|
Een
Kantiaanse benadering van het familierecht.
Mr
Ir P.J.A. Prinsen De
essentie
van dit artikel Inleiding Deze
problematiek lijkt maatschappelijk als onaanvaardbaar te worden gezien,
getuige de permanente stroom van overheidsinitiatieven gericht op
verbetering van deze situatie. Al geruime tijd wacht de evaluatie van een
experimenteel bemiddelingsproject op behandeling door de Tweede Kamer. Met
bemiddeling zou zo veel mogelijk voorkomen moeten worden dat kinderen
schade ondervinden van een scheiding van hun ouders[3]. Volgens het evaluatierapport zou gebleken zijn dat die
experimentele regelingen heel goed werken. In het algemeen is dat juist,
maar, op de keper beschouwd, blijkt bemiddeling, met name
omgangsbemiddeling nu juist geen effect te hebben in de gevallen waarvoor
het bedoeld is. Scheiding
blijkt oorzaak van strijd om de kinderen, een strijd waarin geen middel
wordt geschuwd en waarin zelfs het geestelijk welzijn van de kinderen
wordt ingezet. Veelal leidt de strijd tot wat de amerikaanse psychiater
Gardner[4]
definieerde als het Parental Alienation Syndrome: het verschijnsel
dat kinderen door de verzorgende ouder worden geprogrammeerd tot
verguizing van, ja zelfs haat tegen de andere ouder. De verzorgende ouder
lijkt gevangen in eigen rancunes en niet bij machte zich daarvan los te
maken. De rechter, gepreoccupeerd met het belang van het kind, voelt zich
vanaf het allereerste begin machteloos en gelast een "onderzoek"
door de Raad voor de Kinderbescherming, bedoeld om de helpende hand te
bieden en de omgang op gang te brengen. Een ouder die in rechte vraagt een
omgangsregeling vast te stellen en zich in zijn argeloosheid beroept op de
wet krijgt als boodschap: niet "uw" recht maar het belang van uw
kind staat hier centraal. Scheidende ouders wordt voorgehouden dat het
oplossen van hun conflict hun eigen verantwoordelijkheid is, en daarmee
worden ouders doorverwezen naar bemiddeling. Het recht als stelsel van
bindende regels, regels met rechtskracht, regels waar autonome burgers,
ouders, zich aan hebben te houden, lijkt plaats gemaakt te hebben voor
hulpverlening. Daarmee is een principiële grens overschreden: hoe we het
ook verpakken in termen met de suggestie van autonomie, het Recht is in
wezen geworden tot moralisme. Volgens een onafwendbaar mechanisme lijkt
daarmee het probleem dat men wil bestrijden gecultiveerd te worden. De
hoopvolle slogan "Omgang: van gunst naar recht"[5]
van de werkgroep Omgangsrecht uit 1978 is niet waargemaakt. In naam is
omgang een recht, de facto is het verschoven naar hulp. In het onderhavige
artikel wordt onderzocht of die verschuiving van recht naar hulp (bijv. in
de vorm van bemiddeling) nu wel het (enig) juiste antwoord op de problemen
is en wat de rol van het recht nog behoort te zijn. De
actualiteit Daarnaast
gaf de Staatssecretaris voor Justitie op aandrang van de Tweede Kamer, met
name Otto Vos (VVD)[8]
opdracht tot een rechtsvergelijkende studie naar diverse
handhavingsinstrumenten met betrekking tot het omgangsrecht in de ons
omringende landen. Het rapport[9]
van die studie verscheen in 1999. Daarin werden genoemd:
omgangsbegeleiding, al dan niet in een omgangshuis, omgangsbemiddeling en
tenslotte strafrechtelijke handhaving van het omgangsrecht. In
juli 2001 verscheen het evaluatierapport Bemiddeling in uitvoering
betreffende de door de Commissie de Ruiter voorgestelde
bemiddelingsexperimenten[10].
Ook in het Tijdschrift voor Familie & Jeugdrecht deden beide
onderzoeksters verslag[11]. Sinds
het rapport van de Commissie De Ruiter in 1996 domineert bemiddeling de
discussie rondom het probleem echtscheiding. Basis van de voorstellen is
ongetwijfeld het werk van Hoefnagels, dat is weergegeven in zijn in 2000
verschenen handboek[12] Commentaar
op het evaluatierapport Bemiddeling in uitvoering "Bij
omgangsbemiddeling is de zwakke partij degene bij wie het kind niet woont
en dat is in de meeste gevallen de man; maar ook deze positie bleek niet
samen te hangen met tevredenheid over de bemiddeling of het slagen
ervan", zo vermelden onderzoeksters in het FJR-artikel (p. 300,
rechter kolom). In hun rapport vermelden zij op pag. 184 echter: "Wat
betreft de groep mensen die de afspraken als in hun nadeel beoordelen,
betreft dit vooral de mannen. Zij zijn drie keer zo vaak van mening dat de
afspraken over het verblijf van de kinderen en de
opvoeding/verantwoordelijkheid in hun nadeel zijn, wat betreft het contact
met de kinderen is het tweemaal zo vaak". En daarbij moet nog bedacht
worden dat de betreffende vraag maar liefst door 45% van de respondenten
onbeantwoord is gelaten, hetgeen de onderzoeksters interpreteerden als een
aanwijzing dat die respondenten de afspraken niet als eerlijk ervaren
hebben. Hoe het zit met de groep die in het geheel niet heeft
gerespondeerd is al helemaal niets bekend. Zet
men de cijfers nuchter af tegen de huidige situatie, waarin de helft van
alle echtscheidingen leidt tot een ontwrichting van de relatie van een der
ouders en de kinderen, dan ligt de conclusie voor de hand dat de
experimenten duidelijk hebben gemaakt dat bemiddeling heel goed werkt,
maar, op de keper beschouwd, nu juist niet in de gevallen waarvoor het
bedoeld is. Men kan zich nog de vraag stellen of in de gevallen waarin de
bemiddeling wèl tot een convenant heeft geleid een hogere efficiency is
behaald dan in de traditionele procedure. Hierover geeft het rapport geen
inzicht. De
eufemistische wijze van rapporteren mag ons er niet van weerhouden verder
te zoeken naar andere mogelijkheden om ook in de thans als moeilijk te
kenschetsen gevallen oplossingen te bereiken, op basis van of ondersteund
door mediation. Daartoe is het nodig de oorzaak van die moeilijkheden te
analyseren. De
wet als gedragstechnologisch instrument De
"ontdekking" van de scheidingsmelding[13]
door Hoefnagels is een gedragstechnologische ontdekking waarin niet
moralisme[14]
[15]
maar de wetmatigheid van menselijk gedrag centraal staat. Hoefnagels heeft
het belang van de scheidingsmelding langs empirische weg ontdekt. Het
achterwege blijven van een gave scheidingsmelding en -aanvaarding blijkt
een belangrijke factor te zijn in het ontstaan van onoplosbare conflicten.
Deze wetmatigheid in de zin van psychologische drijfveer van menselijk
gedrag wordt door Hoefnagels met vrucht toegepast bij mediation.
Echtscheidingsbmiddeling biedt de mogelijkheid om echtscheiding weer op
humane leest te schoeien en de beeindiging van het huwelijk te laten
plaatsvinden zoals het begon: tussen partijen zelf en geformaliseerd door
de ambtenaar van de burgerlijke stand. De
verwaarloosde scheidingsmelding is echter bepaald niet de enige factor bij
het ontstaan van blokkades tussen scheidende of gescheiden ouders. Ligt de
scheidingsmelding geheel en al op het privé-terrein, het publieke domein
van wetgeving en rechtspleging inzake scheiding is bezaaid met valkuilen
en obstakels van dezelfde soort. Ook al tracht men door introductie van
het instrument bemiddeling het juridische proces als ultimum remedium
terug te dringen, die obstakels werpen hun schaduw vooruit naar de
bemiddeling en doen afbreuk aan de effectiviteit daarvan. Die
valkuilen zijn slechts te vermijden indien wetgever en rechtsplegers zich
ontworstelen aan de tirannie van het belang van het kind. Wellicht dat een
analyse vanuit de psychologische functieleer de daartoe benodigde moed kan
verschaffen. De
rechtspsychologie, als tak van toegepaste psychologie, "houdt zich
bezig met de studie van het recht als gedragstechnologie en de studie van
gedrag dat onder invloed van het recht staat of zou moeten staan"[16].
In de praktijk van het rechtspychologisch onderzoek geniet het
echtscheidingsrecht helaas weinig of geen belangstelling. Echtscheiding is
een voor de rechtspsychologie nog braakliggend terrein. Zo
zou onderkend moeten worden dat het systeem van echtscheiding ouders voor
het beruchte prisoners dilemma[17]
[18]
plaatst: samenwerking is het beste voor iedereen, maar daarvoor is
wederzijds vertrouwen nodig. In plaats van ouders te willen leren elkaars
vertrouwen te winnen, zouden wij ons moeten afvragen of het systeem van
echtscheiding niet zelf de oorzaak is van het onderlinge wantrouwen en of
die oorzaak van wantrouwen niet kan worden weggenomen. Het eerste lijkt
het wassen van de Moriaan, voor het tweede zouden wetgever en
rechtsplegers in het familierecht hun bakens moeten verzetten. Het gedrag
van mensen zou niet uitsluitend vanuit een moralistisch principe, maar ook
en vooral vanuit een cybernetisch (zelfregulerend) principe moeten worden
beïnvloed. Het
echtscheidingsrecht zou de klinische hulp moeten verlaten en zou als
systeem vanuit de theoretische psychologie bestudeerd moeten worden, zowel
op het niveau van wetgeving als op het niveau van rechtspraak. Niet de
rechtzoekenden, maar de wet en de rechtspleging moeten in analyse.
"De opgave ligt immers niet in de morele verbetering van de mensen,
maar in de vraag hoe men van het mechanisme van de natuur voor de mensen
gebruik kan maken om de tegenstellingen tussen de weinig vreedzame
neigingen in een volk zo te richten, dat zij elkaar noodzaken dwingende
wetten te aanvaarden en aldus de toestand van binnenlandse vrede, waarin
wetten van kracht zijn, wel naderbij móeten brengen"[19].
Voilà:
cybernetica avant la lettre. Een
voorbeeld: Oorzaak en gevolg van strijd tussen gescheiden ouders om de
kinderen vormen een onontwarbare kluwen. Aan ouders staat de wettelijke
mogelijkheid open de ander na scheiding in het belang van het kind uit het
gezag c.q. de dagelijkse zorg (hoofdverblijf!) te stoten of de omgang te
ontzeggen. Dit verleidt veel ouders tot ongegronde diskwalificatie van de
ander en tot ernstige beschuldigingen. Allerlei soorten hulpverlening
worden in het leven geroepen om ouders te bewegen elkaar als ouder te
respecteren. Dit is een moralistische benadering. Beter zou een wet
volgens een cybernetisch principe zijn: de wet zou aan die ouder die met
de andere ouder niet meer wil samenwerken als uitsluitende consequentie
moeten bieden zelf afstand te doen van het (dagelijks) gezag[20].
Een wet volgens het eerste principe (de andere ouder uit het gezag stoten)
dwingt tot machtsstrategie waarin strijd doelmatig is of lijkt voor de
ouders (en hun advocaat!)[21].
Zo'n wet is divergerent, centrifugaal. Een wet volgens het tweede principe
(bij strijd slechts de keuze laten afstand van het gezag te doen) is
zelfregulerend en maakt strijd ondoelmatig. Zo'n wet is convergerent,
centripetaal. Helaas,
het heersende familierechtelijk denken gaat gebukt onder de tirannie van
het belang van het kind en voelt zich gedwongen niet de vrede van het
uiteenvallend gezinssysteem, maar het belang van het kind in enge zin
centraal te stellen met als consequentie de hiervoor aangeduide
moralistische benadering met hulpverlening. Het familierecht, bedoeld om
het fenomeen echtscheiding zodanig te regelen dat daarbij mensenrechten en
fundamentele vrijheden kunnen gedijen, mist centrale beginselen die dit
kunnen waarmaken. Hobbes
en Kant volgens Kagan en Achterhuis Op
de opiniepagina van de NRC-Handelsblad van 6 juni 2002 trad Hans
Achterhuis in discussie met Robert Kagan, die eerder (28 mei) een
tegenstelling poneerde tussen de filosofen Hobbes en Kant. Kagan[22]
herleidde de in de coalitie tegen het terrorisme aan de dag tredende
tegenstelling tussen de Amerikaanse machtspolitiek tegenover de Europese
"post-historische" politiek van diplomatie tot de filosofen
Hobbes enerzijds en Kant anderzijds. Hans Achterhuis maakte bezwaar[23]
tegen deze valse tegenstelling van beide filosofen. Beide denkers, aldus
Achterhuis, hebben nu juist gemeen dat zij een relatie zien tussen de
bereidheid tot het uitoefenen van macht en het stichten van vrede door het
sluiten van verdragen. Hobbes,
zo herinnerde Achterhuis nog eens, acht het "wijs om uit te gaan van
een potentiële oorlog van allen tegen allen". Staten en personen
bekleed met soeverein gezag bevinden zich in een voortdurende toestand van
wantrouwen. Verdragen bieden mensen de enige mogelijkheid om aan de
potentiële oorlogstoestand met de erbij horende gewelddadigheid te
ontsnappen. Tegelijkertijd blijft Hobbes realist. Achter de verdragen,
afspraken en wetten moeten de macht van de soeverein en de `kracht van het
zwaard' aanwezig blijven anders gaat het om niet meer dan "woorden en
lucht". Ook
Kant, aldus nog steeds Achterhuis, vertrouwt niet op moraal en rede, maar
op het gegeven dat de ene kracht de verwoestende kracht van de ander kan
tegenhouden. Ook voor Kant is de natuurtoestand een staat van oorlog in
een volk van duivels. De vredestoestand moet derhalve gesticht[24]
worden, en wel door wetten die niet uitgaan van de goede neigingen van
mensen, maar die zodanig zijn ingericht dat de slechte neigingen van
burgers geen kans krijgen, met als resultaat dat hun publiek gedrag juist
zo is, alsof zij die slechte neigingen niet hadden[25]. Inderdaad,
het gaat bij Kant om een nuchtere analyse van de maakbaarheid van vrede.
Vrede door het sluiten van verdragen die - en daar zit hem de paradox -
zonodig gewapenderhand worden gehandhaafd. Even paradoxaal is het
inherente uitgangspunt: ga uit van duivels om het gedrag van engelen te
kunnen provoceren. Achterhuis
wijst op Nederlandse toestanden. Zo bijvoorbeeld de politieke sturing van
de gezondheidszorg, die eerder van een gemeenschap van engelen uitgaat dan
van Kants volk van duivels, waardoor efficiënt en productief werken wordt
afgestraft in plaats van beloond. Achterhuis verwijst verder naar de
'Hollanditis' van de jaren zeventig en tachtig (alle kernwapens de wereld
uit, te beginnen die van de eigen kant) en naar het drama van Sebrenica:
"Beloften die niet op een houding van macht en een mogelijke inzet
van geweld zijn gebaseerd, blijken dan inderdaad slechts woorden en
lucht", aldus Achterhuis (t.a.p.). Het tonen van wapens moet wel
menens zijn, wil het vrede stichten. Hobbes
en Kant hebben - zie Achterhuis' voorbeeld inzake de gezondheidszorg - ook
betekenis voor de bureaucratische aansturing van het gedrag van burgers in
een samenleving. Er is een wetmatigheid te bespeuren: het paradoxale
samengaan van eerlijke
verdragen en bereidheid tot handhaving met dwang (law enforcement) maakt
de vrede; het ontbreken van een van die componenten maakt dat burgers zich
als duivels ontpoppen.
Het
echtscheidingsrecht is een voorbeeld van die wetmatigheid. Van oudsher
werd na echtscheiding één ouder (meestal de moeder) belast met het
eenhoofdige gezag (vroeger: "voogdij") en werd aan de andere
ouder het gezag over de kinderen ontnomen. Als vader tegen de wil van
moeder zijn kind meeneemt, riskeert hij zowel strafrechtelijke vervolging[26]
als onmiddellijk civielrechtelijk optreden van de sterke arm van politie[27]:
onttrekking aan het gezag is voorzien van een dubbele sanctie van
rechtswege, direct (executie door terugbrenging van het kind) èn paraat
(executie zonder rechterlijke tussenkomst). Dat Kantiaanse zwaard van
Justitie doet bij de regeling van het gezag zijn werk: zelden ontvoert een
vader - toch een potentiële duivel - zijn kind. Nu
het omgekeerde. Sinds 1971[28]
is er een wettelijke basis[29]
voor een zogenaamde omgangsregeling[30].
Is onttrekking aan het gezag voorzien van sancties van rechtswege,
onttrekking aan de omgang is dat in het geheel niet. Als moeder het niet
wil krijgt vader zijn kind niet meer te zien, omgangsregeling of niet. Het
gevolg is er dan ook naar: moeders gedragen zich massaal als Kantiaanse
duivels. "Maar
het is toch niet in het belang van het kind indien we moeder
vervolgen?" is een veel gehoorde rechtvaardiging van dit onderscheid
in handhaving bij gezagsrecht tegenover omgangsrecht. O nee? Is vader
vervolgen dat dan wèl? "Strafrechtelijke vervolging van de onwillige
moeder verscherpt de relatie tussen de ouders". O ja? Doet vervolging
van vader dat dan niet? Of: "We kunnen toch niet op al die duizenden
overtredingen van de omgangsregeling wekelijks de politie afsturen"?
Nee, natuurlijk niet. Maar als we omgang net zo resoluut zouden regelen en
handhaven als gezag, zou het gauw over zijn met die massale overtredingen
en evenzo met de noodzaak tot vervolging. Ziehier de Kantiaanse paradox
van de preventieve werking die uitgaat van de ondubbelzinnige bereidheid
tot daadwerkelijke vervolging van de partij die zich onttrekt aan de
afspraken. Omgang
en ontzegging van de omgang: terugtred van de rechter De
Tweede Kamer heeft in 1957, bij de beraadslaging tot vaststelling van Boek
1 B.W., uitvoerig gediscussieerd over het 'droit de visite'. Deze
beraadslaging leidde tot enkele adviesaanvragen. De Sectie
Kinderrechtspraak van de Vereniging voor Rechtspraak was sceptisch en
achtte in zijn in 1958 uitgebracht advies een wettelijke regeling niet
wenselijk. In
1971 werd, conform het voorstel van de Commissie Wiarda van datzelfde
jaar, niettemin de wettelijke basis voor het omgangsrecht gelegd. De tekst
van het toen ingevoerde art. 161 lid 5 BW ("de rechter kan een
regeling treffen inzake de omgang") leek te impliceren dat de rechter
het verzoek ook kon afwijzen. De Commissie Wiarda lijkt echter een zo ver
gaande discretionaire bevoegdheid geenszins bedoeld te hebben:
"Indien niet in onderling overleg tot een regeling kan worden gekomen
kunnen de ouders zich tot de jeugdrechter wenden met het verzoek een
regeling te treffen. Bij zijn beslissing houdt de jeugdrechter rekening
met de belangen van het kind en die van zijn ouders". De Commissie
lijkt hier slechts het oog te hebben gehad op agendakwesties (werktijden
ouders, schooltijden kind e.d.). In de visie van de Commissie lijkt die
discretie toe te komen aan de ouders. In de rechtspraak hebben de rechters
die discretie naar zich toe getrokken. Scepsis ten aanzien van het
omgangsrecht is de rechtspraak tot nu toe blijven domineren.
Gelegenheidsverweer van de ouder-voogd, aanzwellend tot openlijke onwil,
hoe ongegrond ook, werd in de rechtspraak steevast gehonoreerd met een
onderzoek naar ontzeggingsgronden. Niet zelden duurt zo een proces om een
omgangsregeling 4 jaar, met deskundigenonderzoeken naar "draaglast en
draagkracht", uitmondend in totale afwijzing van het verzoek. In
plaats van de norm te concretiseren en expliciteren en het kind tegen de
onwil van de verzorgende ouder te beschermen legaliseert de rechter de
houding van de onwillige ouder, met een motivering berustend op het belang
van het kind. Omgang
werd een zaak voor de Kinderbescherming. Het ontbreken van
handhavingsinstrumenten en de daarop volgende terugtred van de rechter op
basis van intuïtief beleid lijkt een instabiel proces van uitholling van
het omgangsrecht. Nimmer is dit onderwerp van wetenschappelijk onderzoek
geweest. In
1979 deed de wetgever een eerste poging[31]
om de ontzegging van de omgang een wettelijke basis te geven, door het
omgangsrecht nog eens te herformuleren, maar tevens te voorzien van
ontzeggingsgronden met in wezen onbegrensde discretionaire bevoegdheid, in
hoofdzaak weer gebaseerd op het belang van het kind. Handhavingsbepalingen
voor het geval de rechter een regeling zou vaststellen ontbraken. Ook bij
deze gelegenheid sprak de Vereniging voor Rechtspraak in een advies nog
eens zijn scepsis uit over de opneming van de
omgangs-"bevoegdheid" in de voorgestelde wettelijke regeling,
welke "zal leiden tot polarisatie en procedures, welke slechts het
belang van het kind schaden zonder het belang van de 'andere ouder' te
dienen"[32].
De Afdeling vroeg zich openlijk af of kontakt met de 'andere ouder' wel in
het belang van het kind is. "Naar de mening van de afdeling zijn het
de psychiaters, psychologen en pedagogen, die op deze vraag een deskundig
antwoord moeten en kunnen geven". Om technische redenen werd het
ontwerp ingetrokken. In
1980 erkende de Hoge Raad[33] het recht op omgang als zijnde vervat in artikel 8
EVRM. In
1990 werd de ontzegging van de omgang wettelijk geregeld[34],[35]
door middel van een regeling nagenoeg identiek aan het ingetrokken ontwerp
uit 1979. De Memorie van Toelichting verwees expliciet naar de inmiddels
gepubliceerde beslissing[36] van het Comité van Ministers van 10 december 1982 in
de zaak Hendriks en naar de noodzaak de wet formeel in overeenstemming te
brengen met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het EVRM eist voor inbreuken op
family-life (omgangsontzegging is zo'n inbreuk) een wettelijke grondslag.
Steevast wordt onwil van de verzorgende ouder door interpretatie herleid
tot ontzeggingsgrond, waarna een jaren durend, even dubieus als kostbaar,
"onderzoek" en een of meer vervolgonderzoeken volgt, met
opschorting en uiteindelijk ontzegging van de omgang. Niet zelden lijkt
Kantiaanse wijsheid in de rechtszaal ver te zoeken als de rechter
uitroept: "Meneer, een omgangsregeling heeft alleen maar zin als
moeder meewerkt". Helaas, moeder ìs niet een onversneden engel, maar
een potentiële Kantiaanse duivel. Zij wordt gedreven door de onbewuste
angst zelf haar kind te verliezen aan die andere potentiële duivel, de
vader, en zij zet, de rechter gehoord, de hakken in het zand en gaat
verder op de weg van tegenwerking, de kinderen meeslepend in een spiraal
van verguizing van de andere ouder. De
Raden voor de Kinderbescherming plegen er op te wijzen[37]
dat het vinden van gezamenlijke oplossingen primair een
verantwoordelijkheid van de ouders zelf is, en dat alleen als ouders niet
in staat zijn het belang van hun kind centraal te stellen er voor de Raad
of voor het Recht in het algemeen een taak is weggelegd om de
verantwoordelijkheid over te nemen. Dit is een contradictio in terminis.
Blijkens Normen 2000 spreekt de Raad "de ouders uitdrukkelijk en
consequent aan op hun gezamenlijke primaire opvoedingsverantwoordelijkheid
en betracht terughoudendheid bij het overnemen van deze
verantwoordelijkheid". Met de term 'verantwoordelijkheid' suggereert
de Raad autonomie van de ouders, maar bedoelt het tegenovergestelde:
heteronomie. De Raad blijkt te bedoelen 'verantwoordelijkheid van de
ouders aan de Raad'. Eigen verantwoordelijkheid wordt pas echt
gerespecteerd in een rechtsstaat, een staat waarin rechtsbescherming wordt
geboden door een lijdelijke rechter zodat autonome rechtzoekenden ieder
hun grenzen kennen en elkaar kunnen vertrouwen. Maar rechtsbescherming wòrdt
niet geboden en met een sofistische redenering zoals hier gewraakt wordt
de eigen verantwoordelijkheid uitgehold. Het
ontgaat de vertolkers van die zienswijze blijkbaar dat ouders elkaar
moeten kunnen vertrouwen en dat wederzijds vertrouwen zich alleen maar kan
ontwikkelen op het fundament van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Maar
dat is nu juist wat in het familierecht aan ouders wordt onthouden,
doordat het recht is ingeruild voor moraal. Geheel ten onrechte wordt het
voorgesteld alsof het overlaten van een beslissing aan de rechter de
autonomie van partijen aantast. Dat is pas het geval als de rechter zijn
lijdelijkheid, onbevangenheid en zijn gebondenheid aan de wet prijs geeft.
Als alternatief de zaak verwijzen naar de Raad voor de Kinderbescherming
is de verkeerde reactie. Er ontbrandt dan een strijd omdàt de rechter aan
de argeloze rechtzoekende ouders een beslissing onthoudt en hen hun
geschil zelf laat uitvechten. Verwarrend
is die zienswijze, omdat het een communicatiestoornis oproept tussen
rechtzoekenden en rechtsplegers. Immers, ouders, bijgestaan door hun
advocaten, leggen hun geschil, veelal in overgearticuleerde vorm, ter
beslechting aan de rechter voor in de verwachting dat deze een beslissing
zal nemen. De rechter deinst echter terug voor een beslissing. In het
beste geval komt er een "proefregeling", die helaas door de
onwillige ouder wordt ervaren als voorlopige bevestiging van het gelijk en
als een gelegenheid om de boosaardigheid van de andere ouder of de
onwerkbaarheid van die regeling te demonstreren. Daarop escaleert tussen
de ouders een strijd aan het ontstaan waarvan die ouders geen schuld
hebben; zij worden door wet en rechter als gladiatoren de arena ingestuurd
voor een strijd met als inzet het behoud van het eigen kind. Sommige
ouders zijn inderdaad wijzer dan de wet. Zij laten zich niet tot de strijd
provoceren door het Recht. Zolang wij echter de om hun kind strijdende
ouders blijven moraliseren zullen wij als rechtsplegers blind blijven voor
het feit dat wet en rechtsplegers die strijd eigenlijk uitlokken. Ouders
die in een strijd om hun kind belanden geven blijk van een argeloze
reactie op het dilemma waar wet en rechter hen voor plaatsen. Zolang wij
ons blijven afwenden van de psychologische wetmatigheden van menselijk
gedrag in zulke situaties, zullen zelfs de krachtigste tools, zoals
mediation, niet boven het niveau van meer of minder geslaagde
symptoombestrijding uitkomen. Raden
voor de Kinderbescherming schakelen naarmate de strijd tussen de ouders
escaleert deskundigen in die het individuele kind onderzoeken en die
kijken naar zaken als "draagkracht en draaglast" van het kind
met betrekking tot een omgangsregeling. Bij al die onderzoeken staat het
individuele kind centraal en van daar uit wordt ook naar de ouders
gekeken. Het onderzoek wordt verricht door klinische onderzoekers. Dit is
in feite het paard achter de wagen spannen: de ouders zijn in een strijd
beland, maar het kind wordt onderzocht. Kinderbeschermingsmaatregel
i.p.v. ontzegging Het
effect van ontzegging van de omgang is even zwaar als het effect van
ontzetting uit het ouderlijk gezag. De gronden voor ontzegging van de
omgang zouden dan ook gelijk moeten zijn aan de gronden voor ontzetting
uit het ouderlijk gezag. Naar zijn aard zou ontzegging van de omgang
geregeld moeten zijn in het afdeling 5 van titel 14: ontheffing en
ontzegging. Daarmee zou de ontzegging van de omgang tevens ophouden een
wapen te zijn in handen van de ene ouder, een wapen dat nodeloos tot
strijd aanleiding geeft tegen de andere ouder. Met
het onderbrengen van de omgangsontzegging bij de kinderbescher-
mingsmaatregelen blijft voldaan aan het vereiste van art. 8 lid 2 EVRM dat
een wettelijke regeling eist van een noodzakelijk inbreuk op het
family-life. De
omgangsregeling zelf wordt dan ontdaan van zijn oneigenlijke
kinderbeschermingskarakter en kan dan weer het karakter krijgen zoals de
Commissie Wiarda voor ogen gestaan moet hebben: het trekken van de
agenda's. De rechter kan zich dan weer beperken tot zijn eigenlijke taak:
het concretiseren en expliciteren van de norm. De ouder, of diens
advocaat, die de andere ouder wenst te diskwalificeren krijgt in de
omgangsprocedure geen gelegenheid daarvoor. Hij of zij wordt verwezen naar
de maatregelrechter. Pas als zich werkelijk een van de in art. 269 BW-1
genoemde gronden voordoet kan ontzegging worden uitgesproken, maar dan
door de kinderrechter in een andere procedure die pas van start gaat na
een solide onderzoek waarin werkelijke, zwaarwegende ontzeggingsgronden
zijn vastgesteld, vergelijkbaar met de gronden voor ontzetting, en zonder
verplichte procesvertegenwoordiging van de ouders. Rechtspsychologie Ongetwijfeld
kunnen de gedragswetenschappen een zeer waardevolle bijdrage leveren aan
verlichting van de echtscheidingsproblematiek. Die bijdrage is echter nu
juist niet te verwachten van de klinische deskundigen (van klinische
psychologen tot orthopedagogen) maar moet eerst en vooral gezocht worden
bij de functieleerpsychologen. De clinici, ingeschakeld in de casuïstiek,
kunnen slechts de ouders de maat nemen en zijn bij escalatie gedoemd tot
cynische conclusies: het probleem zoals het er bij staat is onoplosbaar -
op zijn best zijn de symptomen te bestrijden waartoe draconische
maatregelen worden geadviseerd. De functieleerdeskundigen daarentegen
zouden betrokken moeten worden bij wetgeving en rechtspleging op
boven-casuïstisch niveau. Alleen de rechtspsychologie kan de oorzaken
blootleggen van het vreemde verschijnsel dat ouders, van nature de
voorvechters van het belang van hun kind, na scheiding in een
conflictspiraal belanden die het belang van hun kind ernstig schaadt. Een
treffend voorbeeld van het belang van de psychologische functieleer toont,
zoals reeds is opgemerkt, Hoefnagels[40],
de "ontdekker" van het belang van de scheidingsmelding en het
paraplugesprek. Deze ontdekking heeft een vèrstrekkende betekenis omdat
hij het conflict in een geheel nieuw licht plaatst: niet in een
moraliserend licht, maar in het licht van psychologische wetmatigheid.
Deze benaderingswijze is in een veel breder perspectief bruikbaar dan
alleen in de mediationsituatie. Behalve de "verwaarloosde
scheidingsmelding" en het "verwaarloosde paraplugesprek"
zijn er nog tal van andere factoren, zowel op het vlak van wetgeving als
van rechtspleging, die van cruciale betekenis zijn als uitlokker van
strijd. Tal
van heersende opvattingen en gewoontes zouden vanuit de functieleer
onderzocht moeten worden. Enkele zijn al genoemd (wel of geen absolute en
onmiddellijke bescherming van de ouder/kind relatie). Andere voorbeelden:
het centraal stellen van het belang van het kind, het gelasten van
forensisch onderzoek, de terugtred van de rechter, het treffen van een
"proefregeling", het niet onderkennen of zelfs bruskeren van
ouderlijke eigenwaarde, het niet handhaven van de machtsbalans (zorgouder
versus omgangsouder), het niet bindend achten van door ouders getroffen
overeenkomsten. Al deze gewoontes en uitgangspunten berusten natuurlijk op
de beste bedoelingen, meestal ontleend aan de "toverformule"
belang van het kind, maar geen van deze gewoontes en principes berusten op
rechtspsychologisch onderzoek. Traditioneel
komen we in familierechtelijke wetsontwerpen slechts goede bedoelingen
tegen in plaats van rechtspsychologisch onderzoek. Alleen met inschakeling
van de rechtspsychologie kan begrip ontstaan voor onderliggende
psychologische mechanismen die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van
conflicten. Eenhoofdig
gezag resp. Hoofdverblijf kinderen De
regeling van het gezamenlijk gezag is amper 5 jaar later door
jurisprudentie[41]
uitgehold, doordat een ouder bij wijze van nevenvoorziening bij
echtscheiding kan vragen om vaststelling van het "hoofdverblijf"
van de kinderen (met daaraan gekoppeld een alimentatieclaim), hetgeen zou
stroken met art. 1:253a BW (geschil ouderlijk gezag). Van Teefelen[42]
wijst ook op het lege huls-karakter van het gezamenlijk gezag. "In
de praktijk is de strijd over de vraag wie van de ouders de (meeste)
verantwoordelijkheid over de kinderen draagt verplaatst van het ouderlijk
gezag naar de verblijfplaats van het kind" erkent ook Wortmann[43]
(die zelfs meent, in afwijking van de in de rechtspraak heersende
opvatting, dat bij gezamenlijk gezag de rechter omgang met het kind kan
ontzeggen. Anders: Prinsen[44],
Nicolai[45]). Inderdaad, die beslissing omtrent het hoofdverblijf
komt erop neer dat de andere ouder - als vanouds - buiten spel wordt
gezet, niet formeel maar de facto, en wel enkel op verzoek van één van
de ouders zonder dat sprake hoeft te zijn van zwaarwegende gronden die een
dergelijke beslissing noodzakelijk maken. Materieel komt het in essentie
op hetzelfde neer als éénhoofdig gezag. Maar dat was nu juist een in
beginsel ongeoorloofde inbreuk op het in artikel 8 EVRM neergelegde
voorschrift van eerbiediging van het familie- en gezinsleven, dat slechts
een inbreuk toestaat mits bij wet voorzien, een legitiem doel dienend en
noodzakelijk in een democratische samenleving. Zowel bij de legaliteit, de
legitimiteit als bij de noodzaak van het verzoek tot vaststelling van het
hoofdverblijf kunnen vraagtekens geplaatst worden: dient het echt het
belang van het kind of hebben we te maken met een gewone machtsstrijd die
ontbrandt enkel omdat de rechter niet kiest voor een Kantiaanse
machtsbalans maar voor één kapitein op het schip. Het verraderlijke is,
dat die strijd, eenmaal ontbrand, lijkt te nopen tot een beslissing. Toch
valt er veel te zeggen voor de bedenkingen van Nicolai (t.a.p.): "Dat
geeft ouders opnieuw de mogelijkheid om in de rechtszaal over de hoofden
van de kinderen strijd met elkaar te voeren", waaraan toegevoegd kan
worden dat die strijd zelfs geen authentieke, maar een uitgelokte strijd
is. Daarmee
zijn we weer terug bij Kants natuurtoestand, het volk van duivels, die
elkaar betichten van alles wat lelijk is. In het beste geval hecht de
rechter geen geloof aan die duivelse praatjes, "maar ja", denkt
elke rechter, "het kind moet toch èrgens wonen?" en "moet
ik een omgangsregeling treffen en zodoende dat kind bloot stellen aan dat
gladiatorengevecht"? Alsof
dat nog niet genoeg is bepaalt de wet dat een ouder nog altijd kan
verzoeken om op de ouderwetse formule terug te vallen door de andere ouder
het gezag te ontnemen "in het belang van het kind", bijvoorbeeld
wegens onmin. Ook deze regeling lokt natuurlijk strijd uit. Dit zou anders
moeten. De wetgever zou moeten kiezen voor cybernetica à la Kant: wie
onmin stelt kan ontheffing (van zichzelf) vragen van het ouderlijk gezag
in plaats van ontzetting van de andere ouder. Wijzigingsvoorstellen Voor
het vaststellen van een omgangsregeling is eigenlijk geen andere
informatie nodig dan: werktijden van de ouders, schooltijden van het kind
en eventueel de dienstregeling van de NS.
De
scepsis ten aanzien van het omgangsrecht zou overwonnen moeten worden.
Rechtspsychologisch onderzoek zou daar een basis voor kunnen bieden.
Daarnaast is het dringend noodzakelijk dat er een geheel nieuw zicht wordt
ontwikkeld op het ouderlijk gezag en de juridische doorwerking daarvan,
volgens de hiervoor geschetste beginselen. Peter
Prinsen Peter
Prinsen is als jurist gespecialiseerd in het familie- en omgangsrecht en
voert daarin een advocatenpraktijk. [2]
Garsen, J., J. de Beer, P. Cuyvers, A. de Jong. Samenleven, Nieuwe
feiten over relaties en gezinnen. Centraal Bureau voor de Statistiek/
Nederlandse Gezinsraad, 2001, pag. 104. [3]
Kamerstukken II 1996-1997, 25 451, nr. 1, (Herziening scheidingsprocedure) pag. 6, laatste alinea. [4]
Gardner, R.A. The Parental Alienation Syndrome. A Guide for Mental
Health and Legal Professionals. Second Edition, Creskill, New Jersey,
U.S.A. 1998. [5]
Kamerstukken II 1984-1985 18964, nr. 3, Memorie van Toelichting blz.
16. (Nadere regeling van de omgang in verband met scheiding). [6]
'Anders scheiden', Commissie Herziening Scheidingsprocedure (Commissie
De Ruiter), 2 oktober 1996. [7]
Kamerstukken II 1996-1997, 25 451, nr. 1. Herziening
scheidigsprocedure. Brief van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 11
juli 1997. [8]
Kamerstukken II 1998/1999, 25 451 nr 3, Verslag van een algemeen
overleg op 1 oktober 1998, pag. 2 [9]
Chin-A-Fat, B.E.S. (1999). Effectuering
van omgang in rechtsvergelijkend perspectief. Vrije Universiteit,
Amsterdam. [10]
Chin-A-Fat, B.E.S. en M.J. Steketee (juli 2001). Bemiddeling in
uitvoering. Evaluatie experimenten scheidings- en omgangsbemiddeling.
Vrije Universiteit / Verwey-Jonker-instituut. [11]
Chin-A-Fat, B.E.S. en M.J. Steketee. 'Evaluatie experimenten
scheidings- en omgangsbemiddeling'. FJR, nr. 11, november 2001, p. 296
e.v. [12]
Hoefnagels, G.P., Handboek scheidingsbemiddeling. Mediation als
methode van recht en psychologie. Deventer. 2000. [14]
Het belang van het kind. De heersende opvatting over legitimatie van
overheidsoptreden is niet het toepassen van het recht, maar het
behartigen van de belangen van het kind zodra de ouders niet capabel
zijn om de belangen van hun kind centraal te stellen. [15]
Hoefnagels, t.a.p. pag. 198, stelling 37: "'Het belang van het
kind' is nauwelijks een geschikt criterium voor oplossing van het
conflict in kinderzaken, behalve om vast te stellen dat de juridische
partijenstrijd tegen dat belang is". [16]
Hessing D.J. en P.J. van Koppen. "Het Hart van de
Rechtspsychologie" in Het Hart van de Zaak. P.J. van koppen, D.J.
Hessing en H.F.M. Crombach, red. Deventer 1997 [17]
Watzlawick P., J.H. Beavin, D.D.Jackson. De pragmatische aspecten van
de menselijke communicatie. Houten/Zaventem 1974 [18]
Van Koppen P.J., D.J. Hessing en H.F.M. Crombag. Het Hart van de Zaak.
Psychologie van het Recht. Deventer 1997, p. 9 [19]
Immanuel Kant. Kleine werken. De eeuwige vrede, eerste bijlage. Vert.:
Bernard Delfgaauw. Kampen. 2000. p. 285. [20]
De huidige regeling past geheel niet in het systeem der wet:
onvrijwillige beperkingen van het ouderlijk gezag horen thuis in de
afdelingen waarin de kinderbeschermingsmaatregelen zijn geregeld. [21]
Prinsen P.J.A., Rechtszekerheid en Omgangsregeling, met reacties.
Tijdschrift voor Familie & Jeugdrecht. Dec. 1992. Pag. 242. [23]
Hans Achterhuis, Wereld moet rekening houden met irrationele duivels,
NRC-Handelsblad, 6 juni 2002. [24]
Immanuel Kant. Kleine werken. De eeuwige vrede, tweede afdeling
(aanvang). Vert.: Bernard Delfgaauw. Kampen. 2000. p. 269. [28]
- Wet van 6 mei 1971, S.290, houdende herziening van het
echtscheidingsrecht, zoals deze wet is gewijzigd bij Wet van 9 juni
1971, S.380, houdende wijziging van de Wet herziening
echtscheidingsrecht (in werking getreden op 1 oktober 1971). -
Wet van 6 mei 1971, S.291, tot wijziging van de wetgeving naar
aanleiding van de herziening van het echtscheidingsrecht. [29]
Er werd aan artikel 161 een lid 5 toegevoegd, luidende: "De
rechter kan op vordering onderscheidenlijk verzoek van beide ouders of
van een van hen een regeling treffen inzake de omgang tussen het kind
en de ouder die niet met het gezag over het kind is of zal worden
belast". [30]
Tot stand gekomen op aandrang van de Commissie Jeugdbeschermingsrecht.
Rapport van de Commissie voor de herziening van het
Kinderbeschermingsrecht, ("Commissie Wiarda"),
's‑Gravenhage 1971/ Staatsuitgeverij, p. 112 e.v. [34]
Wet van 13 september 1990, Stb. 482, houdende nadere regeling van de
omgang in verband met scheiding. [35]
Wet van 6 april 1995,
Stb. 240, tot nadere regeling van het gezag over en van de omgang met
minderjarige kinderen. Door deze wet kreeg de wettelijke regeling zijn
huidige vorm en plaats. [37]
NORMEN 2000. Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad
voor de Kinderbescherming. pag. 52. [39]
Quik-Schuijt, A.C. in een reactie op P.J.A. Prinsen, Rechtszekerheid
en Omgangsregeling, p. 248. Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht
december 1992. [40]
G.P. Hoefnagels. Handboek Scheidingsbemiddeling. Mediation als methode
van recht en psychologie. Deventer, 2000. [42]
Teeffelen, P.A.J.Th.van, Gezamenlijk gezag na scheiding: tijdbom, lege
huls of groeimodel? FJT 2000 nr. 2, p. 26 e.v. [43]
S.Wortmann. Perspectief, Informatie en Opinieblad voor de
Jeugdbescherming, nr 4, juni 2002, p. 26. Ministerie van Justitie. |