2. Algemeen

2.1 Grondslag en legitimatie

a. De Raad voor de Kinderbescherming heeft als overheidsorganisatie de functie daadwerkelijk op te komen voor kinderen van wie het recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid ernstig wordt bedreigd (de waarborgfunctie). De uit deze publieke waarborgfunctie van de Raad voortvloeiende taken en bevoegdheden zijn in diverse wet- en regelgeving neergelegd. De Raad kan deze taken en bevoegdheden ter bescherming van de rechten en belangen van het kind ook ongevraagd uitoefenen.

b. Kinderen hebben het recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid. Ouders dragen de eerste verantwoordelijkheid dit recht van het kind te realiseren met inachtneming van diens leeftijd en ontwikkelingsniveau en met gebruikmaking van voorzieningen zoals onderwijs, hulpverlening en gezondheidszorg.

c. De overheid dient de eigen verantwoordelijkheid van de ouders voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van het kind te respecteren. Wanneer de ouders deze verantwoordelijkheid echter niet (meer) naar behoren vervullen, vrijwillige hulpverlening niet meer tot de mogelijkheden behoort en daardoor schade wordt of dreigt te worden berokkend aan het kind, moet de overheid maatregelen nemen om de bescherming van het kind mogelijk te maken, zonodig door het vragen van een rechterlijke beslissing.

Aan deze overheidsverantwoordelijkheid ontleent de Raad zijn legitimatie.

2.2 Kwaliteitseisen

a. De Raad voor de Kinderbescherming draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering van zijn wettelijk omschreven taken.

b. De inrichting van de organisatie is zodanig dat de organisatie deze taken doeltreffend, doelmatig, controleerbaar en cliëntgericht uitvoert. Dit houdt onder meer in:

    • dat door de Raad multidisciplinair wordt gewerkt en dat een besluit door tenminste twee medewerkers wordt genomen, onder verantwoordelijkheid van de praktijkleider;

    • dat de Raad werkt met onderzoekstermijnen die kenbaar zijn voor de cliënt. Van deze termijnen dient slechts in zeer uitzonderlijke situaties te worden afgeweken. De cliënt wordt van de verlenging van een termijn en van de redenen daarvoor tijdig op de hoogte gesteld; In afwachting van de vaststelling van vaste doorlooptijden (d.w.z. vanaf de binnenkomst van een zaak bij de Raad tot en met de administratieve afhandeling van een zaak na afronding van een onderzoek) per uiterlijk 1 januari 2002, hanteert de Raad termijnen vanaf het moment dat de zaak in onderzoek wordt gegeven tot en met de afsluiting van het onderzoek (incl. rapportage) en zijn het gemiddelde termijnen.

    • dat voor situaties waarin het recht van een kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid ernstig wordt bedreigd en direct ingrijpen noodzakelijk is, de Raad 7 x 24 uur bereikbaar en zonodig, ter beoordeling van de Raad, ook beschikbaar is. Onder verantwoordelijkheid van de Raad kunnen daartoe ook andere instanties ingeschakeld worden;

    • dat de Raad zorgvuldig omgaat met het verstrekken van gegevens. Dit geldt in het bijzonder voor het direct of indirect (bijv. via rapportage) doorgeven van adressen, waarvoor in beginsel toestemming van betrokkenen nodig is (zie art. 2:5 Awb, hfst 5);

    • dat een cliënt zich kan laten bijstaan door iemand in wie hij vertrouwen heeft. Als met meerdere personen tegelijkertijd wordt gesproken kan een vertrouwenspersoon slechts worden toegelaten als allen hiermee instemmen. De Raad kan de vertrouwenspersoon onder bijzondere omstandigheden, gemotiveerd, weigeren indien deze persoon het onderzoek verstoort;

    • dat indien in het kader van het onderzoek wordt gesproken met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, gebruik wordt gemaakt van een erkende tolk.

c. Uitgangspunt voor de uitvoering van taken is, dat deze gericht is op het verklaren en inzichtelijk maken van aangetroffen problematiek op grond waarvan besluitvorming en voorlichting kan plaatsvinden. De besluitvorming kan bestaan uit het al dan niet indienen van een verzoek aan de rechter of advisering. Steeds wordt in de rapportage aangegeven op welke wijze is omgegaan met de informatie, die door de verschillende betrokkenen of informanten is gegeven. Indien zeer uiteenlopende visies of lezingen van een gebeurtenis naar voren worden gebracht welke relevant zijn voor de besluitvorming, worden deze in de rapportage vermeld en wordt in de conclusie van het rapport verantwoord op welke wijze de Raad hiermee is omgegaan. Voorts moet in de rapportage duidelijk worden onderscheiden waar de Raad visies of lezingen van een gebeurtenis citeert en waar feiten worden vermeld die als voldoende vaststaand kunnen worden beschouwd.

d. Ten behoeve van een verantwoorde uitvoering van zijn taken ontwikkelt en onderhoudt de Raad een kwaliteitssysteem. Onder een kwaliteitssysteem wordt verstaan een stelsel van vastgestelde eisen, regels en procedures dat tot doel heeft te verzekeren dat de uitvoering van de wettelijk omschreven taken aan de gestelde eisen voldoet en blijft voldoen.

e. Het kwaliteitssysteem moet toegankelijk, aanvaardbaar en hanteerbaar zijn. Het moet duidelijkheid bieden aan medewerkers en cliënten omtrent de verdeling van taken en verantwoordelijkheden en die informatie verschaffen waaraan behoefte bestaat.

f. Via het kwaliteitssysteem draagt de Raad zorg voor een systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de uit te oefenen taken. De Raad verantwoordt zich over het gevoerde kwaliteitsbeleid. Hiertoe brengt de Raad jaarlijks een openbaar (kwaliteits-)verslag uit waarin verantwoording wordt afgelegd over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het kwaliteitsbeleid.