken met kinderen uit huishoudens met de twee biologische ouders.

  • Jongens hadden een 1,8 keer zo grote kans (42,3 % vergeleken met 23 %) en meisjes een 1,5 keer zo grote kans (36,5 % tegen 23,6 %). Na correctie voor sociaal-economische status, mate van communicatie met de ouders, opleidingsniveau en, voor meisjes, de leeftijd waarop hun eerste menstruatie plaatsvindt, nam de kans op vroegtijdige seks toe tot 2,29 keer voor jongens en 1,65 keer voor meisjes.

  • Vergeleken met jonge volwassenen, afkomstig uit huishoudingen met de twee biologische ouders, hadden jonge mannen uit éénouder huishoudens een 1.8 keer zo grote kans om bij hun eerste seksuele gemeenschap geen anticonceptie toe te passen (13,6 % vergeleken met 7,5 %) en jonge vrouwen hadden een 1,75 keer zo grote kans (16,1 % vergeleken met 9,2 %). Na correcties voor andere factoren waren deze kansen afgenomen tot 1,11 keer zo groot voor mannen en 1,23 voor vrouwen.

  • Meisjes uit eenouder huishoudens hadden een 1,6 keer zo grote kans om moeder te worden voor hun 18e (11% vergeleken met 6,8 %). Correcties voor andere factoren verminderden deze kansen niet. (59)

Hebben een grotere kans om als tiener al ouders te worden  

  • Analyse van gegevens uit de Nationale Kinderontwikkelingsstudie (National Child Development Study) toonde aan dat vrouwen waarvan de ouders waren gescheiden twee keer zo veel kans hadden om als tiener al moeder te worden dan die uit intacte gezinnen (25 % vergeleken met 14 %). Mannen afkomstig uit gescheiden gezinnen hadden een 1,8 keer zo grote kans om vader te worden voor hun 22e jaar dan mannen uit intacte gezinnen (23 % tegen 13 %). Na correctie voor armoede in de kinderjaren en gedrags- en schoolproblemen, namen de grotere kansen op moederschap als tiener en vroegtijdig vaderschap af tot 1,4 zo groot. Dat betekent dat kinderen na een echtscheiding nog altijd 40 % meer kans lopen op vroegtijdig ouderschap, zelfs na andere gezinsachtergronden in de beschouwing te betrekken. (60)

Hebben een grotere kans op crimineel gedrag  

  • Kinderen van 11 tot 16 jaar hadden een 25 % grotere kans op crimineel gedrag in het afgelopen jaar wanneer ze in een eenoudergezin leefden. (61)

  • Jonge mannen uit eenoudergezinnen hadden een 1,6 keer zo grote kans om een recidivist te zijn dan die uit gezinnen met twee biologische ouders.

  • Het leven in eenoudergezinnen beïnvloedt crimineel gedrag waarschijnlijk indirect door minder aandacht van de ouders voor het kind. (62)

  • In groepsdiscussies spraken jonge mensen vaak over problemen in hun gezinsleven en over de afwezigheid van hun vaders. Een van die discussies verliep als volgt: 
    Interviewer: Ik realiseer me net dat al die tijd niemand het over vaders heeft gehad.  
    Tiener 1: Dat komt omdat er geen vaders zijn om over te praten! 
    Tiener 2: We hebben geen vaders nodig, uiteindelijk heeft een kind alleen zijn moeder nodig. (63)
    Een jonge vrouw zei: Waar ik vandaan kom…. Dat is een ruwe, nare omgeving… en je ziet daar moeders met zes kinderen, drie kinderen, hun vriendjes, niet vaders. Kinderen groeien op en ze koesteren wrok tegen andere gezinnen. (64)

 Hebben een grotere kans om te gaan roken  

  • In een geselecteerde groep tieners in het westen van Schotland, hadden 15-jarigen uit eenoudergezinnen een tweemaal zo grote kans om te gaan roken dan die uit huishoudens met de twee biologische ouders (29 % vergeleken met 15 %). Na correcties voor armoede, hadden ze nog altijd een 50 % grotere kans om te gaan roken.

  • Britse 16-jarigen, die in eenouder huishoudens leefden, hadden een 1,5 zo grote kans om te gaan roken. Correcties voor sekse, gezinsinkomen, tijd doorgebracht in het gezin en de verhouding met de ouders, vergrootte de kans voor een tiener uit een eenoudergezin om te gaan roken (tot 1,8 keer zo groot). (66)

Hebben een grotere kans om te gaan drinken  

  • In West Schotland hadden 18-jarige meisjes uit eenoudergezinnen een tweemaal zo grote kans om overmatig te gaan drinken dan die uit intacte gezinnen met de twee biologische ouders (17,6 % vergeleken met 9,2 %). Deze uitkomst blijft zelfs na correctie voor armoede geldig. (67)

  • Britse 16-jarigen uit eenoudergezinnen maken niet meer kans om te drinken dan die uit intacte huishoudingen. Dat komt vooral omdat een grotere mate van drinken door tieners samenhangt met hogere gezinsinkomens. Na correctie voor gezinsinkomen en sekse, hadden tieners uit eenoudergezinnen een 40 % grotere kans om te drinken. (68)

Hebben een grotere kans om drugs te gaan gebruiken

  • Op 15-jarige leeftijd hadden jongens uit eenouder huishoudens tweemaal zo vaak drugs gebruikt dan die uit huishoudingen met twee biologische ouders (22,4 % vergeleken met 10,8 %). Meisjes uit eenouder huishoudens hadden een 25 % grotere kans op druggebruik op 15-jarige leeftijd (8,2 % vergeleken met 6,5 %) en een 70 % grotere kans op drugsgebruik op 18-jarige leeftijd (33,3% vergeleken met 19,6 %). Na correcties voor armoede, hadden tieners uit eenouder huishoudens nog altijd een 50 % grotere kans op drugsgebruik. (69)

Hebben een grotere kans om te spijbelen  

  • Na correcties voor sociale afkomst, mate van ouderlijke aandacht, verbondenheid met het gezin, problemen van vrienden, broers en zussen met de politie en schoolprestaties, hadden jongens in eenoudergezinnen 2,7 keer zoveel kans om te spijbelen dan die uit gezinnen met twee biologische ouders. (70)

Hebben een grotere kans om van school gestuurd te worden  

  • Kinderen die met een alleenstaande moeder leven hebben een driemaal zo grote kans dan die uit een gezin met twee biologische ouders om van school gestuurd te worden (15,6 % vergeleken met 4,8 %). (71)

Hebben een grotere kans om hun opleiding af te breken met 16 jaar

  • Zestienjarigen uit eenoudergezinnen hebben een tweemaal zo grote kans om hun schoolopleiding af te breken zonder diploma dan degene uit intacte gezinnen. De meeste studies hebben dit verhoogde risico toegeschreven aan de relatieve armoede van de eenoudergezinnen, hetgeen op zichzelf sterk is gerelateerd aan slechte studieresultaten. (73)

Hebben een grotere kans op aanpassingsproblemen  

  • Volgens een Amerikaans onderzoek hebben adolescenten waarvan de ouders gescheiden zijn meer gedragproblemen (agressief en crimineel) en persoonlijkheidsstoornissen (emotionele zoals depressie). Meestal kwam dit door de kwaliteitsvermindering van het moederschap.Verder was de vermindering in de mate van de betrokkenheid van de vader gerelateerd met de toename van agressie en delinquent gedrag van de jongens.

  • Het toegenomen antisociale gedrag van meisjes was grotendeels verklaarbaar door conflicten tussen de ouders na de echtscheiding. Voor jongens was de echtscheiding gerelateerd aan de toename in de kans op depressies, zelfs als rekening gehouden wordt met andere factoren. De auteurs concluderen dat echtscheiding op zichzelf tot depressie bij jongens lijkt te leiden. (74)

Jong volwassenen, die opgroeiden zonder hun biologische vaders   

 

Hebben een kleinere kans om een beroepskwalificatie te verwerven  

  • Uit analyse van het National Child Development Study (Nationale Kinderontwikkelings Onderzoek) blijkt dat kinderen uit gebroken gezinnen tweemaal zo veel kans hebben om geen beroepskwalificaties te verwerven voor hun 33ste (20 % vergeleken met 11 % uit intacte gezinnen). Sommige van de gevonden verschillen zijn voorspelbaar vanwege de sterke relatie tussen enerzijds echtscheiding en anderzijds armoede en gedragproblemen bij kinderen. Maar echtscheiding tijdens de kinderjaren lijkt ook invloed te hebben op sommige terreinen die niet volledig verklaarbaar zijn door dergelijke jeugdproblemen. Na correctie voor geldgebrek, gedragsproblemen, sociale klasse en onderwijstoetsen tijdens de jeugdjaren bijvoorbeeld, hadden vrouwen waarvan de ouders scheidden nog altijd een 11 % grotere kans op het ontbreken van beroepskwalificaties. Voor mannen, correcties voor de invloeden van problemen gedurende de kinderjaren had nauwelijks effect hun verlaagde kansen om hogere beroepskwalificaties te verwerven. De wisselwerkingen tussen de echtscheiding en andere jeugdproblemen en hun effect op de opleiding van jonge volwassenen zijn tamelijk ingewikkeld. De auteur van dit onderzoek vatte de resultaten als volgt samen: “armoede en gedragsproblemen zijn belangrijke factoren in vermindering van het succes van onderwijs, en echtscheiding kan beide versterken”. (74) Analyses door andere studies laten zien dat de meeste of alle verschillen in opleidingsresultaten sterk gerelateerd zijn aan armoede. (75)

Hebben een grotere kans op werkeloosheid

  • Op 33-jarige leeftijd hadden mannen met een gebroken-gezins achtergrond een tweemaal zo grote kans om werkeloos te zijn (14 % vergeleken met 7 %), en hebben ze 1,6 keer zo vaak meer dan één periode van werkeloosheid achter de rug sinds hun schooltijd (23 % in vergelijking met 14 %). Ook hier zijn de redenen voor de verschillen in deze kansen ingewikkeld. Sommige verschillen lijken voort te komen uit armoede en gedragsproblemen, die al bestonden voor de echtscheiding en die nadien bleven bestaan of verergerden. Maar zelfs na correctie voor deze factoren, hadden mannen, wiens ouders gescheiden waren nog een 1,4 maal zo grote kans om werkeloos te zijn en een 1,3 keer zo grote kans om meer dan één periode van werkeloosheid achter de rug te hebben. (76)

Hebben een grotere kans op een laag inkomen  

  • Voor vrouwen zijn de inkomenseffecten van de ouderlijke echtscheiding ingewikkeld doordat echtscheiding van de ouders leidt tot een grotere kans op vroege zwangerschap, wat op zichzelf weer leidt tot een verlaagde kans voor deze vrouwen op werk. Vrouwen uit gebroken gezinnen hadden gemiddelde inkomens die 20 % lager lagen dan die van degenen die opgroeiden in een twee-oudergezin (£ 86 per week vergeleken met £ 104). Ze hadden een 30 % grotere kans om in de laagste van de vier inkomensklassen te zitten (32 % vergeleken met 25 %). Na correctie voor vroege zwangerschappen (die op zichzelf verband vertonen met echtscheiding van de ouders), hadden vrouwen uit gebroken gezinnen nog een 13 % kleinere kans om in de hoogste individuele inkomensklasse terecht te komen en een 20 % grotere kans om in laagste klasse van gezinsinkomens te belanden. (77)

Hebben een grotere kans om in de bijstand te geraken  

  • Vrouwen uit gebroken gezinnen hadden een 1,3 keer zo grote kans om een bijstandsuitkering te ontvangen op 33-jarige leeftijd (11 % vergeleken met 8 %). (78)

Hebben een grotere kans om dakloos te zijn  

  • Jonge volwassenen uit gebroken gezinnen hebben een 1,7 keer zo grote kans om ooit dakloos te zijn geweest (6,2 % vergeleken met 3,6 %). Voor vrouwen wordt dit geheel verklaard door het feit dat kinderen uit gescheiden huishoudens een grotere kans hebben op armoede in hun jeugd, hetgeen weer gerelateerd is aan dakloosheid als volwassene. Maar voor mannen kunnen alle verschillen in risiconiveau toegeschreven worden aan echtscheiding tijdens de vroege kinderjaren, en niet aan armoede of andere problemen in de kinderjaren.

Hebben een grotere kans op arrestatie en gevangenisstraf  

  • Alhoewel 20 % van alle thuiswonende kinderen in eenoudergezinnen leven, komen 70 % van de jonge wetsovertreders geïdentificeerd door de speciale jeugdbrigade van de politie (“Youth Offending Teams”) uit eenoudergezinnen. (80)

  • Amerikaanse studies hebben aangetoond dat jongens uit eenoudergezinnen een twee keer zo grote kans hebben op gevangenisstraf tegen de tijd dat ze begin dertig zijn, dan jongens uit intacte gezinnen. (81)

Hebben een grotere kans op langdurige emotionele en psychologische problemen  

  • In een Amerikaanse studie kregen 20-25 % van de kinderen te maken met langdurige emotionele of gedragsproblemen vergeleken met 10 % van de kinderen met ouders die getrouwd bleven. (82)

  • Een andere studie vond dat 11 % van de jonge volwassenen, waarvan de ouders waren gescheiden, zeven of meer symptomen van emotionele problemen vertoonden, tegen slechts 8 % van degenen die opgroeiden in intacte twee-oudergezinnen. (83)

  • Een studie die 100 kinderen bleef volgen over een periode van vijfentwintig jaar vond dat de gescheiden ouders zich wellicht bevrijd hebben gevoeld, maar dat veel van hun kinderen er emotioneel onder hebben geleden. (84)

Hebben een grotere kans om gezondheidsproblemen te krijgen  

  • Een Zweeds onderzoek vond dat kinderen uit eenoudergezinnen een 30 % grotere kans hadden om te overlijden over de 16-jarige onderzoeksperiode. Na correctie voor armoede, hadden kinderen uit eenoudergezinnen een 70 % grotere kans op problemen met hun bloedsomloop, 56 % meer kans op tekenen van geestesziekten, 27 % meer kans op chronische pijn en 26 % meer kans op een slechte gezondheid in het algemeen. (85)

  • NDCS (Britse gegevens) data geven aan dat echtscheiding tijdens de kinderjaren de kans verhoogde voor jonge volwassenen om zwaar aan de drank te raken en/of een probleemdrinker te worden. Het verband was zwak op 23-jarige leeftijd, maar was sterk op 33-jarige leeftijd. Correcties voor andere factoren, zoals huwelijkse staat of sociaal- economische status, verminderde de effecten niet wezenlijk. (86)

  • In een geselecteerde groep jonge vrouwen die geslachtsgemeenschap hadden gehad voor hun 18e, hadden diegene uit eenoudergezinnen een 1,4 keer zo grote kans op een seksueel overdraagbare ziekte op hun 24ste (14,3 % vergeleken met 10,2 %). Correcties voor andere factoren verhoogde de relatieve kans lichtelijk tot 1,53 keer zo groot. (87)

  • Kinderen uit een echtscheiding leefden gemiddeld vier jaar korter in een geselecteerde groep blanke Amerikanen uit de middenklasse. (88)

Gaan vroeger relaties aan en vaker in de vorm van samenwonen   

  • Britse mannen (NCDS data) uit gebroken gezinnen hadden een 1,7 keer zo grote kans en Britse vrouwen (NCDS data) een 2,2 keer zo grote op een eerste relatie (huwelijk of samenwonen) als tiener. Correcties voor armoede en andere problemen in de jeugdjaren verminderde deze kansen tot 1,6 respectievelijk 1,66. Het is aannemelijk dat voor vrouwen de invloed van de echtscheiding van de ouders op de vroege relatievorming voornamelijk werkt via de verhoogde waarschijnlijkheid van vroegtijdige seksuele activiteit. (89)

  • Vrouwen hadden een 1,7 zo grote kans om samen te wonen voor een huwelijk of in hun eerste relatie als ze uit een gebroken gezin afkomstig waren. Mannen hadden een 1,7 keer zo grote kans om samen te wonen alvorens te trouwen en een tweemaal zo grote kans om samen te wonen in plaats van te trouwen. Correcties voor armoede en andere jeugdproblemen verminderde de gevolgen van de echtscheiding van de ouders op de voorkeuren van hun kinderen voor samenleven niet. (90)

Hebben een grotere kans op echtscheiding of beëindiging van hun samenlevingsvorm  

  • Het risico om relaties (inclusief samenleving en huwelijk) te verbreken was voor mannen uit gebroken gezinnen 1,9 keer zo hoog en voor vrouwen 1,5 keer zo groot vergeleken met degenen uit een intact gezin. Deze invloeden leken niet te werken via ervaringen met jeugdproblemen, maar meer door de geneigdheid van volwassenen - speciaal vrouwen – die in hun jeugd een echtscheiding van de ouders hebben meegemaakt, om vroeger een relatie te beginnen, wat op zijn beurt de waarschijnlijkheid vergroot op beëindiging van de relatie. Maar zelfs na correctie voor een jonge leeftijd in de eerste relatie, hadden mannen uit gebroken gezinnen een 30 % grotere kans om hun eerste relatie te verbreken. (91)

Hebben een grotere kans op kinderen buiten huwelijk of relatie  

  • Mannen en vrouwen uit gebroken gezinnen hadden een tweemaal zo grote kans om hun eerste kind buiten huwelijk of relatie te krijgen dan degenen die opgroeiden in intacte twee-oudergezinnen (12,6 % vergeleken met 6,6 % voor vrouwen en 7,1 % vergeleken met 4 % voor mannen). De verhoogde kans op kinderen buiten elke relatie komt voort uit het krijgen van hun eerste kind op jongere leeftijd door ouders afkomstig uit gebroken gezinnen, wat op zijn beurt de kans vergroot op kinderen krijgen zonder een relatie. Voor een deel komt dit ook door de verhoogde kans op jeugdproblemen, vooral bij vrouwen. (92)

Gevolgen voor de samenleving  

 

Breuken in het gezinsleven hebben zeker een effect op de betrokken mannen, vrouwen en kinderen. In toenemende mate hebben veranderingen in de patronen van gezinsstructuur echter ook gevolgen voor de wijdere samenleving. Het is moeilijk om oorzaak en gevolg te ontrafelen, maar het is wel mogelijk om sociale veranderingen te bekijken in samenhang met veranderingen in het gezinsleven over de laatste decennia. 

 

Toegenomen misdaad en geweld
Over de laatste decennia is het aantal misdaden gestegen tegelijkertijd met het aantal echtscheidingen, buitenechtelijke kinderen en alleenstaande ouders. Het verband tussen misdaad en gezinsmilieu is ingewikkeld, speciaal wanneer de rol van armoede ook in de beschouwing betrokken wordt. Om te zeggen dat de een de ander veroorzaakt is te simplistisch. Toch hebben vele geleerden en beleidsmakers die de misdaad bestuderen het uiteenvallen van gezinnen geïdentificeerd als één uit een set van negatieve oorzaken die verband houden met criminele activiteiten en met chronisch recidivisme. (93) 

  • Een Amerikaanse studie vond dat wetsovertreding door jongeren niet alleen werd beïnvloed door het al dan niet getrouwd zijn van de ouders van een bepaald kind, maar ook door de overheersende gezinssamenstelling i n zijn (vert.: sic) woonbuurt. Dit zou kunnen komen doordat twee-oudergezinnen beter kunnen letten op asociaal gedrag, dat vaak tot meer serieuze misdaad leidt. (94)

  • Een vergelijkingen tussen 17 ontwikkelde landen laat zien dat landen met hogere aantallen buitenechtelijke geboorten, tienerouders en echtscheidingen ook een hoger aantal kindermoorden hadden. (95)

  • Vele gevangenen missen sterke gezinsrelaties, wat rehabilitatie en herintegratie in de gemeenschap bemoeilijkt. Gevangenen hebben bijvoorbeeld een tweemaal zo hoog percentage echtscheidingen dan de overige bevolking (9 % i.v.m. 4 %). En hoewel maar 9 % van alle vrouwen alleenstaande moeders zijn, waren meer dan tweemaal zoveel vrouwelijke gevangenen alleenstaande moeder toen ze de gevangenis ingingen. (96) 

Verminderde banden met de samenleving  

Recent onderzoek heeft maatschappelijke betrokkenheid geïdentificeerd als een goede maatstaf voor sociaal kapitaal, een begrip dat de vele hulpbronnen omvat waarover mensen beschikken door hun sociale netwerken. 

  • Analyse van de gegevens uit het GHS (General Household Survey, Groot-Brittanie) laat zien dat twee-oudergezinnen vaker betrokken zijn bij hun lokale samenleving dan eenoudergezinnen. Zelfs na correctie voor opleiding, sociaal-economische groep en werk, hebben twee-oudergezinnen een 25 % grotere waarschijnlijkheid om goede buren te zijn, en hebben een 50 % grotere kans op het kennen van mensen die tot hulp bereid zijn bij ziekte, noodzaak van vervoer of geldgebrek in vergelijking met de eenoudergezinnen. Zo’n relatief gebrek aan wederzijdse zorg in eenoudergezinnen bestaat ondanks het feit dat ze eigenlijk meer vrienden en verwanten hebben die in de buurt wonen in vergelijking met de twee-oudergezinnen. (97) 

Een groeiende echtscheidingscultuur  

Er bestaat verschil van mening over of de verruimde wettelijke mogelijkheden tot echtscheiding de toename van het aantal echtscheidingen heeft veroorzaakt, of dat de wetshervorming een antwoord was op de toegenomen vraag naar echtscheiding. De waarheid is waarschijnlijk een of andere combinatie van deze twee hypothesen. Het feit echter dat echtscheiding in brede kring erkend is als een mogelijkheid voor getrouwde paren kan wel degelijk een effect hebben op het gedrag van mensen.  

  • Amerikaanse studies hebben uitgewezen dat getrouwde stellen met een positieve opvatting over echtscheiding uiteindelijk een afname in de kwaliteit van hun huwelijk ervaren (wat vervolgens tot echtscheiding kan leiden). Dit betekent dat heel vaak de acceptatie van echtscheiding als een mogelijkheid voorafgaat aan de achteruitgang van de kwaliteit van het huwelijk, i.p.v. omgekeerd. (98)

  • De toename in het samenwonen, zowel voor de eerste relaties als ook voor verdere relaties, is deels in verband gebracht met de wens om echtscheiding te vermijden door een “proef”huwelijk of ter vermijding van elke wettelijke verbintenis. (99) 

Cyclus van vaderloosheid
Er zijn vele historische perioden waarin kinderen hun hele leven of een deel ervan doorbrengen zonder hun vader. De vaders waren afwezig vanwege werk of militaire verplichtingen, of overleden voor hun kinderen volwassen werden.

Een meer recente trend betreft vaders die hun gezin verlaten of die uit hun gezin verwijderd worden, dan wel die hun invloed zien verminderen vanwege verblijf elders. In een aantal families heeft dit patroon zich herhaald over meerdere generaties en is tot norm geworden. Vaak leven deze families ook in economische achterstandsgebieden met hoge criminaliteit en lagere verwachtingen. In deze omgeving is het gemakkelijker en meer acceptabel om de integratie van vaders in het gezinsleven te vermijden. Dergelijke families zijn door sommigen als de “onderklasse” en door anderen als de “sociaal uitgeslotenen” beschreven. (100) 

Afhankelijkheid van bijstandsuitkeringen
De trend in toenemende aantallen eenoudergezinnen bestaat naast een toenemende afhankelijkheid van bijstandsuitkeringen. Verscheidene analisten van deze twee trends hebben beargumenteerd dat de veranderingen in gezinssamenstelling zijn voortgebracht door de toename in afhankelijkheid van bijstandsuitkeringen. Anderen redeneren dat ze elkaar wederzijds versterken. (101)

In 1971 was 7 % van de volwassen bevolking van Groot-Brittannië afhankelijk van de bijstand. Dat aandeel nam toe tot aan 13 % in 1992. Sinds 1996 is dat percentage licht gedaald en is nu 10 %. Deze veranderingen vonden plaats terwijl het aandeel van eenoudergezinnen toenam van 3 % in 1971 tot 6 % in 2001. (102)

Waarom al deze gevolgen?  

Armoede
Vele van de slechte gevolgen voortvloeiend uit gebroken gezinnen kunnen deels verklaard worden door armoede of inkomensdaling rondom echtscheiding, scheiding en alleenstaand ouderschap. In sommige gevallen kunnen tot 50 % van de waargenomen verschillen tussen kinderen met verschillende gezinsachtergronden hierdoor verklaard worden. Armoede tendeert meer de kansverschillen te verklaren die verbonden zijn met resultaten in opleiding en beroep als die verbonden met relaties en oudergedrag. 

Armoede is over het algemeen gedefinieerd door het inkomensniveau van de huishouding, maar er is gewoonlijk veel meer gaande dan alleen lage inkomens. Lage inkomens kunnen een aanwijzing voor een aantal andere gerelateerde factoren zoals zwakke gezondheid, hoge werkeloosheid, hoge criminaliteit, onveilige buurt, slechte scholen en andere voorzieningen en lage verwachtingen. Verder meten vele studies, die wel armoede meten en ervoor corrigeren, geen andere belangrijke factoren zoals de kwaliteit van de ouderlijke zorg of de mate van huiselijke conflicten. Armoede is een belangrijk probleem, maar het verklaart niet alles. Recent onderzoek heeft aangetoond dat voor vele negatieve gevolgen, behalve in gevallen van grote armoede, de hoeveelheid geld die ouders hebben van minder belang is dan hoe ze het uitgeven. (103)  

Verminderde ouderlijke en vaderlijke aandacht
Vele problemen verbonden met vaderloosheid lijken gerelateerd aan verminderde ouderlijke aandacht en sociale hulpbronnen. (105) Een kind levend zonder zijn of haar vader zal zeker minder aandacht krijgen dan een kind dat met beide ouders samenleeft. Dit verschil in hoeveelheid aandacht speelt een sleutelrol, maar verschillen in de soort ouderlijke aandacht zijn ook belangrijk. 
Recente wetenschap heeft de belangrijke rol van vaders benadrukt.
 

  • Sociale psychologen hebben gevonden dat vaders de korte en lange termijn ontwikkeling van hun kinderen beïnvloeden via verschillende wegen:

  • Financieel kapitaal (het gebruik van inkomen om te voedsel, kleding, onderdak en opleiding te verschaffen),

  • Menselijk kapitaal (het samen delen van de voordelen van en het geven van een rolmodel voor opleiding, vaardigheden en werkhouding) en,

  • Sociaal kapitaal (samen delen van de voordelen van de relaties).

Meer in het bijzonder:

  • Het co-ouderschap van moeder en vader voorziet kinderen van een rolmodel van volwassenen, die samenwerken, communiceren, onderhandelen and compromissen sluiten. Deze gedeelde hulpbron helpt ouders ook om een gezamenlijk gezag uit te dragen, dat veel minder arbitrair is voor kinderen dan één gezaghebbende persoon.

  • De ouder/kind relatie: studies laten zien dat een vader op unieke wijze kan bijdragen aan de ontwikkeling van zijn kinderen onafhankelijk van de bijdrage van de moeder. Op terreinen zoals emotionele intelligentie, zelfwaardering, competentie en vertrouwen, kan de invloed van de vader niet worden vervangen door de moeder, hoe goed ze ook is als moeder (opgemerkt moet worden dat moeders eveneens een unieke en onafhankelijke invloed uitoefenen op andere terreinen, zoals bijvoorbeeld bij de oplossing van bepaalde gedragsproblemen. (106) Andere studies wijzen erop dat vaders vooral van belang kunnen zijn waar gezinnen in de problemen komen, zoals armoede, veelvuldig verhuizen, of waar kinderen leerproblemen hebben. (107) 

Omstandigheden voor, tijdens en na de scheiding
Echtscheiding of scheiding van ouders kan gezien worden als een “gebeurtenis”, op zichzelf van belang en omdat het leidt tot vele veranderingen. Scheiding kan ook gezien worden als onderdeel van een “proces” dat begint voor de scheiding en dat bekeken moet worden in die context. Er is zich een consensus aan het ontwikkelen dat al deze aspecten van belang zijn. (108) Hoe dan ook, echtscheiding en scheiding worden verschillend ervaren door volwassenen en kinderen. Wat een goede echtscheiding lijkt voor volwassenen kan heel anders voelen voor kinderen. In de afwezigheid van een hoog conflictniveau, zijn kinderen zich er vaak niet van bewust dat hun ouders moeilijkheden ervaren. Voor deze kinderen kan de echtscheiding of scheiding zelf problematisch zijn. Het kan zelfs zo zijn dat kinderen meer worden geraakt door het conflict ontstaan door de scheiding en dat nadien voortduurt, als toen hun ouders nog samen waren. (109)  Er zijn twee soorten kinderen met hoge risico’s voor psychologische problemen in de toekomst:  (1) degenen die opgroeien met ouders die getrouwd blijven, maar waarbij die ouders conflictueus en vijandig blijven, en  (2) degenen met ouders in een huwelijk met weinig conflict, die desalniettemin gaan scheiden. (110)  Meer dan de helft van de echtscheidingen betreft huwelijken met weinig conflict – wat “goed genoeg” genoemd zou kunnen worden – die een goede mogelijkheid hebben om gered te worden (in een studie rapporteerden 64 % van de paren die zeiden ongelukkig te zijn, maar die bij elkaar bleven en aan hun relatie werkten, vijf jaar later gelukkig te zijn). (111) Echtscheidingen in deze huwelijken met weinig conflict kunnen zeer schadelijk voor kinderen zijn. (112) 

Waardering van de resultaten  

De bulk van het bewijs laat zien dat het traditionele gezin gevormd door een getrouwde vader en moeder nog altijd de beste omgeving is om kinderen op te laten groeien, en het vormt de beste basis voor de hele samenleving.  Voor vele moeders, vaders en kinderen, heeft het vaderloze gezin armoede, emotioneel hartzeer, slechte gezondheid, verloren kansen en gebrek aan stabiliteit betekent. De samenleving – eens beschouwd als flexibel genoeg om allerlei soorten levensstijlen te omvatten – is opgerekt en staat onder spanning. Alhoewel een goede maatschappij de rechten van de mens om te leven zoals hij dat zelf wil moet tolereren, moet de maatschappij ook volwassenen aan hun verantwoordelijkheid voor de gevolgen van hun acties houden. Om dit te doen moet de maatschappij niet terugschrikken om de resultaten van de deze acties te evalueren. Zoals J.S. Mill in 1859 beargumenteerde, een goede maatschappij leert van zijn ervaring en houdt idealen in stand die iedereen kan hopen te bereiken.  ‘Laatste citaat onmogelijk te vertalen.


Litteratuur:

1 Social Trends 32 (2002), Office for National Statistics, London: The Stationery Office, p. 40.

 

2 Social Trends 32 (2002), Office for National Statistics, p. 48.

 

3 Ermisch, J. and Francesconi, M. (2000), ‘The increasing complexity of family relationships: Lifetime experience of lone motherhood and stepfamilies in Great Britain’, European Journal of Population 16, pp. 235–249.

 

4 King D., Hayden J. and Jackson R. (2000), ‘Population of households in England to 2001’, Population Trends 99, pp.13–19; and Social Trends 32 (2002), Office for National Statistics, p. 40.

 

5 Social Trends 32 (2002), Office for National Statistics, Table 2.8, pp. 43; and Social Trends 31 (2001), Office for National Statistics, London: The Stationery Office, Table 2.8, p. 44.

 

6 Marriage, Divorce and Adoption Statistics: Review of the Registrar General on marriages, divorces and adoptions in England and Wales (2002), Series FM2 28, Office for National Statistics, London: The Stationery Office.

 

7 Social Trends 32 (2002),Office for National Statistics, p. 49.

 

8 Ermisch, J. and Francesconi, M. (2000), ‘Patterns of household and family formation’, in Berthoud, R. and Gershuny, J. (eds.), Seven Years in the Lives of British Families, Bristol: The Policy Press, p. 39.

 

9 Social Trends 32 (2002), Office for National Statistics, p. 47.

 

10 Population Trends 108 (2002), Office for National Statistics, London: The Stationery Office, Tables 9.1–9.2, pp. 85–86.

 

11 Social Trends 32 (2002), Office for National Statistics, p. 42.

 

12 Ermisch and Francesconi (2000), ‘Patterns of household and family formation’, pp. 38–40.

 

13 Kiernan, K. (1999), ‘Cohabitation in Western Europe’, Population Trends 96, Office for National Statistics, London: The Stationery Office.

 

14 Population Trends 108 (2002), Office for National Statistics, Tables 3.1–3.3, pp. 74–76.

 

15 Ermisch, J. (2001), ‘Premarital cohabitation, childbearing and the creation of one-parent families’, ESRC Research Centre on Micro-Social Change, Paper Number 95–17, 1995, from British Household Panel Study; and Marsh A., McKay S., Smith A., and Stephenson A. (2001), ‘Low income families in Britain: work, welfare and social security in 1999’, DSS Research Report 138, London: The Stationery Office.

 

16 Ermisch and Francesconi (2000), ‘Patterns of household and family formation’, pp. 38–40.

 

17 Haskey, J. (1994), ‘Stepfamilies and stepchildren in Great Britain’, Population Trends 76, Office for National Statistics, London: The Stationery Office.

 

18 Social Trends 32 (2002), Office for National Statistics, p. 42.

 

19 Social Trends 32 (2002), Office for National Statistics, p. 43. Figures are for 1998.

 

20 Ermisch and Francesconi (2000), ‘Patterns of household and family formation’, p. 30.

 

21 Hill, C. (2000), Sex Under Sixteen?, London: Family Education Trust.

 

22 UN Economic Commission for Europe, Fertility and Family Surveys carried out annually 1992–1999.

 

23 Households Below Average Income 1994/95-2000/01, Department for Work and Pensions, London: The Stationery Office (2002), pp. 81. These figures are for Before Housing Costs. After Housing Costs figures retain the same ratio, 72% versus 36%.

 

24 Households Below Average Income 1994/95-2000/01, Department for Work and Pensions, p. 141.

 

25 Social Trends 32 (2002), Office for National Statistics, from Family Resources Survey, Table 5.25, p. 103.

 

26 Work and Worklessness among Households, Office for National Statistics, London: The Stationery Office (Autumn 2001).

 

27 Family Resources Survey, Great Britain, 2000–01, Office for National Statistics, London: The Stationery Office (May 2002).

 

28 Hope, S., Power, C., Rodgers, B. (1999), ‘Does financial hardship account for elevated psychological distress in lone mothers?’, Social Science and Medicine 49 (12), pp.1637–1649. References 16

 

29 Cockett, M. and Tripp, J. (1994), The Exeter Family Study: Family Breakdown and Its Impact on Children, Exeter: University of Exeter Press, pp. 14–15.

 

30 Benzeval, M. (1998), ‘The self-reported health status of lone parents’, Social Science and Medicine 46 (10), pp. 1337–1353.

 

31 Mortality Statistics: General, Review of the Registrar General on Deaths in England and Wales, 1999, Series DH1 32, Office for National Statistics, London: The Stationery Office (2001).

 

32 Flood-Page, C., Campbell, S., Harrington, V., and Miller, J. (2000), Youth Crime: Findings from the 1998/99 Youth Lifestyles Survey, London: Home Office Research, Development and Statistics Directorate.

 

33 Cockett and Tripp (1994), The Exeter Family Study: Family Breakdown and Its Impact on Children, p. 28.

 

34 Burghes, L., Clarke, L., and Cronin, N. (1997), Fathers and Fatherhood in Britain, London: Family Policy Studies Centre, pp. 65–67.

 

35 Mortality Statistics: General, Review of the Registrar General on Deaths in England and Wales, 1999, Series DH1 32, Office for National Statistics (2001).

 

36 Power, C., Rodgers, B., and Hope, S. (1999), ‘Heavy alcohol consumption and marital status: disentangling the relationship in a national study of young adults’, Addiction 94 (10), pp. 1477–1487.

 

37 Umberson, D. (1987), ‘Family status and health behaviors: Social control as a dimension of social integration’, Journal of Health and Social Behavior 28, pp. 306–319.

 

38 Wellings, K., Field, J., Johnson, A. M., Wadsworth, J. (1994), Sexual Behaviour in Britain, London: Penguin, p. 363.

 

39 Households Below Average Income 1994/95-2000/01, Department for Work and Pensions (2002), p. 50.

 

40 Gaulthier, A. H. (1999), ‘Inequalities in children’s environment: The case of Britain’, Childhood 6 (2), pp. 243–260.

 

41 Cockett and Tripp (1994), The Exeter Family Study: Family Breakdown and Its Impact on Children, p. 31.