|
BURGERLIJK
WETBOEK, BOEK 1
Personen- en familierecht.
Relevante
wet-teksten
(Klik hier
voor het volledige wetboek personen- en familierecht)
Art.
244.
Bij de kantongerechten berusten openbare registers, waarin aantekening
gehouden wordt van de rechtsfeiten die op het over minderjarigen
uitgeoefende gezag betrekking hebben. …
Art. 251 - 1.
Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.
Art. 251 - 2.
Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood … blijven de
ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk
uitoefenen, tenzij de ouders of een van hen de rechtbank verzoeken in
het belang van het kind te bepalen dat het gezag over een kind of de
kinderen aan een van hen alleen toekomt.
3. …
4.
...
Art. 251a
De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of
ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van
artikel 251, tweede lid. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de
leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan
worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
Art.
252 - 1.
De ouders die niet met elkaar zijn gehuwd noch met elkaar gehuwd zijn
geweest en die nimmer het gezag over hun minderjarige kinderen
gezamenlijk hebben uitgeoefend, oefenen dit gezag gezamenlijk uit,
indien zulks op hun beider verzoek in het in artikel 244 van dit boek
bedoelde register is aangetekend.
Art. 252 - 2.
De aantekening wordt door de griffier geweigerd, indien op het tijdstip
van het verzoek:
a.
…
b.
…
c.
…
d.
…
e.
de ouder die het gezag heeft, dit gezamenlijk met een ander dan een
ouder uitoefent.
3. …
Art.
253b – 1.
Indien ten aanzien van een kind alleen het moederschap vaststaat of
indien de vader en moeder van een kind niet met elkaar gehuwd zijn dan
wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag niet gezamenlijk uitoefenen,
oefent de moeder van rechtswege (dat betekent: zonder dat iemand er iets
voor hoeft te doen, vanzelf) het gezag over het kind alleen uit,tenzij
zij bij haar bevalling onbevoegd tot het gezag was.
Art. 253b – 2.
Indien het kind wordt geboren binnen 306 dagen na de ontbinding van
het huwelijk anders dan door de dood, berust het gezag bij de in het
eerste lid bedoelde moeder, totdat de rechtbank overeenkomstig het
bepaalde in artikel 251, vijfde lid, van dit boek heeft bepaald wie met
het gezag over het kind wordt belast.
3. …
4. …
5. …
6. …
Art.
253f
Na de dood van een der ouders oefent de overlevende ouder van rechtswege
het gezag over de kinderen uit, indien en voor zover hij op het tijdstip
van overlijden het gezag uitoefent.
Art.
253g – 1.
Indien van de ouders degene overlijdt die het gezag over hun
minderjarige kinderen alleen uitoefent, bepaalt de rechter dat de
overlevende ouder of een derde met het gezag over deze kinderen wordt
belast.
Art. 253g – 2.
De rechter doet dit op verzoek van de raad voor de
kinderbescherming, de overlevende ouder of ambtshalve.
Art. 253g – 3.
Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt
slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.
Art. 253g – 4.
De bepaling van het voorgaande lid is mede van toepassing indien de
overleden ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel 292 van
dit boek.
5. …
Art. 253h - 1.
Indien na het overlijden van een der ouders een voogd is benoemd, kan de
rechter deze beslissing te allen tijde in dier voege wijzigen, dat de
overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd is, alsnog met het gezag
wordt belast.
Art.
253h - 2.
Hij gaat hiertoe slechts over op verzoek van de overlevende ouder, en
niet dan op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat
bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan.
Art.
253h - 3.
Wanneer de andere ouder een voogd had aangewezen overeenkomstig artikel
292 van dit boek en deze inmiddels is opgetreden, is dit artikel van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat, mits het verzoek van
de overlevende ouder binnen een jaar na het begin van de voogdij wordt
gedaan, dit verzoek slechts wordt afgewezen indien gegronde vrees
bestaat dat bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd.
4.
…
Art.
253t - 1.
Indien het gezag over een kind bij een ouder berust, kan de rechtbank op
gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan
de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat,
hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
Art. 253t - 2.
In het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat
tot een andere ouder (d.w.z. dat zijn beide ouders getrouwd geweest zijn
of dat zijn vader hem erkend heeft) wordt het verzoek slechts
toegewezen, indien:
Art. 253t - 2.a.
de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een
aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en
Art.
253t - 2.
b.
de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten
minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag
belast is geweest.
Art.
253t - 3.
Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen
van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
4.
…
Art.
253t - 5.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van een
verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de
geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een
zodanig verzoek wordt afgewezen, indien
Art. 253t - 5.a.
het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet
heeft ingestemd met het verzoek;
Art. 253t - 5.b.
het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of
Art. 253t - 5.c.
het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.
Art.
253w
De ander die met de ouder gezamenlijk het gezag uitoefent, is verplicht
tot het verstrekken van levensonderhoud jegens het kind dat onder zijn
gezagstaat. Nadat een rechterlijke beslissing tot beeindiging van het
gezamenlijk gezag in kracht van gewijsde is gegaan of na het overlijden
van de ouder met wie tot het tijdstip van overlijden het gezag
gezamenlijk werd uitgeoefend, blijft deze onderhoudsplicht gedurende de
termijn dat het gezamenlijk gezag heeft geduurd, bestaan, tenzij de
rechter in bijzondere omstandigheden op verzoek van de ouder of de ander
een langere termijn bepaalt. Zij eindigt uiterlijk op het tijdstip dat
het kind de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. …
Art.
253x - 1.
Na de dood van de ouder die tezamen met de ander het gezag uitoefende,
oefent die ander van rechtswege de voogdij over de kinderen uit.
Art.
253x - 2.
De rechtbank kan op verzoek van de overlevende ouder te allen tijde
bepalen dat deze, mits daartoe bevoegd, alsnog met gezag wordt belast.
3.
…
Art.
377a - 1.
Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang
met elkaar.
Art. 377a - 2.
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan
niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het
omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het
recht op omgang.
Art. 377a - 3.
De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a
…
b
…
Art.
377a - 3.c
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige
bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
Art. 377a - 3.d.
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Art. 377a - 4.
Tot kennisneming van de in dit artikel bedoelde verzoeken is de
rechtbank bevoegd. Indien evenwel een procedure inzake gezagstoewijzing
bij de kantonrechter aanhangig is, kan een verzoek tot vaststelling van
een omgangsregeling in verband daarmee aan de kantonrechter worden
gedaan.
Art.
377b - 1.
De ouder die met het gezag belast is, is gehouden de niet met het gezag
belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden
met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te
raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent
te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake
een regeling vaststellen.
Art. 377b - 2.
Indien het belang van het kind zulks vereist kan de rechter zowel op
verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat
het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.
3. …
Art. 377c - 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 377b van dit boek wordt de niet met
het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve
beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden
die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen,
daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op
gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind
is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of
het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie
verzet.
Art. 377c - 2.
Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek van de
in het eerste lid van dit artikel bedoelde ouder bepalen dat de
informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt. De
rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang van het
kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.
3. …
Art. 377f - 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 377a, kan de rechter op verzoek een
omgangsregeling vaststellen tussen het kind en degene die in een nauwe
persoonlijke betrekking staat tot het kind. De rechter kan het verzoek
afwijzen, indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet of
indien het kind, dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt.
2.
…
Art. 377g
De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaal jaar of
ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van
de artikelen 377a, 377b of 377f, dan wel zodanige beslissing op de voet
van artikel 377c van dit boek wijzigen. Hetzelfde geldt indien de
minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar
in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn
belangen ter zake.
Art.
377h - 1.
Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening kan de rechter op verzoek van
de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de omgang
tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats
niet heeft, of inzake het verschaffen van informatie aan dan wel het
raadplegen van die ouder als bedoeld in 377b, eerste lid, dan wel inzake
het verschaffen van informatie als bedoeld in artikel 377c, eerste en
tweede lid, van dit boek.
2.
…
In
de betere boekhandel vind je een goedkope uitgave van Nederlandse wetboeken. Voor ongeveer
12 Euro heb
je het Burgerlijk Wetboek deel 1 t/m 8.
|