De duidende kracht van de Shoah

Peter Prinsen

Voorwoord
In zijn boek Grijs verleden (2001) rekent de historicus Chris van der Heijden af met de tweedeling in goed en fout in de Tweede Wereldoorlog. Dat iemand bij de "goeden" of "fouten" terecht kwam was niet altijd een kwestie van moraliteit. Niet zelden hing het van toevalsfactoren af. En verreweg het grootste deel van de Nederlanders verkeerde in het grijze gebied. De moralistische indeling in goed en fout belemmert onze blik op de periode van de Tweede Wereldoorlog. Aandacht voor de morele grijsheid brengt de oorlog dichterbij.

Vijftien jaar geleden trok de televisiedocumentaire Shoah van Claude Lanzmann grote aandacht. In die documentaire trachtte ook Lanzmann het antwoord op de vraag hoe het allemaal kon gebeuren dichter bij te brengen door de eigenaardigheden van de persoonlijke moraliteit bloot te leggen. Die documentaire vormde de inspiratie voor het onderstaande stuk, dat nog even actueel blijkt te zijn als toen.

Shoah
"Ik wil met de woorden van de nazi's in mijn film duidelijk maken dat de moord op de joden een bureaucratisch proces was, vergelijkbaar met de organisatie van bijvoorbeeld het openbaar vervoer in een moderne maatschappij". Aldus Claude Lanzmann, de regisseur van Shoah in een interview met Joyce Roodnat in NRC Handelsblad van 3 januari 1986. "Door dat systeem hoefde niemand zich verantwoordelijk te voelen voor wat er gebeurde. Maar juist dat systeem bewijst dat het afmaken van de joden niet het werk was van een handvol gekken zoals sommige Duitsers ons nu zo graag zouden laten geloven". Lanzmann heeft het over de grootste bestialiteit uit de geschiedenis van de mensheid, de joden aangedaan. Elk woord van commentaar zij met respect gezegd.

Bureaucratie
Lanzmann verwijst naar een maatschappelijk systeem. Om de intrinsieke verwerpelijkheid daarvan te analyseren dient men te abstraheren van de gruwelijkheid waarmee het systeem zich manifesteerde. Anders blijven we steken in onverwerkte verontwaardiging en moralisme waarin wij impliceren dat op onszelf, afgezien van wat dagelijkse zonden, gelukkig niets valt aan te merken. Pas als men, met respect, de mate van gruwelijkheid opvat als een uitwendige parameter, pas dan kan men het achterliggende probleem actualiseren. Juist door geen gebruik te maken van historische filmopnamen waarin de toeschouwer zich zou verliezen raakt Lanzmann de kern van de zaak.

In het citaat geeft Lanzmann op treffende wijze het wezenskenmerk van de bureaucratie weer. "In de bureaucratie is niemand verantwoordelijk" waarschuwen kritische rechtssociologen, doelend op de hedendaagse bureaucratie, niet ver-van-ons-bed maar in het rechtsstatelijke Nederland anno 1986. Het hele volgende betoog gaat niet over wat Stalin heeft gedaan of Idi Amin, Botha of Videla, maar over de actualiteitswaarde van de holocaust voor onze eigen Nederlandse bureaucratie.

Bureaucratie impliceert gewetenloosheid en gewetenloze daden. Zouden we een moment W.O. II met zijn weergaloze gruwelen wegdenken uit de menselijke geschiedenis, dan zouden we ons nog de vraag kunnen stellen: "Hoe gruwelijk moet het kwaad zich hebben voorgedaan voor de mensheid alert wordt?" Na W.0. II en in ons eigen land om ons heen kijkende moeten we constateren dat zelfs die troost aan de slachtoffers niet gegeven is: het enige wat sommigen er van hebben geleerd is dat het zo gruwelijk niet meer mag toegaan.

Uitgestoten uit de rechtsgemeenschap
De Neurenberger wetten van 1935 stelden een huwelijksverbod in tussen joden en "ariërs" en schiepen het onderscheid tussen 'Staatsangehörigen' (die alleen maar plichten hadden) en 'Reichsbürger'. Waarom waren die Neurenberger wetten abject? Niet omdat ze wel eens op 8 miljoen moorden konden uitlopen, maar om een intrinsieke reden, n.l. omdat een groep mensen uit de rechtsgemeenschap werd gestoten. Voor de uitgestotenen golden voortaan andere regels en zij vielen buiten de gangbare rechtsbescherming. Stap voor stap leidde dit tot de holocaust. Maar elke stap op zichzelf was abject, ook zonder de holocaust, omdat de toenmalige samenleving zich, o.a. door middel van de wet, vergreep aan de integriteit van joodse mensen: hun familierechtelijke integriteit, later hun economische integriteit en uiteindelijk zelfs ontkende die samenleving hun recht op leven.

De eliminatie van de Statsangehörige vader als Endlösung
Geen grondwet, geen mensenrechtenverdrag is in staat de garantie te verschaffen die zij beogen. Wij blijken blind voor gewetenloze daden indien die zich in een niet zo apert gruwelijk uiterlijk gehuld hebben. Die blindheid heeft twee namen: conformisme en autoriteit. 
Die blindheid doet zich voor zowel binnen als buiten de bureaucratische hiërarchie, ja zelfs het gros van de slachtoffers is er door getroffen.

Het enige wat sommigen geleerd hebben is het herkennen van nieuwe dreigingen, maar dan alleen indien de uitwendige parameters voldoende gelijkenis vertonen met de bekende: als het om erkende vormen van marteling en racisme gaat. De samenleving is wat betreft zijn alertheid slechts tot marginale extrapolaties in staat: jodenhaat is te extrapoleren tot rassenhaat, desnoods tot xenofobie; concentratiekamp, gaskamer is op te vatten als een gekwalificeerde vorm van marteling. Met onze verkokerde blik kunnen wij slechts eendimensionaal extrapoleren. Wij denken dat we klaar zijn als we antifascistische aktiegroepjes voor de T.V. halen en met onze aandacht belonen.

Openlijk geven we uiting aan onze verachting voor extreem-rechts en zelfgenoegzaam wassen wij vervolgens onze handen in onschuld. Wij komen eenvoudig niet op het idee om het kwaad zijn steeds wisselende masker af te rukken, om te ontdekken dat het systeem waar wij zelf deel van uitmaken vuile handen heeft.

Met welk recht zouden wij ons illusies maken? Het Christendom claimt om het lijden van Christus het octrooi op de humaniteit. Maar datzelfde Christendom heeft mede de kiem ("zijn bloed kome over ons en onze kinderen") gelegd voor de grootste bestialiteit van de menselijke beschaving (zie de Poolse kerkgangers in Lanzmanns film).

Is dit een veroordeling van het christendom? Nee, dit is een karakterisering van de mens als verkokerd, als eendimensionaal denkend wezen: Als Hitler Kaiphas had geheten en als de joden allemaal Jezus hadden geheten, ja, dan hadden we het wel geweten, dan zou het niet weer gebeurd zijn. Dan zou de ramp "beperkt" zijn gebleven tot de homosexuelen en de zigeuners.

De SS-ers waren gewone brave huisvaders die thuis met vrouw en kinderen net zo kerstmis vierden als U en ik. Dit nu roept een knagende vraag op: Als U en ik thuis met onze kinderen kerstmis vieren, waarin zijn wij dan SS-er? Of, als wij dan misschien geen bloed aan onze eigen handen hebben, van wat in onze samenleving zeggen wij: "Wir haben es nicht gewußt"? Deze vraag moeten wij onszelf stellen willen wij onszelf niet tot farizeeërs bestempelen. Welke zijn de ongerechtigheden waarmee onze bureaucratie zich inlaat maar waarvan wij zeggen dat wij het fijne er nicht van wiszen, of die door ons uit conformisme maar geaccepteerd worden als een noodzakelijk kwaad? Wij zijn soms wonderlijk conformistisch en gezagsgetrouw, vooral als het het leed betreft van mensen met een etiket dat tóch niet op onszelf past, ten opzichte van wie wij ons ongemerkt superieur voelen: werkelozen, allochtonen, homofielen, mensen die als verdachte zijn aangemerkt, onderbetaalde vrouwen, ouders van uit huis geplaatste kinderen, gescheiden vaders. Ook wij zeggen in wezen: "Befehl ist Befehl, het zal wel goed zitten, hoe zou het anders moeten". Ook wij zien, net als de Duitsers destijds, vaak genoeg iets onbegrijpelijks en onrustbarends, maar denken: "Het hoort zo, het kan niet anders" of "Het kan niet waar zijn dat onze overheid iets ongerechtigs doet". Wij zijn voor onze bescherming afhankelijk van de overheid en dat maakt ons maar al te gemakkelijk blindelings gezagsgetrouw en loyaal met de Staat. Het is voor ons dan ook ongelooflijk dat vadertje staat op bureaucratische wijze nodeloos menselijk leed organiseert terwille van wat als rust en orde van anderen of als noodzakelijk kwaad gepresenteerd wordt. De "Endlösung" werd ook gepresenteerd als de "oplossing" van een schijnbaar probleem.

Endlösung als probleemvervalsing
Door quasi-objectieve, suggestieve taal worden argeloze mensen op een dwaalspoor gebracht. Het door de term "Endlösung" gesuggereerde probleem bestaat niet echt; er is heel iets anders: vooroordeel, zelfgenoegzaamheid, haat, afgunst, zelfzucht, macht, aanzien, hoogmoedswaan, minachting. En, net zoals destijds, zijn ook in onze bureaucratie de Endlösers in hun eigen Endlösungen gaan geloven: Endlösung is niet alleen suggestie, het is ook autosuggestie ("Groupthink", een vorm van waandenken die zich van een groep meester maakt als zij gepreoccupeerd raakt met de superioriteit van het eigen standpunt). Wie denkt nog na bij een woord als "kinderbescherming"? De kinderbeschermers zelf allerminst. En wie beweert dat de vlag van de kinderbescherming de lading niet dekt wordt er, bij wijze van probleemvervalsing overigens, fijntjes op gewezen dat de ouders er nu eenmaal "zelf niet uitkwamen", dat er nu eenmaal in zo'n geval altijd één bevoordeelde en één benadeelde partij zal zijn.

Het vergt een psycho-analytisch inzicht in het maatschappijgebeuren om te kunnen herkennen op welke momenten onze overheid, onze samenleving, een structurele wolf in schaapskleren is. Hoe diep zal de schaamte zijn zodra wij inzien in welke wolf wij een leider gezien hebben, zodra wij inzien welk een leed wij hebben laten aanrichten zonder protest. Of gaan wij dan ook ontkennen of bagatelliseren, net als de voormalige SS-ers in Lanzmanns film?

Autoriteit = gewetensvol?
Uit 1981 dateert de film The Wave. Deze film is gebaseerd op de ervaringen in een high school‑class in Palo Alto, California in april 1967. Een groep leerlingen wordt in de geschiedenisles geconfronteerd met de periode van het nationaal‑socialisme. De leraar, waarschuwend voor het immer actuele gevaar van herhaling, stuit wat dit laatste betreft op ongeloof van de leerlingen. De charismatische leraar weet, bij wijze van proefondervindelijke waarschuwing, de leerlingen te manipuleren en de groep te kneden tot een fascistische jeugdbeweging, onderdanig aan een hypothetische sterke man. De uitwendige kenmerken waren vervangen: Het hakenkruis was vervangen door een golfsymbool (The Wave), de Hitlergroet door weer een ander gebaar. Pas toen de groepsleden hun hypothetische leider aanschouwden (een brallende Hitler, geprojecteerd op het filmdoek in de aula van de school) vielen hen de schellen van de ogen en zagen zij in in welk een pervers systeem zij hun beste bedoelingen hadden geïnvesteerd. Schaamte, diepe schaamte was hun deel.

De kennis van goed en kwaad blijkt een kwestie te zijn van in-group of out-group. Besef van goed en kwaad, geweten, zou men kunnen omschrijven als het vermogen om de out-group te herkennen en zich daarin te verplaatsen.

Hoe geplaveid zijn de sluipwegen die het geweten van de mens ontwijken? Een onthullend experiment is in het bekende Milgram-onderzoek over conformisme in 1974 beschreven. De grote meerderheid van zijn proefpersonen (uit alle lagen van de bevolking gerecruteerd) was bereid een steeds harder kermende collega-proefpersoon elektrische schokken toe te dienen tot een hoogte van 450 volt met de aanduiding: 'gevaar, sterke schok' als sanctie wanneer de collega-proefpersoon in een zogenaamd leer-door-sanctie-experiment een fout maakte. De enige pressie bestond slechts uit een onbewogen proefleider die op doorgaan aandrong. Pas na afloop van het experiment werd de proefpersoon verteld dat de schokken niet echt waren en dat de kermende collega-proefpersoon een acteur was. In tal van landen en in talloze versies is dit experiment herhaald, steeds met hetzelfde resultaat. De analogie zal niemand ontgaan: de gewetenloze autoriteit (de "proefleider") is in staat om het geweten van de argeloze, conformistische burger uit te schakelen en van hem een Eichmann te maken.

Laten we onszelf geen illusies maken. Ook wij gaan zover. Opmerkelijk is dat de ontmaskering, zowel in Milgrams experiment als in de Palo Alto schoolklas, gepaard gaat met een zeer heftige emotionele reactie van de ontmaskerde als hij geconfronteerd wordt met het onweerlegbare bewijs van waartoe hij zich heeft laten brengen.

Analogieën
Hoe kan men in niet-opgelegde, werkelijke situaties de gewetenloze daden van onze bureaucratie ontmaskeren? Men kan dan slechts zijn toevlucht nemen tot een wijzen op de analogie van onze daden met de meest ondubbelzinnige wandaden uit de geschiedenis: die van de nazi's. De reactie is in zulke gevallen even emotioneel als na de ontmaskering in de laboratoriumsituatie. Helaas alleen met dit verschil: terwijl in het laboratorium de feiten onweerlegbaar zijn wordt in de maatschappelijke situatie alle emotie gestoken in de ontkenning van de analogie. Het lijden van de joden is zelfs van die zin verstoken.

Kennelijk moet men zelf tot de out-group behoren om de gewetenloze daden van onze bureaucratie te ontmaskeren als suggestieve "Endlösungen" van onechte of vervalste problemen. Garantie is dit echter geenszins: ook het gros van de slachtoffers is blind.

Het blinde slachtoffer, lid van de out-group, biedt wellicht een aanknopingspunt om de ontmaskering acceptabel te maken:

Veel vaders worden na echtscheiding beroofd van het contact met hun kind, dat (in de praktijk meestal) aan de moeder is toegewezen. Vraagt die vader om rechtsbescherming, dan wordt hem in de rechtszaal, in het bijzijn van de moeder, door de rechter voorhouden: "Meneer, ik kan wel een omgangsregeling treffen, maar wat heeft u daaraan als die toch niet wordt nageleefd"? Eliminatie van de Statsangehörige vader (hij blijft wel onderhoudsplichtig) als "Endlösung". Heel hun smartelijke strijd om een omgangsregeling is een lijdensweg die bij voorbaat vergeefs is. Soms gebeurt het dat een kind zijn lot in eigen hand neemt, de benen neemt en zijn intrek wil nemen bij zijn vader. Het is ongelooflijk maar waar: er zijn vaders die op zo'n moment, met een verscheurd hart, tegen hun kind zeggen: "De rechter heeft het anders bepaald en die moeten we nu eenmaal gehoorzamen", opgevoed als ze zijn, niet met de Neurenberger wetten van 1935 (Personen- en familierechtwetten!) maar met onze Personen- en familierechtwetten van 1901, die niet gaan over joden maar over gescheiden mensen. Jood ben je door geboorte, kind van je ouders eveneens.

De analogie met Milgrams conformistische proefpersoon moge duidelijk zijn. Het heeft geen zin de analogie verder door te trekken en toe te passen op de in-group. Die analogie zou toch met veel emotie verworpen worden.

Peter Prinsen
31 januari 1986 / 21 april 2001

Peter Prinsen is als jurist gespecialiseerd in het familie- en omgangsrecht en voert daarin een advocatenpraktijk.

print document