Hoofdstuk 8: Beleidsaanwijzingen civiele zaken

8.1 Beschermingszaken

8.1.a. Positie van de Raad binnen de Jeugdzorg

In het geheel van de jeugdzorg neemt de Raad een bijzondere positie in. De Raad onderzoekt, op basis van zijn wettelijke opdracht, voor kinderen bedreigende verzorgings- en opvoedingssituaties teneinde tot passende oplossingen daarvoor te komen, maar maakt geen deel uit van het Bureau Jeugdzorg (BJZ), dat de toegang vormt voor geïndiceerde jeugdzorg.

De Raad is gelegitimeerd om onderzoek te doen naar een verzorgings- of opvoedingssituatie wanneer er sprake is van een (vermoedelijke) schending van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid. De Raad kan dat ook doen als betrokkenen daarom niet zelf hebben gevraagd of dat zelf niet wensen.

De Raad doet dit op verzoek van een Bureau Jeugdzorg of van een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en bij uitzondering – met name in geval van acute en ernstige crisissituaties (zie 8.1.b.) – op verzoek van een belanghebbende of naar aanleiding van een melding van derden. De Raad kan eveneens een onderzoek doen indien deze (vermoedelijke) schending door de Raad zelf uit andere hoofde is geconstateerd. Wanneer een vermoeden niet door feiten of omstandigheden kan worden bevestigd, dient van verder inmenging te worden afgezien.

Omdat de ontwikkelingen in de jeugdzorg nog in volle gang zijn en er nog verschillen zijn in de mate waarin die ontwikkelingen in de praktijk van alle dag bij AMK, BJZ en Raad worden of zijn vertaald, kunnen zich nog enige tijd afwijkende modellen in de uitvoeringspraktijk voordoen. Dat geldt met name voor de overdracht van de intake in beschermingszaken (opvoedingsproblemen) van de Raad aan AMK en BJZ. Het kan dus nog enige tijd voorkomen dat de intake door een vestiging van de Raad gebeurt en dat meldingen nog rechtstreeks aan de Raad worden gedaan.

Uitgangspunten voor het handelen van de Raad:

  1. Het belang van de minderjarige vormt steeds de eerste overweging.

  2. Het handelen van de Raad moet primair gericht zijn op het vinden van oplossingen voor gerezen opvoedingsproblemen.

  3. Waar mogelijk en voor zover het belang van de minderjarige zich daar niet tegen verzet, wordt gezocht naar oplossingen die de ouders (weer) in staat stellen hun primaire verantwoordelijkheid voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige zelfstandig te dragen.

  4. Voorzieningen voor jeugdzorg worden daarbij optimaal benut.

  5. Waneer de noodzakelijke hulpverlening niet op vrijwillige basis tot stand kan worden gebracht, zal de Raad een kinderbeschermingsmaatregel vragen.

8.1.b Intake

Uitgangspunt is dat de intake in beschermingszaken (opvoedingsproblemen) wordt gedaan door Bureaus Jeugdzorg (BJZ) c.q. door de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (AMK). Dit betekent dat de meldingen als regel ook bij deze instellingen gedaan moeten worden. De Raad zal nog slechts in zeer acute, bedreigende situaties rechtstreeks een melding in ontvangst nemen en de intake doen.

Indien BJZ of AMK vervolgens na intake de Raad om een onderzoek vraagt, zal de Raad dat verzoek op basis van geprotocolleerde afspraken marginaal toetsen. De Raad beoordeelt daarbij of de beschikbare informatie voldoende (helder) is om een gewenste of noodzakelijke reactie van de Raad te kunnen vaststellen. Vervolgens beoordeelt de Raad op basis van de beschikbare informatie of het instellen van een raadsonderzoek een adequate reactie is.

In een aantal situaties zal de melding van een zaak rechtstreeks bij de Raad gebeuren en zal de Raad zelf de intake verrichten. Het gaat daarbij om de volgende situaties:

1. Beoordelen en toetsen van rechtstreekse crisismeldingen bij de Raad.

Het betreft hier meldingen van opvoedingsproblemen waarbij sprake dient te zijn van een acute en ernstige bedreiging van het kind én waarbij aan het kind onmiddellijk hulp (of zorg) moet worden geboden én waarbij de ouders (of wettelijke vertegenwoordigers) de hulp (of zorg) niet geven.

De Raad beoordeelt of de beschikbare informatie voldoende (helder) is om een gewenste of noodzakelijke reactie van de Raad te kunnen vaststellen. Vervolgens beoordeelt de Raad op basis van de beschikbare informatie of het instellen van een raadsonderzoek een adequate reactie is.

2. Toetsende taak ten aanzien van besluitvorming van een gezinsvoogdij-instelling (GVI) tijdens de ondertoezichtstelling (OTS). Voor de omschrijving van deze taak wordt verwezen naar hoofdstuk 8.1.1.4..

3. Toetsen / beoordelen van ‘ambtshalve meldingen’. Ambtshalve meldingen van opvoedingsproblemen zijn meldingen die voortkomen uit een onderzoek in een andere categorie.

4. Rest-intake in de categorie beschermingszaken

Er is een aantal beschermingszaken dat rechtstreeks naar de Raad gestuurd wordt, omdat BJZ of AMK daarin geen functie heeft. Het gaat dan bijvoorbeeld om een verzoek van de kantonrechter om een onderzoek (zie hoofdstuk 8.1.4.) of een verzoek van een gezinsvoogdij-instelling om een onderzoek naar een verderstrekkende maatregel (zie hoofdstuk 8.1.1.6.).

De Raad beoordeelt of de beschikbare informatie voldoende (helder) is om een gewenste of noodzakelijke reactie van de Raad te kunnen vaststellen. Vervolgens beoordeelt de Raad op basis van de beschikbare informatie of het instellen van een raadsonderzoek een adequate reactie is.

5. (Overige) Consult en informatiefunctie.

De Raad kan te allen tijde gebeld worden met vragen. Indien het vragen betreft ten aanzien van opvoedingsproblematiek zal de Raad verwijzen naar BJZ of het AMK.

Een aanzienlijk deel van de consult- en informatievragen betreft vragen op het gebied van Scheiding & Omgang. In de komende tijd zal duidelijk worden of deze informatievragen te zijner tijd eveneens door BJZ of een andere instelling beantwoord kunnen gaan worden. Vooralsnog worden cliënten hierover te woord gestaan door de Raad.

Kwaliteitseisen ten aanzien van de intakewerkzaamheden:

  • Uitvoering geschiedt door een raadsonderzoeker met specifieke kennis en vaardigheden (o.a. juridische kennis, kennis van de sociale kaart, inzicht in de samenwerkingsrelaties en netwerken in de regio, vaardigheden met betrekking tot de consultfunctie);

  • Besluitvorming vindt meerhoofdig plaats onder eindverantwoordelijkheid van een praktijkleider (minimaal één raadsonderzoeker en één praktijkleider);

  • Indien nodig of gewenst wordt de gedragsdeskundige of juridische discipline betrokken in de besluitvorming;

  • Een voorlopige/ eerste reactie wordt, in ieder geval aan de melder, gegeven binnen 48 uur;

  • Het inwinnen van informatie vindt in de regel plaats met medeweten en toestemming van de direct betrokkenen (zie ook onder Onderzoek, hoofdstuk 8.1.c.3.);

  • Ten aanzien van rechtstreekse meldingen wordt direct een intakebesluit genomen en deze worden direct naar een onderzoeksteam doorgeleid;

  • De intakewerkzaamheden worden verricht op een duidelijk herkenbare en gemakkelijk bereikbare plek in de organisatie zowel voor medewerkers als externe relaties;

  • De lokale werkwijze ten aanzien van de intakewerkzaamheden is duidelijk omschreven en is gecommuniceerd naar de medewerkers en de instellingen en instanties waarmee de Raad samenwerkt.

Anonieme meldingen van crisissituaties

Meldingen waarbij de melder anoniem wenst te blijven, worden in behandeling genomen indien het evident is dat er sprake is van een (mogelijk) ernstige bedreiging van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid.

Dit geldt zowel wanneer de melder anoniem wenst te blijven ten opzichte van de Raad als wanneer de melder anoniem wenst te blijven ten opzichte van degene over wie wordt gemeld.

In het laatste geval gaat de raadsonderzoeker na welke de relatie is van de melder ten opzichte van het gemelde gezin:

  1. Gaat het om een professionele melder zoals een professionele (jeugd)hulpverlener die anoniem wenst te blijven ten opzichte van degene over wie wordt gemeld dan wijst de raadsonderzoeker deze op diens verantwoordelijkheid om als bekende melder op te treden. Handhaaft de professionele melder zijn wens tot anonimiteit dan wordt deze wens slechts geaccepteerd indien er ernstige risico’s voor de professionele melder zouden ontstaan.

  2. Gaat het om een beroepsbeoefenaar zoals een huisarts, leerkracht of wijkverpleegkundige die anoniem wil blijven ten opzichte van degene over wie wordt gemeld dan wordt deze melding in behandeling genomen nadat is bevorderd dat niet-anoniem wordt gemeld.

  3. Betreft het een particuliere melder die anoniem wenst te blijven dan poogt de raadsonderzoeker zoveel mogelijk relevante informatie te verkrijgen over de situatie waarin de minderjarige zich bevindt. De informatie moet de raadsonderzoeker in staat stellen een afgewogen oordeel te geven over de ernst van de situatie en een gefundeerde rechtvaardiging bieden om de melding in behandeling te nemen.

8.1.c. Onderzoek

Bevoegdheid 8.1.3.2 Bevoegdheid

Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de minderjarige feitelijk verblijft.

Verantwoordelijkheid 8.1. 3.3 Verantwoordelijkheid

De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale onderzoek, waaronder het inschakelen van interne of externe gedragsdeskundigen en/of het inschakelen van interne juristen, en voor de besluitvorming op grond van alle terzake uitgebrachte rapportage.

De raadsonderzoeker is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek. De praktijkleider kan besluiten het onderzoek door twee raadsonderzoekers te laten verrichten. Indien een gedragsdeskundige een (deel-)onderzoek instelt is deze zowel voor de inhoud als voor de uitvoering daarvan verantwoordelijk.

8.1.3.4 Procedure

Het onderzoek vangt aan op basis van van tevoren door de raadsonderzoeker geformuleerde vragen waarbij het belang van de minderjarige centraal staat. Bij de vaststelling van de onderzoeksvragen dient de gedragsdeskundige te worden betrokken. De onderzoeksvragen vormen de basis en leidraad voor het opzetten van een onderzoeksplan en geven sturing aan het onderzoek.

- De raadsonderzoeker stelt vanaf het eerste onderzoekscontact pogingen in het werk om een (minimale) samenwerkingsrelatie met het cliëntsysteem te verkrijgen. Hij geeft de belanghebbenden uitleg omtrent de aanleiding, het doel en de opzet van het onderzoek wn verstrekt, niet later dan tijdens het eerste contact, foldermateriaal over de werkwijze van de Raad, voorzover dit niet reeds in een eerdere fase heeft plaatsgevonden.

- In het onderzoek moeten behalve de feiten en de omstandigheden die aanleiding zijn voor het onderzoek, ook de ontstaansgeschiedenis van eventuele problemen, het gezinspatroon, de persoon van de ouder(s) en/of verzorgers en de minderjarige, de opvoedingsmogelijkheden van de ouder(s) en/of verzorgers, in zich voordoende gevallen de mogelijkheden ten aanzien van hulpverlening, de evt. hulpverleningsgeschiedenis en de toekomstverwachtingen in ogenschouw worden genomen.

- In het onderzoek wordt met de betrokken ouders en eventuele verzorgers en de minderjarige van 12 jaar en ouder gesproken. Minderjarigen jonger dan 12 jaar worden in het onderzoek betrokken met inachtneming van hun leeftijd en ontwikkelingsniveau. Wanneer er niet met de genoemde gezagsdragers en /of verzorgers c.q. minderjarigen is gesproken dient dit in het rapport te worden gemotiveerd.

- Indien de Raad het van belang acht voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen kan informatie van derden in het onderzoek worden betrokken. Dit geschiedt altijd met medeweten van de belanghebbenden en in de regel met hun toestemming (al dan niet schriftelijk). Wanneer belanghebbenden toestemming weigeren, terwijl het raadplegen van een of meer informanten in het belang van het onderzoek noodzakelijk is, kan aan deze weigering voorbij worden gegaan. Tot het raadplegen van informanten met medeweten doch zonder toestemming van belanghebbenden kan worden overgegaan nadat hiertoe, in samenspraak met de praktijkleider, een gemotiveerd besluit is genomen en dit aan cliënten is meegedeeld. In alle gevallen waarin het voorstel tot het betrekken van derden, als informant, dan wel het voorstel gebruik te maken van ander materiaal in het onderzoek, afkomstig is van (leden van) het cliëntsysteem of een derde zelf, wordt een gemotiveerd besluit genomen. Aan cliënten (en eventuele derden) wordt het besluit tot het al dan niet honoreren van dit voorstel meegedeeld. Aan informanten wordt de folder voor informanten uitgereikt. De door informanten gegeven informatie moet schriftelijk gefiatteerd zijn.

  • Multidisciplinair overleg en onderzoek

Indien daartoe aanleiding bestaat kan de praktijkleider bepalen dat interne of externe gedragsdeskundigen en /of juristen bij het onderzoek worden betrokken.

Inschakeling van een gedragsdeskundige is op twee momenten verplicht:

1. bij de formulering van de onderzoeksvragen en
2. bij de besluitvorming.

Daarnaast kan een gedragsdeskundige worden ingeschakeld op initiatief van de raadsonderzoeker of de praktijkleider.

Indien inschakeling van een externe gedragsdeskundige gewenst is, wordt hiertoe door de praktijkleider overgegaan met inachtneming van de daarvoor bij circulaire van 18 maart 1996/kenm.546621/PJR door de Staatssecretaris van Justitie vastgestelde richtlijnen. (Zie Bijlage 10.2.)

Wanneer hulpverlening is aangewezen en dit op vrijwillige basis niet meer tot de mogelijkheden behoort, waardoor de minderjarige in zijn ontwikkeling ernstig bedreigd wordt, wordt een kinderbeschermingsmaatregel gevraagd. De te vragen maatregel en de consequenties ervan moeten met betrokkenen worden besproken.

  • Termijn

Het onderzoek wordt afgesloten binnen een termijn van 13 weken, vanaf het moment van het besluit tot onderzoek.

Van deze termijn kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer het belang van het onderzoek dit vereist, dan wel de omstandigheden daartoe dwingen. Van deze besluitvorming dienen de belanghebbenden schriftelijk in kennis te worden gesteld.

- Afsluiting onderzoek

Een onderzoek wordt afgesloten met een raadsrapport. Voor de rapportage wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

Het rapport wordt in concept aan de belanghebbenden aangeboden. Deze krijgen in beginsel een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het conceptrapport te reageren. Voor zover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd, is deze zelf verantwoordelijk voor de bespreking daarvan. Informanten krijgen de door hen gegeven informatie in concept toegezonden.

- Indien de belanghebbenden ermee akkoord gaan kan het rapport al vóór dat op het verzoek tot een maatregel van kinderbescherming is beslist, naar de (gezins)voogdij-instelling worden gestuurd. Dit dient in het dossier te worden vermeld.

 

8.1.1.1 Beschermingszaken Opvoedingsproblemen

8. Beleidsaanwijzingen civiel

8.1.1 Opvoedingsproblemen

8.1.1.1 Inleiding

De Raad is gelegitimeerd om ten aanzien van een verzorgings- en opvoedingssituatie onderzoek te doen wanneer sprake is van een (vermoedelijke) schending van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid en wanneer op grond daarvan een maatregel van kinderbescherming overwogen moet worden.

Zoals ook vermeld onder 8.1.a. doet de Raad dit op verzoek van een Bureau Jeugdzorg (BJZ) of een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en slechts bij uitzondering op verzoek van een belanghebbende of naar aanleiding van een melding van derden (zie ook 8.1.b Intake). De Raad kan eveneens een onderzoek doen indien deze (vermoedelijke) schending door de Raad zelf uit andere hoofde is geconstateerd.

De Raad zal de rechter verzoeken een maatregel uit te spreken indien het vermoeden van een ernstige bedreiging van het kind tijdens het onderzoek door feiten en /of omstandigheden bevestigd wordt en andere middelen hebben gefaald of naar is te voorzien zullen falen.

8.1.1.2 Maatregelen

8.1.1.3 Wettelijke maatregelen van kinderbescherming

De kinderbeschermingsmaatregelen zijn:

-de (voorlopige) ondertoezichtstelling;

-de voorlopige voogdij;

-de ontheffing;

-de ontzetting.

Voor een beschrijving van de kinderbeschermingsmaatregelen zie Bijlage 10.1.

Alle maatregelen kunnen worden verzocht door de Raad voor de Kinderbescherming, of gevorderd door de Officier van Justitie. In sommige gevallen kan een (pleeg)ouder dan wel een bloed- of aanverwant van het kind tot en met de vierde graad een maatregel vragen.

Beleidsuitgangspunten voor keuze maatregel

Met inachtneming van de in de wet neergelegde gronden dient de keuze van de te verzoeken (voorlopige) maatregel door de Raad te worden bepaald door:

- de ernst van de bedreiging van de minderjarige;
- de hulpverlening nodig ter afwending van de bedreiging van de minderjarige;
- de toekomstige mogelijkheden van de ouders met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de minderjarige;
- de verwachting ten aanzien van het effect van de maatregel en, waar aan de orde, continuering van eerder in het vrijwillige kader verleende hulp.

Wanneer de Raad besluit aan de rechter een (voorlopige) maatregel, al dan niet met een machtiging tot uithuisplaatsing, te vragen moet het rekest -waar het raadsrapport onderdeel van uitmaakt - informatie bevatten over de reden waarom de maatregel wordt gevraagd, met benoeming en onderbouwing van de in de wet genoemde gronden. In het rekest –waar het raadsrapport deel van uitmaakt- dient te worden aangegeven wie belanghebbenden zijn. Deze dienen in het onderzoek te worden betrokken.

Nadat een kinderbeschermingsmaatregel door de rechter is uitgesproken is de raadsonderzoeker verantwoordelijk voor de overdracht aan de (gezins)voogdij-instelling (GVI). Indien cliënten ermee akkoord gaan kan het rapport al voordat op een verzoek tot een maatregel van kinderbescherming is beslist, naar de (gezins)voogdij-instelling worden gestuurd. Dit dient in het dossier te worden vermeld.

 

8.1.3. Het onderzoek

8.1.1.3 Doel onderzoek

Het op systematische en procesmatige wijze verzamelen van relevante gegevens naar aanleiding van een melding, op basis van van tevoren geformuleerde onderzoeksvragen. Tijdens het onderzoek worden de opvoedingsomstandigheden in beeld gebracht en wordt een diagnose gesteld. Het onderzoek mondt uit in een besluit over de vraag hoe de eventuele opvoedingsproblemen met betrekking tot de minderjarige opgelost moeten worden.

Voor Intake en bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek wordt verwezen naar 8.1.b en 8.1.c.

8.1.1.4. Toetsende taak tav besluitvorming GVI tijdens ondertoezichtstelling

8.1.1.4.1. Inleiding

Na het uitspreken van een ondertoezichtstelling door de kinderrechter is de gezinsvoogdij-instelling (GVI) verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatregel. Dit geldt ook voor een door de kinderrechter aan de GVI verleende machtiging tot uithuisplaatsing.

De GVI kan dan ook zelfstandig aanwijzingen geven en beslissingen nemen.

Er zijn drie situaties waarin de wet bepaalt dat de Raad de besluitvorming moet toetsen. Dit betreft dus besluiten die niet vooraf aan het oordeel van de rechter onderworpen zijn, te weten:

de situatie dat de GVI:

1. geen verlenging vraagt van de door de kinderrechter bepaalde termijn (van max. 1 jaar) van de ondertoezichtstelling;
2. geen verlenging vraagt van de door de kinderrechter bepaalde termijn (van max. 1 jaar) van een machtiging tot uithuisplaatsing;
3. een uithuisplaatsing tussentijds wil beëindigen, dus vóór het aflopen van de door de kinderrechter bepaalde termijn.

In alle genoemde situaties moet de GVI de Raad van het voornemen tot niet verlengen of tussentijds beëindigen zo spoedig mogelijk mededeling doen, onder overlegging van een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en /of uithuisplaatsing. De Raad behandelt deze mededeling als melding.

De Raad kan nadere informatie vragen, zelf een onderzoek instellen en zonodig rekestreren.

8.1.4.2 Doel toetsing

De Raad beoordeelt inhoudelijk of de voorgenomen beslissing van de GVI in bovengenoemde situaties in het belang van de minderjarige is.

8.1.4.3 Verantwoordelijkheid

De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor de besluitvorming en het eventuele eigen onderzoek van de Raad.

8.1.4.4 Procedure

De raadsonderzoeker die belast is met de intake (de intaker) beoordeelt de binnenkomende stukken als een melding. Deze stukken betreffen het hulpverleningsplan, inclusief het verslag over het verloop van de ondertoezichtstelling en ingeval van uithuisplaatsing tevens het verslag over het verloop van het verblijf in het pleeggezin c.q de rapportage van de opnemende instantie.

De intaker raadpleegt daarbij tevens het bestaande dossier van de Raad en recente informatie in KIS.

De zaak wordt op stukken afgedaan, tenzij:

1. het verslag van de GVI onvoldoende inzicht geeft in de situatie van het cliëntensysteem om tot een verantwoord besluit te kunnen komen;
2. het verslag aanwijzingen bevat dat de GVI en de cliënten van mening verschillen; of
3. het verslag aanwijzingen bevat dat er nog steeds reden is voor ernstige zorg over de
verzorgings- en opvoedingssituatie.

De volgende drie situaties kunnen zich voordoen:

a. De rapportage van de GVI is duidelijk en de Raad ziet geen aanleiding zich (nog) ernstig zorgen te maken over de verzorgings- en opvoedingssituatie bij de ouders. In dit geval wordt besloten geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen niet-verlenging van de ondertoezichtstelling en/of de plaatsing of tegen de tussentijdse beëindiging van de plaatsing.
b. De rapportage van de GVI biedt onvoldoende inzicht in de situatie van het cliëntsysteem.
In dit geval neemt de intaker contact op met de GVI. Leidt dit tot nieuwe informatie, dan wordt deze alsnog ten behoeve van de Raad door de GVI op schrift gesteld.
De GVI licht de cliënten in.
Heeft de Raad op basis van de aanvullende rapportage van de GVI voldoende inzicht gekregen in de situatie van het cliëntsysteem en ziet de Raad daarin geen aanleiding om zich ernstig zorgen te maken over de verzorgings- en opvoedingssituatie bij de ouders dan wordt alsnog besloten geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen niet-verlenging van de ondertoezichtstelling en /of de plaatsing of de tussentijdse beëindiging van de plaatsing.
c. Heeft de Raad ook op basis van de aanvullende rapportage onvoldoende inzicht gekregen in de situatie van het cliëntsysteem of zijn er aanwijzingen dat er verschil van mening is tussen de GVI en de cliënten of dat er nog steeds reden is voor ernstige zorg over de verzorgings- en opvoedingssituatie dan zal de Raad besluiten een eigen onderzoek in te stellen.

De Raad deelt zijn besluit in de hiervoor genoemde situaties a. t/m c. uiterlijk 1 week na ontvangst van de melding, schriftelijk mee aan de GVI. Indien de Raad niet voldoende tijd heeft om zijn toetsende taak te vervullen dan overleggen intaker en praktijkleider of de GVI met het oog daarop een verlengingsverzoek moet indienen bij de rechter.

8.1.1.4.5 Doel van het onderzoek ter toetsing

Het onder 8.1.1.4.4.c. bedoelde onderzoek is primair gericht op de resultaten van de maatregelhulp, inclusief die van een eventuele plaatsing. Nagegaan wordt of de verzorgingsen opvoedingssituatie zodanig verbeterd is dat de grond voor de ondertoezichtstelling en /of plaatsing niet meer aanwezig is.

Het onderzoek kan alsnog leiden tot het besluit van de praktijkleider geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen niet verlenging van de ondertoezichtstelling en /of plaatsing c.q. beëindiging van de plaatsing. De Raad kan ook besluiten om een verzoek in te dienen tot verlenging van de ots, tot een nieuwe machtiging uithuisplaatsing of tot vervanging van de GVI.

Indien daartoe gronden zijn kan de Raad voorts besluiten een ontheffingsverzoek in te dienen

(zie 8.1.1.6).

Met betrekking tot bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek wordt verwezen naar 8.1.c. en voor Rapportage naar hoofdstuk 3. Het onderzoek wordt in beginsel binnen 3 weken na ontvangst van de melding, afgesloten.

 

8.1.1.5 Adviestaak n.a.v. verzoeken aan de rechter tijdens ots en tot ots

Tijdens een ondertoezichtstelling kunnen zowel ouders (en soms ook de minderjarige vanaf 12 jaar) als de GVI verzoeken aan de rechter voorleggen. Een aantal verzoeken kan door ouders en GVI gedaan worden, zoals bijvoorbeeld een verzoek tot:

- verlenging van de ondertoezichtstelling;
- tussentijdse opheffing van de ondertoezichtstelling;
- vervanging GVI;

Er zijn ook verzoeken die niet door een ouder aan de rechter kunnen worden voorgelegd, zoals:

- machtiging tot uithuisplaatsing;
- vervangende toestemming voor medische behandeling.

Daarnaast kan een ouder, al dan niet met gezag, zelf een ondertoezichtstelling vragen. De gezinsvoogdij-instelling kan dat niet. In een enkele situatie kan ook een pleegouder een verzoek aan de rechter doen. De Officier van Justitie kan de maatregel vorderen. De rechter kan naar aanleiding van al deze verzoeken de Raad vragen om advies, al dan niet met en onderzoek. Voorzover het een verzoek betreft tijdens een ondertoezichtstelling zal de Raad uitgaan van de vraagstelling van de rechter en van de inhoud van het verzoekschrift, het hulpverleningsplan, inclusief het verslag over het verloop van de ondertoezichtstelling en ingeval van uithuisplaatsing, tevens het verslag over het verloop van het verblijf in het pleeggezin c.q. de rapportage van de opnemende instantie.

Betreft het een verzoek van een ouder tot ondertoezichtstelling of een vordering van de Officier van Justitie dan zal de Raad op verzoek van de rechter een onderzoek instellen naar de noodzaak van deze maatregel.
Met betrekking tot bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek wordt
verwezen naar 8.1.c en voor rapportage naar hoofdstuk 3.

 

8.1.1.6 Verderstrekkende maatregel na ots

Zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing in het kader van deze maatregel zijn bedoeld als tijdelijke hulp en steun teneinde de bedreiging van de belangen van het kind weg te nemen.
De maatregel en de machtiging kunnen dan ook slechts voor maximaal één jaar worden
uitgesproken. Deze termijn kan telkens met een jaar worden verlengd. Indien de ondertoezichtstelling door ongeschiktheid of onmacht van de ouders tot verzorging en opvoeding onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de belangen van het kind af te wenden dan kunnen de ouders na 6 maanden ondertoezichtstelling, of na anderhalf jaar uithuisplaatsing via een machtiging, gedwongen ontheven worden van het ouderlijk gezag.

De GVI en /of pleegouders kunnen de Raad vragen de ontheffing aanhangig te maken bij de rechtbank. De Raad kan naar aanleiding van dit verzoek een onderzoek instellen en zal daarbij gebruik maken van het eigen dossier, van het hulpverleningsplan van de GVI, inclusief het verslag over het verloop van de ondertoezichtstelling en ingeval van uithuisplaatsing van het verslag over het verloop van het verblijf in het pleeggezin c.q. van de rapportage van de opnemende instantie.

Ingeval van een pleeggezinplaatsing zal, gezien de termijn welke de minderjarige in het pleeggezin verblijft, bijzondere aandacht gegeven worden aan de ontwikkeling van het kind binnen het pleeggezin en het belang van het kind om de op gang gebrachte opvoedingssituatie te continueren.

Met betrekking tot bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek wordt verwezen naar 8.1.c en voor rapportage naar hoofdstuk 3.

8.1.1.7 Herstel in het ouderlijk gezag

Een ouder die ontheven of ontzet is van zijn gezag kan de rechtbank verzoeken in het gezag hersteld te worden (dit verzoek kan ook door de Raad gedaan worden). De rechtbank zal dit verzoek toewijzen indien hij ervan overtuigd is dat de minderjarige weer aan zijn ontheven of ontzette ouder kan worden toevertrouwd.

Indien bij de ontheffing c.q. ontzetting het gezag was opgedragen aan de andere ouder en het verzoek tot herstel alleen door de ontheven of ontzette ouder wordt gedaan, dan belast de rechter deze ouder niet met het gezag tenzij de omstandigheden, waarbij het gezag werd opgedragen aan de andere ouder zijn gewijzigd of destijds van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Naar aanleiding van dit verzoek tot herstel kan de rechter de Raad om onderzoek en advies vragen.

Met betrekking tot bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek wordt verwezen naar 8.1.c en voor rapportage naar hoofdstuk 3.

Hangende het onderzoek kan zowel de Raad als de ouder die heeft verzocht in het gezag te worden hersteld, de rechtbank verzoeken de beslissing aan te houden voor een proeftijd van maximaal 6 maanden, gedurende welke tijd het kind bij de verzoekende ouder verblijft.

8.1.2 Afstand minderjarige/meerderjarige moeder/ouders

Indien een moeder, al dan niet gehuwd, besluit afstand te doen van haar pasgeboren kind zal de Raad als regel door de FIOM (Federatie van Instellingen voor Ongehuwde Moeders) benaderd worden. De FIOM begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing en bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de Raad.

De Raad is verantwoordelijk voor het goede verloop van de procedure en voor het bewaken van de termijnen daarbij. Ter voorbereiding op het door de Raad in te dienen verzoek tot voorlopige voogdij informeert de Raad een voogdij-instelling, die zorgt voor plaatsing van de baby in een zogenaamd neutraal-terrein-gezin. Door deze plaatsing die maximaal drie maanden mag duren, wordt voor de ouder(s) een bedenktijd ingebouwd.

Binnen zes weken na de beschikking voorlopige voogdij maakt de Raad een vervolgprocedure aanhangig bij de rechter. Dit is een verzoek tot gezagsvoorziening bij de kantonrechter indien de moeder minderjarig is en een ontheffingsprocedure bij de rechtbank indien het meerderjarige ouder(s) betreft. Hierbij wordt voorgesteld de voogdij-instelling pro forma tot voogd te benoemen. De Raad vraagt gelijktijdig aanhouding.

In de tussentijd gaat de Raad na welke twee à drie aspirant adoptiefgezinnen, die reeds in het bezit zijn van een beginseltoestemming voor opname van een buitenlands kind (zie 8.3.1.) in aanmerking zouden kunnen komen voor opname van de baby. Daarbij wordt rekening gehouden met de door de ouder(s) aan de FIOM kenbaar gemaakte wensen daaromtrent.

De voogdij-instelling die verantwoordelijk is voor de baby gaat na welk gezin het meest aangewezen lijkt aan de hand van door de Raad anoniem beschikbaar gestelde informatie. Ongeveer twee maanden na de beschikking voorlopige voogdij organiseert de Raad een overleg met de FIOM en de voogdij-instelling waarbij aan de orde komt: de keuze van het aspirant adoptief gezin, de ontwikkeling van de baby, de te verwachten beslissing van de ouder(s) ten aanzien van de afstand en de mogelijk toekomstige rol van de ouder(s) na de plaatsing.

De Raad en de voogdij-instelling ontvangen uiterlijk drie maanden na de voorlopige voogdij bericht van de FIOM over de definitieve beslissing tot afstand, waarna de baby door de voogdij-instelling in het aspirant adoptief gezin geplaatst wordt. Behoudens bijzondere omstandigheden doet de Raad zes maanden na de beschikking voorlopige voogdij, een voorstel tot definitieve toewijzing van de voogdij aan het adoptief gezin aan de hand van rapportage van de voogdij-instelling.

Als de biologische moeder (eventueel samen met de vader) binnen 3 maanden kenbaar maakt dat zij terug wil komen op het eerder genomen besluit tot afstand wordt er in principe gewerkt aan een zo spoedig mogelijke hereniging van ouder(s) en kind (zie ook 8.3.1.3). Indien de moeder minderjarig is, zal het gezag geregeld moeten worden. De terugplaatsing van het kind is hiervan echter niet afhankelijk. Indien het een 16- of 17-jarige moeder betreft zal bezien worden of zij zelf met het gezag belast kan worden en wordt zij eventueel op de mogelijkheid gewezen de kinderrechter te verzoeken haar meerderjarig te verklaren (zie 8.3.3.).

Voor eventuele rapportage zie hoofdstuk 3.

Het rapport wordt in concept aan de belanghebbenden aangeboden. De belanghebbenden krijgen in beginsel een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het conceptrapport te reageren. Voor zover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd is deze zelf verantwoordelijk voor de bespreking daarvan. Informanten krijgen de door hen gegeven informatie in concept toegezonden.

In de arrondissementen waar de rechtbank in dit soort zaken geen voorlopige voogdij uitspreekt dient de aanpak van het onderzoek voor het overige overeenkomstig het bovenstaande plaats te vinden.

8.1.3 Justitiële screening en rechtspositie pleegouders  

8.1.3.1. De justitiële screening van (aspirant) pleeggezinnen

8.1.3.2. De rechtspositie van pleegouders8.5.2. De rechtspositie van pleegouders

8.1.3.3. Pleegkinderenwet

8.1.3.1. De justitiële screening van (aspirant)pleeggezinnen.5.1. De justitiële screening van (aspirant)pleeggezinnen

Alle pleeggezinnen die in verband met de plaatsing van een minderjarige in hun gezin subsidie ontvangen in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening, moeten over een door de Raad afgegeven ‘Verklaring van geen bezwaar’ beschikken (artikel 19 vierde lid van het Besluit Kwaliteitsregels Jeugdhulpverlening). Deze verklaring wordt aangevraagd door een voorziening voor pleegzorg. De aanvrager informeert de aspirant-pleegouders hieromtrent.

De justitiële screening gaat vooraf aan het pleegouderonderzoek door de voorziening voor pleegzorg, die beoordeelt of een pleeggezin geschikt is om een pleegkind te verzorgen en op te voeden.

8.5.1.1. Doel van de justitiële screening

Onderzoeken of er sprake is van bezwarende feiten of omstandigheden die het afgeven van een Verklaring van geen bezwaar in de weg staan.

8.5.1.2. Bevoegdheid

Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de pleegouders wonen.

8.5.1.3. Verantwoordelijkheid

De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor de bemoeienis en de besluitvorming.

8.5.1.4. Procedure

Wanneer om afgifte van een Verklaring van geen bezwaar wordt verzocht, vraagt de Raad gegevens op uit het Justitiële Documentatieregister van alle bewoners van 12 jaar en ouder op het pleegzorgadres en gaat na of sprake is van bezwarende feiten en omstandigheden.
Daarnaast raadpleegt de Raad, eveneens ten aanzien van alle bewoners, de Gemeentelijke Basis administratie en het eigen archief (dat zich op meerdere vestigingen kan bevinden).
Vervolgens moet worden afgewogen of dat voldoende reden is om te besluiten al dan niet een Verklaring af te geven.
Bedoelde verklaring wordt afgegeven tenzij de ingewonnen informatie duidt op zodanige gedragingen, mentaliteit of omstandigheden van (één van) de aspirant-pleegouders, andere gezinsleden of bewoners, dat plaatsing van een pleegkind een gevaar voor het welzijn van deze minderjarige zou opleveren. Dit gevaar is in beginsel aanwezig indien er sprake is geweest van:

- gegrond bevonden klachten ten aanzien van het aspirant-pleeggezin;
- een veroordeling wegens geweldsdelicten, ernstige vermogensdelicten en oplichtingmisdrijven;
- veroordelingen wegens overtredingen van zodanige aard en /of frequentie dat hieruit een gering verantwoordelijkheidsbesef blijkt;
- geseponeerde zaken die aanleiding geven tot mogelijke bijzondere risico’s, zoals verdenking van zedenmisdrijven of kindermishandeling.

Bij veroordelingen wegens een zedendelict of kindermishandeling wordt de afgifte van een Verklaring van geen bezwaar altijd geweigerd. Dit besluit wordt aspirant-pleegouders schriftelijk medegedeeld, waarbij zij gewezen worden op de mogelijkheid hun verzoek in te trekken en de Raad daarover -binnen 14 dagen- te berichten.

Bij indicatie voor een negatief besluit nodigt de Raad de aspirant-pleegouders uit voor een gesprek om toelichting te geven en /of aanvullende informatie te vragen. De gegeven informatie kan leiden tot het besluit de Verklaring van geen bezwaar al dan niet af te geven dan wel de Verklaring van geen bezwaar alleen af te geven met betrekking tot de plaatsing van een specifiek kind. Afhankelijk van de inhoud van het besluit wordt deze als volgt gegeven:

- De voorziening voor pleegzorg ontvangt de Verklaring van geen bezwaar.
- De aspirant-pleegouders ontvangen een kopie van de Verklaring van geen bezwaar.
- Als de Verklaring van geen bezwaar niet wordt afgegeven ontvangt de voorziening voor pleegzorg daaromtrent schriftelijk bericht.
- Als de Verklaring van geen bezwaar wordt geweigerd ontvangen de aspirant-pleegouders een gemotiveerd besluit met de mededeling dat zij de mogelijkheid hebben bezwaar aan te tekenen (zie hoofdstuk 6.2).

Termijn

Indien de zaak op stukken afgedaan kan worden, wordt het onderzoek afgesloten binnen een termijn van 4 weken vanaf de ontvangst van het verzoek tot onderzoek. Deze termijn is 8 weken indien contact met de aspirant pleegouders noodzakelijk is.

Indien een pleeggezin voor een periode van twee jaar of langer niet feitelijk als pleeggezin heeft gefunctioneerd, wordt een nieuwe Verklaring van geen bezwaar bij de Raad voor de Kinderbescherming aangevraagd.

8.1.3.2. De rechtspositie van pleegouders

8.5.2.1. Blokkaderecht (artikelen 253 s en 336a bk 1 BW)

Als een minderjarige met instemming van zijn gezagsdragers (ouder(s) of voogd) gedurende ten minste één jaar door (een) pleegouder(s) als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders of de voogd van de minderjarige slechts met toestemming van de pleegouder(s), wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen.

De pleegouders kunnen gebruik maken van het zogenaamde ‘blokkaderecht’. Het blokkaderecht is niet van toepassing indien de minderjarige bij de pleegouder(s) verblijft krachtens een ondertoezichtstelling of een voorlopige voogdij (opgedragen aan een voogdij-instelling).

Als de pleegouders gebruik maken van het blokkaderecht en de vereiste toestemming niet geven, kán deze toestemming op verzoek van de ouder(s) of voogd door die van de rechtbank worden vervangen.

Doel onderzoek i.v.m. het ‘blokkaderecht’.

De rechtbank kan de Raad advies vragen naar aanleiding van een verzoek van ouders met gezag of van een voogd om wijziging in het verblijf van de minderjarige te mogen brengen.

- Indien het een verzoek van ouders betreft gaat de Raad in het onderzoek na of er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd (art. 1: 253 s lid 2 BW).
- Wanneer het een verzoek van een voogd betreft gaat de Raad in het onderzoek na of wijziging in het belang van de minderjarige is (art. 1: 336a lid 2).

Tijdens het onderzoek besteedt de Raad onder meer ook aandacht aan de vraag of het in het belang van de minderjarige is om contact te blijven houden met de ouders of voogd, dan wel met de pleegouders.

Wanneer de rechtbank het verzoek van de ouders of voogd afwijst, bepaalt de rechtbank tevens hoelang deze beschikking van kracht zal zijn (maximaal 6 maanden).

De Raad kan in die periode een onderzoek instellen naar de eventuele noodzaak tot het uitspreken van een maatregel van kinderbescherming. Hiervoor gelden de beleidsaanwijzingen zoals vermeld onder ‘Opvoedingsproblemen’ (8.1.1). Leidt dit binnen de door de rechtbank bepaalde periode tot een verzoek (van de Raad of van pleegouders) of een vordering (van de Officier van Justitie) tot een maatregel van kinderbescherming dan blijft de beschikking gelden totdat over de gevraagde maatregel is beslist.

Tijdens het onderzoek wordt voorts aandacht besteed aan de vraag of de minderjarige op de hoogte is van zijn biologische herkomst. Indien dit niet het geval is of daarover onzekerheid bestaat dringt de Raad erop aan, ter voorkoming van eventuele identiteitsproblemen van de minderjarige, dat deze daarover – zonodig op termijn - wordt voorgelicht.

Met betrekking tot bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek geldt hetgeen vermeld staat onder 8.1.c.

8.5.2.2 Verzoek pleegouders tot ontheffing ouder(s) (artikel 268 lid 2 d jo. artikel 267 boek I BW).

De pleegouders kunnen de rechtbank verzoeken de ouders gedwongen te ontheffen van het gezag en de voogdij aan hen op te dragen als de rechtbank het blokkaderecht heeft gehonoreerd (m.a.w. het verzoek van de ouders om wijziging in het verblijf van de minderjarige te brengen heeft afgewezen). De pleegouders moeten de minderjarige ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed op het tijdstip van het verzoek. Indien de minderjarige door meer dan één persoon wordt verzorgd en opgevoed kan het verzoek slechts door hen gemeenschappelijk worden gedaan.

Wanneer de rechtbank de Raad advies vraagt over een verzoek van de pleegouders tot ontheffing van de ouders, stelt de Raad een onderzoek in en adviseert de rechtbank.

De Raad gaat in het onderzoek na of een voortzetting van het verblijf van de minderjarige bij de pleegouders noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouders ernstig nadeel voor de minderjarige moet worden gevreesd.

(NB: Ook de Raad kan in de hier bedoelde situatie een verzoek tot ontheffing indienen, ook zonder dat er een afwijzende beslissing tot wijziging van het verblijf is voorafgegaan).

Met betrekking tot bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek geldt hetgeen vermeld staat onder 8.1.c.

8.5.2.3 Verzoek pleegouders tot voogdijbenoeming (artikel 299 a bk I BW)

Als het gezag bij een voogd (of voogden) berust geldt het volgende:

Een pleegouder kan de kinderrechter verzoeken hem of een rechtspersoon te belasten met de voogdij indien hij met instemming van de voogd(en) de minderjarige ten minste een jaar, anders dan uit hoofde van ots of voorlopige voogdij, heeft verzorgd en opgevoed en voldoende is gebleken dat de voogd niet bereid is zelf ontslag te vragen. Indien de minderjarige door meer dan één persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door hen gezamenlijk worden gedaan.

Wanneer de kinderrechter de Raad om onderzoek en advies vraagt over een verzoek van een pleegouder gaat de Raad in het onderzoek na of het verzoek in het belang van de minderjarige is. (NB: Ook de Raad kan het hier bedoelde verzoek indienen).

Met betrekking tot bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek geldt hetgeen vermeld staat onder 8.1.c.

8.1.3.3. Pleegkinderenwet

Indien er een redelijk vermoeden bestaat dat er in een pleeggezin (of een in deze wet bedoelde inrichting) misstanden heersen of dreigen te ontstaan, stelt de Raad een onderzoek in naar het pleegkind en het gezin (of de inrichting) waar het kind wordt verzorgd en opgevoed. (NB: de wet sluit een aantal situaties uit van dit toezicht door de Raad m.n. indien er reeds op andere wijze toezicht wordt uitgeoefend).

De Raad heeft op grond van deze wet een aantal bevoegdheden. Zo mag de Raad vorderen dat het kind hem getoond wordt, en is hij bevoegd zonder toestemming van de bewoner een woning te betreden indien redelijkerwijs kan worden vermoed dat daar een pleegkind wordt verzorgd en opgevoed.

De Raad kan de volgende besluiten nemen: - verbod dat het kind langer in het pleeggezin (of de inrichting) verblijft; - verbod om verder nog pleegkinderen te verzorgen en op te voeden; - het stellen van voorwaarden.

De hiervoor genoemde besluiten moeten onverwijld door een deurwaarder aan betrokkenen betekend worden. Betrokkenen kunnen binnen 14 dagen aan de rechtbank vernietiging verzoeken van het besluit.

Met het oog op vorenstaande toezichthoudende taak van de Raad zijn degenen die de verzorging en opvoeding van een pleegkind op zich hebben genomen verplicht van deze opneming binnen een week schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het pleegkind verblijft. Met betrekking tot bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek geldt hetgeen vermeld staat onder 8.1.c. en voor Rapportage zie hoofdstuk 3.

Indien de problematiek zo ernstig is dat een (voorlopige) maatregel geïndiceerd is dient het onderzoek te worden uitgebreid met het besluit "uitbreiding naar onderzoek opvoedingsproblemen". De raadsonderzoeker stelt de belanghebbende daarvan schriftelijk in kennis. De aanpak van het onderzoek geschiedt overeenkomstig het vermelde onder hoofdstuk 8.1.1. en 8.1.c.

 

8.1.4 Gezagsvoorziening door de kantonrechter

8.1.4.1. Inleiding.3.1. Inleiding

8.1.4.2. Doel onderzoek.3.2. Onderzoek

8.1.4.3. Uitbreiding naar onderzoek .3.3. Uitbreiding naar onderzoek beschermingszakenopvoedingsproblemen

8.1.4.4. Specifieke beleidsaanwijzingen per categorie.3.4. Specifieke beleidsaanwijzingen per categorie

 

Ouders:

Openstaand gezag8.3.4.1. Openstaand gezag

Onbevoegdheid.3.4.2. Onbevoegdheid van ouder die alleen het gezag heeft of van beide ouders

Al dan niet tijdelijke onmogelijkheid c.q. bestaan of verblijf onbekend8.3.4.3. Al dan niet tijdelijke onmogelijkheid

NB: voor de situatie overlijden ouder met gezag, terwijl de andere ouder nog in leven zie hoofdstuk 8.1.5

 

Voogd(en):

Openstaand gezag.3.4.5. Openstaand gezag

Onbevoegdheid.3.4.6. Onbevoegdheid

Tijdelijke onmogelijkheid en andere omstandigheden.3.4.7. Tijdelijke onmogelijkheid

Ontslagverzoek door voogd zelf.3.4.8. Ontslagverzoek door voogd zelf

Verzoek tot gezamenlijke voogdij.3.4.9. Gezamenlijke voogdij

 

8.1.4 Gezagsvoorziening door de kantonrechter.3 Gezagsvoorziening door de kantonrechter

8.1.4.1 Inleiding

In een aantal gezagssituaties is de kantonrechter de bevoegde rechter om beslissingen te nemen. De kantonrechter kan de Raad verzoeken om aan de hand van de stukken binnen twee weken kenbaar te maken of er van de kant van de Raad bezwaar bestaat tegen inwilliging van het verzoek. Tevens kan hij de Raad om advies vragen. De Raad beslist dan of een onderzoek nodig is of dat aan de hand van de stukken advies kan worden uitgebracht.

Daarnaast kan de Raad zelf, indien daartoe aanleiding is, advies uitbrengen aan de kantonrechter of een verzoek indienen bij de kantonrechter wanneer in het gezag over een minderjarige dient te worden voorzien.

Uitgangspunt hierbij is dat de ouders primair zelf verantwoordelijk zijn voor de regeling van het gezag over minderjarigen. Het tweede uitgangspunt is dat het gezag als regel dient te berusten bij de feitelijke verzorger(s) van de minderjarige.

8.1.4.2 Doel onderzoek.

Het op systematische en procesmatige wijze verzamelen van relevante gegevens met het oog op de door de kantonrechter te treffen gezagsvoorziening. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de in de wet aangegeven voorkeurspositie van ouders. Voor Intake en bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek zie 8.1.b en 8.1.c.

8.1.4.3 Uitbreiding naar onderzoek 

Indien tijdens het onderzoek sprake is van een vermoedelijke schending van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid en op grond daarvan een maatregel moet worden overwogen kan de Raad ambtshalve ook daarnaar een onderzoek instellen.

Dit kan aan de orde zijn als het gaat om complexe situaties waarin sprake is van een strijd tussen betrokken volwassenen met zeer nadelige gevolgen voor de minderjarigen.(Bij het ontbreken van gezag kan dit leiden tot de noodzaak van een voorlopige voogdij).

In een dergelijke situatie zal de Raad door tussenkomst van de praktijkleider (deze is er verantwoordelijk voor dat multidisciplinair wordt getoetst of de zaak voldoet aan de criteria voor dit onderzoek), besluiten een onderzoek te doen naar opvoedingsproblemen.

De raadsonderzoeker stelt de belanghebbenden daarvan schriftelijk in kennis. Afhankelijk van de zaak besluit de praktijkleider of er al dan niet een andere raadsonderzoeker wordt ingezet.

Zie verder hoofdstuk 8.1.1. en 8.1.c (bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek). Naar aanleiding van dit onderzoek wordt duidelijk herkenbaar verslag uitgebracht, hetzij in een apart hoofdstuk, hetzij in een afzonderlijk rapport.

De maximale onderzoeksduur voor deze twee onderzoeken tezamen bedraagt 18 weken.

 

8.1.4.4 Specifieke beleidsaanwijzingen per categorie

In deze paragraaf wordt onderscheid aangebracht tussen Ouder(s) en Voogd(en).

 

Ouder(s)

Openstaand gezag

1. De moeder is minderjarig ten tijde van de geboorte van haar kind (art. 253b en d bk I BW);

NB: voor meerderjarigverklaring zie hoofdstuk 8.3.3

2. Het overlijden van de enige ouder of beide ouders (art. 245 lid 1 juncto art. 295 bk I BW);

 

Ad 1.

Indien de moeder ten tijde van de geboorte van haar kind minderjarig is, kan in het gezag over de betreffende baby worden voorzien. Eventueel kan besloten worden (bijvoorbeeld op grond van de leeftijd) het gezag open te laten staan tot aan de meerderjarigheid of de meerderjarigverklaring (zie 8.3.3.) van de moeder. Indien de vader (erkenner) wel meerderjarig is kan deze de kantonrechter verzoeken hem met het gezag te belasten.

Dit verzoek wordt slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

Dit laatste geldt ook indien een derde het gezag heeft op het moment dat de moeder meerderjarig wordt of indien de derde nadien komt te overlijden én de moeder (eventueel samen met de vader) het gezag vraagt. Heeft de vader het gezag op het moment dat de moeder meerderjarig wordt, dan wordt het verzoek van de moeder slechts ingewilligd indien de kantonrechter dat in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

Indien regeling of verandering van het gezag ook verandering van verzorger en verblijfplaats tot gevolg zal hebben speelt de duur van de eerdere verzorging en verblijf een belangrijke rol.

Indien het in het belang van een minderjarige moeder en haar kind nodig is kan er van worden afgezien degene die het gezag over de minderjarige moeder heeft in het onderzoek te betrekken, tenzij dit een voogdij-instelling is.

De Raad zal dit moeten motiveren in het rapport. Degene die het gezag over de minderjarige moeder heeft zal, als belanghebbende, wel in de procedure door de kantonrechter worden opgeroepen.

 

Ad 2.

Indien de enige ouder of beide ouders overlijden dient in het gezag te worden voorzien. In het onderzoek waarbij wordt nagegaan wie met het gezag over de minderjarige dient te worden belast, wordt met name aandacht besteed aan suggesties van de familie en relevante derden die een belangrijke rol binnen de familie spelen. Bij verschil van mening tussen de betrokkenen zal in beginsel - mede afhankelijk van de leeftijd - de wens van de minderjarige worden gehonoreerd, tenzij daartegen vanuit het belang van de minderjarige zwaarwegende bezwaren bestaan.

 

 

Onbevoegdheid8.3.4.2 Onbevoegdheid van de ouder die alleen het gezag heeft of van beide ouders

(curatele of niet-tijdelijke stoornis van de geestvermogens), (art. 253q bk I BW)

In eerstgenoemde situatie (onbevoegdheid van één ouder) belast de kantonrechter de andere ouder met het gezag, tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd.

In de tweede situatie (onbevoegdheid van beide ouders) of indien er geen andere ouder is, richt het onderzoek van de Raad zich op de consequenties van de curatele c.q. op de aard en de consequenties van de niet-tijdelijke stoornis. Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden en mogelijk ook wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.

Indien de grond van de onbevoegdheid is vervallen en de ouder(s) verzoeken weer met het gezag te worden belast, wijst de kantonrechter het verzoek toe indien hij ervan overtuigd is dat het kind weer aan de ouder(s) mag worden toevertrouwd. Bij het onderzoek spelen de leeftijd van de minderjarige, de termijn van verzorging door anderen, het belang van het kind bij continuïteit van de verzorgingssituatie en de actuele omstandigheden een rol.

 

Al dan niet tijdelijke onmogelijkheid8.3.4.3 Al dan niet tijdelijke onmogelijkheid het gezag uit te oefen c.q. het bestaan of verblijf van ouder(s) onbekend

- De enige ouder met gezag of beide ouders verkeren, al dan niet tijdelijk, in de onmogelijkheid het gezag uit te oefenen;

- Het bestaan of de verblijfplaats van de enige ouder met gezag of van beide ouders is onbekend (art. 253r bk I BW).

Als het in deze situaties de ouder betreft die alleen het gezag heeft, belast de kantonrechter de andere ouder met het gezag tenzij gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Het onderzoek van de Raad richt zich hierop.

Indien er geen andere ouder is of de situatie beide ouders betreft, richt het onderzoek van de Raad zich op de blijvende of tijdelijke onmogelijkheid dan wel op (omstandigheden rond de) afwezigheid van de ouder(s). Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden en wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.

Indien voornoemde omstandigheden zijn vervallen en de ouder(s) verzoeken weer met het gezag te worden belast, wijst de kantornrechter het verzoek toe indien hij ervan overtuigd is dat het kind weer aan de ouder(s) mag worden toevertrouwd. Bij het onderzoek spelen de leeftijd van de minderjarige, de termijn van verzorging door anderen, het belang van het kind bij continuïteit van de verzorgingssituatie en de actuele omstandigheden een rol.

NB - voor ‘Overlijden ouder met gezag, terwijl de andere ouder nog in leven is’, zie hoofdstuk 8.1.5

- voor ‘Gezagswijziging (ook) door de kantonrechter’ zie 8.2.8 onder 1.

 

Voogd(en)

Openstaand gezag 8.3.4.5. Openstaand gezag (overlijden enige of beide voogd(en)), (art. 245 lid1 juncto art. 295 bk I BW)

In het onderzoek moet aandacht worden besteed aan suggesties van de familie en relevante derden die voor het kind een belangrijke rol binnen de familie spelen (bijv. de partner van de overleden voogd).

Bij verschil van mening tussen de betrokkenen zal in beginsel – mede afhankelijk van de leeftijd – de wens van de minderjarige worden gehonoreerd, tenzij daartegen vanuit het belang van de minderjarige zwaarwegende bezwaren bestaan.

 

Onbevoegdheid (curatele of niet-tijdelijke stoornis van de geestvermogens), (art. 324 bk 1 BW)

Het onderzoek van de Raad richt zich op de consequenties van de curatele c.q. op de aard en de consequenties van de niet-tijdelijke stoornis.

Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden en wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.

 

Tijdelijke onmogelijkheid8.3.4.7 Tijdelijke onmogelijkheid en andere omstandigheden

- er is een voogd benoemd maar de voogdij is nog niet begonnen (art. 296 bk 1 BW);

- de voogd bevindt zich in de tijdelijke onmogelijkheid het gezag uit te oefenen (art. 297 bk 1 BW);

- het bestaan of de verblijfplaats van de voogd is onbekend (art. 297 bk I BW);

- de voogd blijft in gebreke het gezag uit te oefenen (art. 297 bk I BW).

 

Het onderzoek richt zich op de noodzaak van een tijdelijke regeling, c.q. op de tijdelijke onmogelijkheid, of op de (omstandigheden rond de) afwezigheid van de voogd dan wel op het in gebreke blijven van de gezagsuitoefening.

Onderzocht dient te worden wie in het belang van de minderjarige met het gezag belast moet worden en mogelijk ook wat de verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.

Indien de hierboven genoemde omstandigheden zijn vervallen, zal de kantonrechter de (tijdelijk)

voogd op eigen verzoek of op verzoek van degene die hij vervangt ontslaan tenzij gegronde vrees

bestaat dat bij inwilliging de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd.

Het onderzoek richt zich op de mogelijke verwaarlozing van de belangen van de minderjarige wanneer het verzoek zou worden toegewezen. De (tijdelijke) voogdij kan worden bestendigd als dit in het belang van de minderjarige is.

 

Ontslagverzoek door voogd zelf.3.4.8. Ontslagverzoek door voogd zelf (art. 322 bk 1 BW)

-als gevolg van geestelijke of lichamelijke gebreken;

-op grond van het bereiken van de 65-jarige leeftijd;

-op grond van bereidverklaring door een ander daartoe bevoegd persoon.

 

Indien een natuurlijk persoon verzoekt ontslagen te worden van de voogdij wordt een onderzoek ingesteld indien tussen betrokkenen geen consensus over een voor te stellen nieuwe voogd bestaat.

Voogdijopdracht aan pleegouders vindt slechts plaats wanneer het de bedoeling is dat de minderjarige blijvend in het gezin van de pleegouders wordt verzorgd.

Indien een voogdij-instelling vraagt om ontslagen te worden van de voogdij ten gunste van een van de pleegouders dan geeft een rapport van de instelling meestal voldoende informatie.

 

 

Verzoek tot gezamenlijke voogdij.3.4.9 Gezamenlijke voogdij

van een voogd en een ander die in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige staat (art. 282 bk I BW) In het onderzoek wordt nagegaan of sprake is van gegronde vrees dat bij inwilliging de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd.

 

 

8.1.5 Gezagsvoorziening na overlijden van de ouder die alleen het

gezag heeft.4. Gezagsvoorziening na overlijden van de ouder die alleen het gezag heeft, terwijl de andere ouder nog in leven is

8.1.5.1. Inleiding

8.1.5.2. Doel onderzoek.4.2. Onderzoek

8.1.5.3. Uitbreiding naar onderzoek 8.4.3. Uitbreiding naar onderzoek beschermingszakenopvoedingsproblemen

 

8.1.5 Gezagsvoorziening na overlijden van de ouder die alleen het

gezag heeft, terwijl de andere ouder nog in leven is.

 

8.1.5.1 Inleiding.4.1 Inleiding

Afhankelijk van de reden waarom het gezag bij een van de ouders is komen te berusten, is de rechtbank of de kantonrechter de bevoegde rechter om na het overlijden van deze ouder in het gezag te voorzien. Om deze reden is de gezagsvoorziening na overlijden van de ouder die alleen het gezag heeft, apart opgenomen in dit hoofdstuk.

 

De rechtbank is de bevoegde instantie wanneer:

- de overleden ouder na scheiding alleen het gezag uitoefende;

- of na uitoefening van het gezamenlijk gezag buiten huwelijk alleen het gezag had gekregen;

- de overlevende ouder ontheven of ontzet was en nu om het gezag verzoekt.

In de overige situaties is de kantonrechter bevoegd.

 

Indien de ouder overlijdt die alleen het gezag heeft, belast de rechter de overlevende ouder of een derde met het gezag. De rechter doet dit op verzoek van de overlevende ouder, de Raad of ambtshalve. Het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd.

Ook indien na het overlijden een voogd is aangesteld, kan de rechter te allen tijde alsnog de overlevende ouder, op diens verzoek, met het gezag belasten. Dit kan op grond van gewijzigde omstandigheden of op grond van het feit dat van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Indien de voogd bij testament was aangewezen, geniet de overlevende ouder de hiervoor genoemde voorkeurspositie, mits het verzoek is gedaan binnen een jaar na het begin van de voogdij. Nadien vindt een afweging plaats op grond van de omstandigheden.

 

8.1.5.2 Doel onderzoek.4.2 Onderzoek

Het uitbrengen van advies aan de rechter over de gezagsvoorziening na het openvallen van het gezag door het overlijden van de ouder die alleen het gezag had of over een verzoek tot wijziging van die gezagsvoorziening.

Het onderzoek is gericht op het al dan niet aanwezig zijn van de hiervoor onder Inleiding genoemde gronden. Met betrekking tot bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek geldt hetgeen vermeld staat onder 8.1.c.

 

8.1.5.3. Uitbreiding naar onderzoek 8.4.3. Uitbreiding naar onderzoek beschermingszakenopvoedingsproblemen

Indien tijdens het onderzoek sprake is van een vermoedelijke schending van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid en op grond daarvan een maatregel overwogen moet worden, kan de Raad ambtshalve ook daarnaar een onderzoek instellen.

Dit kan aan de orde zijn als het gaat om complexe situaties waarin sprake is van een strijd tussen

betrokken volwassenen met zeer nadelige gevolgen voor de minderjarige.

(Bij het ontbreken van gezag kan dit leiden tot de noodzaak van een voorlopige voogdij).

In een dergelijke situatie zal de Raad door tussenkomst van de praktijkleider (deze is er

verantwoordelijk voor dat multidisciplinair wordt getoetst of de zaak voldoet aan de criteria voor

dit onderzoek), besluiten een onderzoek te doen naar opvoedingsproblemen

De raadsonderzoeker stelt de belanghebbenden daarvan schriftelijk in kennis. Afhankelijk van de zaak besluit de praktijkleider of er al dan niet een andere raadsonderzoeker wordt ingezet. Zie verder hoofdstuk 8.1.1 en 8.1.c (bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek). Naar aanleiding van dit onderzoek wordt duidelijk herkenbaar verslag uitgebracht, hetzij in een apart hoofdstuk, hetzij in een afzonderlijk rapport.

De maximale onderzoeksduur voor deze twee onderzoeken tezamen bedraagt 18 weken.

 

8.2 Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang8.2 Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang

 

8.2.1 Inleiding8.2.1.Inleiding

8.2.2 Onderzoek8.2.2. Onderzoek

8.2.3 Uitbreiding naar onderzoek .2.3. Uitbreiding naar onderzoek beschermingszakenopvoedingsproblemen

8.2.4 Begeleiding omgangsregelingen.2.4. Begeleiding in omgangsregelingen

8.2.5 Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders.2.5. Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders

8.2.6 Voorlopige voorzieningen tijdens de (echt)scheidingsprocedure

8.2.7 Beëindiging gezamenlijk gezag

8.2.8 Gezagswijziging

 

8.2. Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang.2. Zaken betreffende (echt)scheiding en omgang

Opmerking: de hierna beschreven werkwijze is voorlopig: in afwachting van de besluitvorming over de uitkomsten van de experimenten die plaatsvinden in het kader van de aanbevelingen van de Commissie De Ruiter.

 

8.2.1 Inleiding.2.1 Inleiding

De rechter kan aan de Raad advies vragen met betrekking tot zaken betreffende (echt)scheiding en omgang waarbij fundamentele rechten en belangen van de minderjarige in het geding zijn. Tevens kan de Raad advies worden gevraagd met betrekking tot:

- de plicht van de verzorgende ouder de andere ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen;

- het recht van de niet-verzorgende ouder op informatie van derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van de minderjarige of diens verzorging en opvoeding betreffen.

 

Een verzoek om omgang kan door ouders worden ingediend en door degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige (bijv. familieleden, pleegouder(s), stiefouder(s)).

Tevens kan een rechter, indien hem blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambsthalve een omgangsregeling vaststellen of wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige jonger is dan twaalf jaar, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.

In het kader van een dergelijk verzoek kan de Raad op verzoek van de rechter ten behoeve van een beslissing over omgang een (proef)omgangsregeling opstarten en begeleiden. Gezien het specifieke karakter van de begeleiding in omgangszaken is dit in een apart hoofdstuk opgenomen (8.2.4.).

 

Wettelijke uitgangspunten zijn:

1. handhaving gezamenlijk gezag tenzij, in het belang van het kind, op verzoek van een of beide ouders, één ouder met het gezag wordt belast;

2. het kind en de niet-verzorgende ouder hebben recht op omgang met elkaar, tenzij de rechter dit recht ontzegt op een van de in de wet genoemde uitzonderingsgronden;

 

Daarnaast gelden voor de werkwijze van de Raad nog de volgende uitgangspunten:

  • De primaire verantwoordelijkheid van ouders om de rechten van het kind te effectueren,

dient te worden erkend en gerespecteerd. De Raad spreekt de ouders uitdrukkelijk

en consequent aan op hun gezamenlijke primaire opvoedingsverantwoordelijkheid en betracht terughoudendheid bij het overnemen van deze verantwoordelijkheid. Dit met het doel de ouders in staat te stellen gemeenschappelijk gedragen, duurzame regelingen tot stand te brengen, met erkenning van het kind als zelfstandige drager van rechten.

- De Raad bewaakt daarbij dat het belang van het kind bij de totstandkoming van de beoogde duurzame regelingen, voor de ouders altijd hun allereerste zorg is. Indien begeleiding nodig is wordt daarbij bij voorkeur en voor zover mogelijk, gebruik gemaakt van de beschikbare voorzieningen (zoals Bureau Jeugdzorg en AMW), teneinde de ouders te voorzien van passende bijstand bij de uitoefening van hun opvoedingsverantwoordelijkheid.

- Het recht van het kind op het onderhouden van een relatie met zijn beide ouders brengt voor de Raad de verplichting mee, de ouders te blijven aansporen duurzame regelingen te treffen waarbij de relatie van het kind met beide ouders wordt behouden en veilig gesteld.

 

 

 

8.2.2 Onderzoek.2.2 Onderzoek

Doel8.2.2.1.Doel

Het geven van informatie of het uitbrengen van een advies over gezag, verblijfplaats en /of omgang, naar aanleiding van de vraagstelling van de rechter.

 

Bevoegdheid8.2.2.2 Bevoegdheid

Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de minderjarige feitelijk verblijft.

 

Verantwoordelijkheid8.2.2.3 Verantwoordelijkheid

De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale onderzoek, waaronder het inschakelen van interne of externe gedragsdeskundigen en /of het inschakelen van interne juristen, en voor de besluitvorming op grond van alle terzake uitgebrachte rapportage.

De raadsonderzoeker is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek.

De praktijkleider kan besluiten het onderzoek door twee raadsonderzoekers te laten verrichten. Indien een gedragsdeskundige een (deel-)onderzoek instelt is deze zowel voor de inhoud als voor de uitvoering daarvan verantwoordelijk.

 

Procedure8.2.2.4 Procedure

De activiteiten van de Raad vinden plaats binnen een juridische procedure. Binnen deze procedure kan de raadsbemoeienis op verzoek van de rechter bestaan uit het volgende:

1. raadsondersteuning ter zitting

2. onderzoek bestaande uit fase a.- bemiddelen

fase b.- nadere informatieverzameling en advisering

3. begeleiding van omgangsregelingen (zie onder 8.2.4. en 8.2.5.)

 

ad 1. Raadsondersteuning ter zitting

Op verzoek van de rechter ondersteunt de raadsonderzoeker - na schorsing van de zitting - de ouders bij het, in het belang van de minderjarige, oplossen van hun conflict over de uitoefening van het gezag, de verblijfplaats en /of de omgang.

 

ad 2a. Bemiddelen.

Het onderzoek start in principe met het gezamenlijk uitnodigen van de ouders.

De raadsonderzoeker stelt vanaf het eerste onderzoekscontact pogingen in het werk om een (minimale) samenwerkingsrelatie met het cliëntsysteem te verkrijgen. Hij geeft de belanghebbenden uitleg omtrent de aanleiding, het doel en de opzet van het onderzoek en verstrekt, niet later dan tijdens het eerste contact, foldermateriaal over de werkwijze van de Raad, voor zover dit niet reeds in een eerdere fase heeft plaatsgevonden.

 

De raadsonderzoeker ondersteunt de ouders via bemiddeling bij het, in het belang van de kinderen, oplossen van hun conflicten over de uitoefening van het gezag, de verblijfplaats en /of over de omgangsregeling. Als de bemiddeling slaagt en de beide ouders hun gezamenlijke verantwoordelijkheid kunnen nemen, volstaat de Raad met het schriftelijk informeren van de rechter over de overeenstemming die de ouders hebben bereikt.

Als niet binnen vier weken blijkt dat de bemiddeling tot resultaat zal leiden wordt besloten nadere informatie te verzamelen en te adviseren.

 

ad 2b. Nadere informatieverzameling en advisering

Deze fase van het onderzoek is erop gericht de rechter te kunnen adviseren over het gezag, de verblijfplaats en /of omgangsregeling.

 

-In het onderzoek wordt met de betrokken ouders en eventuele verzorgers en de minderjarige van 12 jaar en ouder gesproken. Minderjarigen jonger dan 12 jaar worden in het onderzoek betrokken met inachtneming van hun leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Wanneer er niet met de genoemde gezagsdragers en /of verzorgers en /of minderjarigen is gesproken dient dit in het rapport te worden gemotiveerd.

 

 

-Informatie van derden

Indien de Raad het van belang acht voor het beantwoorden van de vraagstelling van de rechtbank kan informatie van derden in het onderzoek worden betrokken. Dit geschiedt altijd met medeweten van de belanghebbenden en in de regel met hun toestemming (al dan niet schriftelijk). Wanneer belanghebbenden toestemming weigeren, terwijl het raadplegen van een of meer informanten in het belang van het onderzoek noodzakelijk is, kan aan deze weigering voorbij worden gegaan. Tot het raadplegen van informanten met medeweten doch zonder toestemming van belanghebbenden kan worden overgegaan nadat hiertoe, in samenspraak met de praktijkleider, een gemotiveerd besluit is genomen en dit aan cliënten is meegedeeld.

In alle gevallen waarin het voorstel tot het betrekken van derden, als informant, dan wel het voorstel gebruik te maken van ander materiaal in het onderzoek, afkomstig is van (leden van) het cliëntsysteem of een derde zelf, wordt een gemotiveerd besluit genomen. Aan cliënten (en eventuele derden) wordt het besluit tot het al dan niet honoreren van dit voorstel meegedeeld.

Aan informanten wordt de folder voor informanten uitgereikt. De door informanten gegeven informatie moet schriftelijk gefiatteerd zijn.

 

-Multidisciplinair overleg en onderzoek

Indien daartoe aanleiding bestaat kan de praktijkleider bepalen dat interne of externe gedragsdeskundigen en /of juristen bij het onderzoek worden betrokken.

Inschakeling van een gedragsdeskundige is op twee momenten verplicht:

1. bij de formulering van de onderzoeksvragen en

2. bij de besluitvorming.

Daarnaast kan een gedragsdeskundige worden ingeschakeld op initiatief van de raadsonderzoeker of de praktijkleider.

Indien inschakeling van een extern gedragsdeskundige gewenst is, wordt hiertoe door de praktijkleider overgegaan met inachtneming van de daarvoor bij circulaire van 18 maart 1996/kenm. 546621/PJR door de Staatssecretaris van Justitie vastgestelde richtlijnen (Zie Bijlage 10.2)

 

- Termijn

Het onderzoek wordt afgesloten binnen een termijn van dertien weken, vanaf het moment van ontvangst van het verzoek tot onderzoek.

Van deze termijn kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer het belang van het onderzoek dit vereist, dan wel de omstandigheden daartoe dwingen. Van deze besluitvorming dienen de belanghebbenden schriftelijk in kennis te worden gesteld.

 

- Afsluiting onderzoek

Een onderzoek wordt afgesloten met een raadsrapport. Voor de rapportage wordt verwezen naar

hoofdstuk 3. Het rapport wordt in concept aan de belanghebbenden aangeboden. Deze

krijgen in beginsel een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het conceptrapport te reageren. Voor zover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd is deze zelf verantwoordelijk voor de bespreking daarvan. Informanten krijgen de door hen gegeven informatie in concept toegezonden.

 

8.2.3 Uitbreiding naar onderzoek 8.2.3 Uitbreiding naar onderzoek beschermingszakenopvoedingsproblemen

Indien tijdens het onderzoek sprake is van een vermoedelijke schending van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid en op grond daarvan een maatregel overwogen moet worden, kan de Raad ambtshalve ook daarnaar een onderzoek instellen.

Dit kan aan de orde zijn als het gaat om complexe situaties waarin sprake is van een strijd tussen betrokken volwassenen met zeer nadelige gevolgen voor de minderjarigen.

In een dergelijke situatie zal de Raad door tussenkomst van de praktijkleider (deze is er verantwoordelijk voor dat multidisciplinair wordt getoetst of de zaak voldoet aan de criteria voor dit onderzoek), besluiten een onderzoek in te stellen naar opvoedingsproblemen.

De raadsonderzoeker stelt de belanghebbenden daarvan schriftelijk in kennis. Afhankelijk van de zaak besluit de praktijkleider of er al dan niet een andere raadsonderzoeker op de zaak wordt ingezet.

 

Zie verder hoofdstuk 8.1.1 en 8.1.c (bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van het onderzoek). Naar aanleiding van dit onderzoek wordt duidelijk herkenbaar verslag uitgebracht, hetzij in een apart hoofdstuk, hetzij in een afzonderlijk rapport. Het besluit tot het instellen van een onderzoek naar opvoedingsproblemen laat onverlet dat advies aan de rechter wordt uitgebracht over gezag, verblijfplaats en omgangsregeling.

De maximale onderzoeksduur voor deze twee onderzoeken tezamen bedraagt 18 weken.

 

8.2.4. Begeleiding omgangsregelingen 8.2.4. Begeleiding in omgangsregelingen

Inleiding8.2.4.1 Inleiding

Onder begeleiding in omgangszaken wordt verstaan het op verzoek van de rechter op gang brengen van een (proef)omgangsregeling in het kader van de gerechtelijke procedure.

Het uitgangspunt hierbij is dat de ouders in eerste instantie uitdrukkelijk en consequent op hun primaire opvoedingsverantwoordelijkheid worden aangesproken. Dit met het doel hen in staat te stellen gemeenschappelijk gedragen, duurzame regelingen tot stand te brengen, met erkenning van de minderjarige als zelfstandig drager van rechten.

 

Doel8.2.4.2 Doel

Begeleiding in omgangszaken heeft tot doel (scheidende) ouders, gedurende een korte periode, ondersteuning te bieden en de omgangsregeling op haar uitvoerbaarheid en duurzaamheid te beproeven ten behoeve van een nog door de rechter te nemen beslissing.

 

Procedure8.2.4.3 Procedure

De begeleiding van omgang door de raadsonderzoeker binnen de juridische procedure omvat maximaal vijf omgangscontacten die, tenzij de rechter anders beslist, binnen drie maanden plaatsvinden.

Gedurende een korte periode kan de begeleiding daarnaast inhouden dat praktische hulp wordt geboden bij de uitvoering van de omgangsregeling zoals het regelen of beschikbaar stellen van een ontmoetingsruimte en het feitelijk begeleiden van het kind naar de niet-verzorgende ouder, zo mogelijk met gebruikmaking van de diensten van derden.

Over de resultaten van de begeleiding wordt de rechter schriftelijk geïnformeerd.

 

Uitbreiding naar onderzoek 8.2.4.4 Uitbreiding naar onderzoek beschermingszakenopvoedingsproblemen

Indien tijdens de begeleiding sprake is van een vermoedelijke schending van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid en op grond daarvan een maatregel overwogen moet worden, kan de Raad ambtshalve ook daarnaar een onderzoek instellen.

Dit kan aan de orde zijn als het gaat om complexe situaties waarin sprake is van een strijd tussen betrokken volwassenen met zeer nadelige gevolgen voor de minderjarigen. In een dergelijke situatie zal de Raad door tussenkomst van de praktijkleider (deze is er verantwoordelijk voor dat multidisciplinair wordt getoetst of de zaak voldoet aan de criteria voor dit onderzoek), besluiten een onderzoek te doen naar opvoedingsproblemen.

De raadsonderzoeker stelt de belanghebbenden daarvan schriftelijk in kennis. Afhankelijk van de zaak besluit de praktijkleider of er al dan niet een andere raadsonderzoeker op de zaak wordt ingezet.

Zie verder hoofdstuk 8.1.1. en 8.1.c (bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van onderzoek). Naar aanleiding van dit onderzoek wordt duidelijk herkenbaar verslag uitgebracht, hetzij in een apart hoofdstuk, hetzij in een afzonderlijk rapport. Het besluit tot het instellen van een onderzoek naar opvoedingsproblemen laat onverlet dat advies aan de rechter wordt uitgebracht op basis van het rapport over begeleiding van de omgangsregeling.

 

De maximale onderzoeksduur voor deze twee onderzoeken tezamen bedraagt 18 weken.

 

8.2.5 Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders.2.5 Omgangsregeling verzocht door anderen dan de ouders

Dit onderzoek is erop gericht de rechter te adviseren of het belang van het kind zich niet verzet tegen vaststelling van een omgangsregeling.

Voor het overige wordt met betrekking tot de werkwijze verwezen naar hetgeen hierboven staat beschreven. Indien in deze zaken begeleiding door de rechter wordt gevraagd vindt deze op dezelfde wijze plaats als beschreven onder ‘Procedure’ in 8.2.4.

 

8.2.6 Voorlopige voorzieningen tijdens de (echt)scheidingsprocedure

Gedurende een scheidingsprocedure kan aan de rechter verzocht worden de kinderen voorlopig toe te vertrouwen aan een van de ouders. Daarmee samenhangend kan ook een omgangsregeling gevraagd worden tussen het kind en de ouder bij wie het kind niet verblijft. Ook hierover kan de rechter aan de Raad advies vragen. De bemoeienis van de Raad is, op verzoek van de rechter, zoals omschreven in 8.2.2. De Raad is in de regel niet aanwezig bij zittingen waarbij voorlopige voorzieningen aan de orde zijn.

 

8.2.7 Beëindiging gezamenlijk gezag (art. 253n bk 1 BW)

Op verzoek van niet of niet meer met elkaar gehuwde ouders of op verzoek van een van hen kan de rechtbank het gezamenlijk gezag beëindigen. Dit is mogelijk op grond van gewijzigde omstandigheden of indien eerder van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank bepaalt aan wie van de ouders voortaan in het belang van het kind het gezag toekomt. De raadsbemoeienis is, op verzoek van de rechter, zoals beschreven in 8.2.2.

 

8.2.8 Gezagswijziging

1. Indien, door een beslissing van de rechter, één ouder met het gezag is belast kan daarvan wijziging gevraagd worden op grond van gewijzigde omstandigheden of omdat bij de beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Het verzoek kan worden ingediend door een of beide ouders. Indien verzocht wordt om alsnog gezamenlijk met het gezag belast te worden moet het verzoek van beide ouders afkomstig zijn (art. 253o bk 1 BW). [N.B. De kantonrechter is bevoegd indien de te wijzigen beschikking door de kantonrechter werd gegeven].

2. Indien één ouder het gezag heeft kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van deze ouder en een ander, die in een nauwe persoonlijk betrekking tot het kind staat, verzoekers gezamenlijk met het gezag belasten. Indien er een andere ouder is dienen verzoekers voorafgaand aan het verzoek tenminste 1 jaar gezamenlijk de zorg voor het kind te hebben gehad, terwijl de verzoekende ouder minstens 3 jaar alleen met het gezag belast moet zijn geweest. Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van de andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (art.253t bk 1 BW).

Met inachtneming van de wettelijke gronden is de raadsbemoeienis in deze zaken, op verzoek van de rechter, voor zover van toepassing, zoals beschreven in 8.2.2.

 

8.3 Overige civiele zaken

 

8.3.1 Adoptie(voorbereiding).6. Adoptie

8.3.1.1. Inleiding

.6.1. Inleiding8.3.1.2. Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie8.6.2. Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands pleegkind met het oog op adoptie (verzoek om beginseltoestemming)

8.3.1.3. Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een in Nederland geboren kind ter adoptie8.6.3. Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een in Nederland geboren kind met het oog op adoptie

8.3.1.4. Draagmoederschap8.6.4. Draagmoederschap

8.3.1.5. Partneradoptie.6.5. Partneradoptie

 

8.3.1. Adoptie(voorbereiding.6. Adoptie(voorbereiding))

 

8.3.1.1. Inleiding.6.1. Inleiding

Door adoptie komen de geadopteerde en de adoptiefouder(s) (en zijn /hun bloedverwanten) in familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan. Tegelijkertijd houden de familierechtelijke betrekkingen tussen de geadopteerde en zijn oorspronkelijke ouder(s) (en hun bloedverwanten) op te bestaan. Adoptie komt tot stand door een uitspraak van de rechter en is sinds 1998 niet meer alleen voorbehouden aan echtparen.

Ook twee ongehuwden, ook van gelijk geslacht, alsmede één persoon kunnen ingevolge het BW adoptie verzoeken.

 

De partneradoptie (waaronder ook de stiefouderadoptie) is een vorm van éénpersoonsadoptie. Bij deze vorm van adoptie blijft de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en de verzorgende ouder (en diens familie) wel bestaan.

 

Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft met een ouder ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking ophoudt te bestaan, kan de rechtbank bepalen dat zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar (art. 229 Bk 1 BW).

 

Het adoptieverzoek kan alleen worden toegewezen als aan de algemene en bijzondere voorwaarden die worden gesteld is voldaan. Als algemene voorwaarde geldt dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind moet zijn.

 

De bijzondere voorwaarden zijn, onder meer, dat:

a. ingeval van eenpersoonsadoptie, de adoptant het kind gedurende tenminste drie aaneengesloten jaren heeft verzorgd en opgevoed of, ingeval van adoptie door twee personen, zij het kind gedurende tenminste een jaar hebben verzorgd en opgevoed en de relatie tenminste drie jaar heeft bestaan;

b. ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben of ingeval van partneradoptie de verzorgende ouder alleen of samen met de partner-adoptant (van het andere geslacht) het gezag heeft;

c. geen der ouders het verzoek tegenspreekt;

d. het kind van 12 jaar of ouder geen bezwaren heeft tegen het adoptieverzoek.

 

Met betrekking tot onderzoeken van de Raad met het oog op adoptie zijn twee geheel verschillende situaties te onderscheiden:

1. In geval van adoptie van een buitenlands of Nederlands kind waarvan door de ouder(s) afstand wordt gedaan is er aanvankelijk geen sprake van enige relatie tussen het betreffende kind en aspirant-adoptiefouder(s);

2. Betreft het de adoptie van een kind van de partner van de adoptant dan is er juist wel sprake van een concrete relatie tussen het kind en de adoptant.

 

8.3.1.2. Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind ter adoptie.6.2. Onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind met het oog op adoptie (verzoek om beginseltoestemming)

Het onderzoek van de Raad heeft onder meer tot doel na te gaan of voldaan is aan de vereisten, zoals vermeld in art. 5, sub a. en b. en art. 15, lid 1 van het "Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie" van 29 mei 1993 (Tractatenblad 1993, 197), dat voor ons land op 1 oktober 1998 in werking is getreden.

 

Voorwaarde om in aanmerking te komen voor de opneming van een buitenlands kind (dit is een in het buitenland geboren en wonend kind) is, dat de Minister van Justitie aan de aspirant adoptiefouder(s) een verklaring geeft dat hij in beginsel voor die opneming toestemming verleent. Deze beginseltoestemming wordt pas verleend nadat de Raad een onderzoek heeft ingesteld naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouder(s) om een buitenlands kind te verzorgen en op te voeden.

Dit onderzoek vindt eerst plaats indien vaststaat dat de aspirant-adoptiefouder(s) voldoen aan de hierna genoemde vereisten gesteld bij de "Wet opneming buitenlandse kinderen met het oog op adoptie" (Stb 1988, nr 566, zoals gewijzigd bij de wet van 14 mei 1998, Stb 1998, 302).

Deze wet bepaalt dat twee personen slechts gezamenlijk een buitenlands kind kunnen adopteren indien zij gehuwd zijn. Zij moeten de adoptie dan ook gezamenlijk verzoeken. Daarnaast staat adoptie van een buitenlands kind open voor één persoon. Indien deze persoon gehuwd is of duurzaam samenleeft zal de inhoud van het onderzoek nagenoeg dezelfde zijn als wanneer adoptie door twee gehuwden gevraagd wordt.

De aspirant-adoptiefouder(s) mogen ten tijde van het indienen van het verzoek, behoudens bijzondere omstandigheden, de leeftijd van 42 jaar niet bereikt hebben.

Het op te nemen kind mag, behoudens bijzondere omstandigheden, op het moment van binnenkomst in Nederland de leeftijd van 6 jaar nog niet bereikt hebben.

Het leeftijdsverschil tussen aspirant-adoptief ouder(s) en kind mag, behoudens bijzondere omstandigheden, maximaal 40 jaar zijn. (Voor bijzondere omstandigheden: zie onder 8 in ‘Procedure’ in 8.3.1.2.).

Aspirant-adoptiefouder(s) moeten bereid zijn het kind preventief en curatief gangbare medische behandelingen te doen ondergaan.

Ter voorbereiding op het onderzoek zijn de aspirant-adoptiefouder(s) verplicht de voorlichting te volgen over opneming en adoptie van een buitenlands kind door het bureau Voorlichting Interlandelijke Adoptie (VIA).

 

Doel .6.2.1 Doel van het onderzoek

Op verzoek van het Ministerie van Justitie een onderzoek instellen naar en adviseren over de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouder(s) voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands adoptiekind.

 

Bevoegdheid

Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de aspirant-adoptiefouder(s) wonen.

 

Verantwoordelijkheid

De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale onderzoek, waaronder het inschakelen van interne of externe gedragsdeskundigen en /of het inschakelen van interne juristen, en voor de besluitvorming op grond van alle terzake uitgebrachte rapportage.

De raadsonderzoeker is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek.

De praktijkleider kan besluiten het onderzoek door twee raadsonderzoekers te laten verrichten.

Indien een gedragsdeskundige een (deel-)onderzoek instelt is deze zowel voor de inhoud als voor de uitvoering daarvan verantwoordelijk.

 

Procedure8.6.2.2. Inhoud van het onderzoek

1. Het onderzoek wordt niet aangevangen indien de aspirant-adoptiefouder(s) niet kunnen of willen voldoen aan de volgende twee voorwaarden:

- aspirant-adoptiefouder(s) c.q. aspirant-adoptiefouder en partner moeten zich akkoord verklaren met het opvragen door de Raad van een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister. De Raad hanteert bij de beoordeling van de gegevens uit dit register dezelfde criteria als bij de justitiële screening van pleeggezinnen (zie hoofdstuk 8.1.3).

- aspirant-adoptiefouder(s) c.q. aspirant-adoptief ouder en partner, moeten zich medisch laten keuren door een arts, die niet de eigen huisarts is, en van deze keuring een verklaring overleggen.

 

2. Het onderzoek wordt opgeschort indien blijkt dat:

a. de gezinssituatie gewijzigd is doordat in het gezin een eigen kind wordt verwacht of minder dan een jaar geleden een kind is geboren of overleden, dan wel binnen diezelfde termijn een pleegkind is geplaatst of juist uit het gezin naar elders is geplaatst. Voortzetting van het onderzoek vindt pas plaats een jaar nadat de wijziging in de gezinssituatie plaatsvond.

b. aspirant-adoptiefouder(s) een vruchtbaarheidsonderzoek of -behandeling ondergaan of de behandeling minder dan 3 maanden tevoren is afgesloten.

 

3. Het onderzoek is gericht op het verkrijgen van inzicht in de geschiktheid van de aspirant- adoptiefouder(s) en de eventuele (gehuwde) partner voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands adoptiekind en de mogelijke risicofactoren in het gezinssysteem van de aspirant-adoptiefouder(s), die een evenwichtige ontwikkeling tot volwassenheid van het adoptiekind zouden kunnen belemmeren. De feitelijke situatie waarin het kind terecht

komt bepaalt wie betrokken wordt bij het gezinsonderzoek.

Bij de afweging van genoemde risico’s staat het belang van het kind centraal.

 

4. In het onderzoek gaat de Raad na hoe de aspirant-adoptiefouder(s) en de eventuele (gehuwde) partner met de ontvangen voorlichting zijn omgegaan.

 

5. Voor de oordeelsvorming van de Raad is het van belang te weten of de aspirant- adoptiefouder(s) en de eventuele (gehuwde) partner bereid zijn het op te nemen adoptiekind zo spoedig mogelijk voor te lichten over zijn afkomst en voor wat betreft de partner of deze bereid is financiële en juridische verantwoordelijkheid te gaan dragen.

 

6 In het onderzoek van de Raad moet in het licht van het hiervoor genoemde Verdrag van 29 mei 1993 ten minste aandacht worden besteed aan:

- de identiteit van aspirant-adoptiefouder(s) en de eventuele (gehuwde) partner;

- hun persoonlijke achtergrond;

- gezinssituatie en medisch verleden;

- hun sociale milieu;

- hun beweegredenen voor adoptie;

- hun geschiktheid om te adopteren en;

- voor welke adoptiefkinderen zij geschikt zouden zijn (eventueel oudere of gehandicapte kinderen, meer dan één kind tegelijk).

 

Daarnaast zijn aandachtspunten: hoe gaat men om met problemen en spanningen, waaronder het verwerken van kinderloosheid, de identiteitsvorming van het buitenlandse kind, de wensen ten aanzien van het op te nemen buitenlandse kind, verwachtingen over de eigen opvoedingsmogelijkheden en mogelijke discriminatie van het buitenlandse kind en andere bijzonderheden betreffende het kind.

 

Bij adoptie door een alleenstaande zal extra aandacht dienen te worden besteed aan het sociale netwerk waarbinnen deze functioneert en wat deze een adoptiekind denkt te kunnen bieden op het terrein van beschikbaarheid en emotionele stabiliteit.

 

7. Het onderzoek zal een beperkter, dan wel een aanvullend karakter hebben wanneer het onderzoek door het Ministerie van Justitie gevraagd wordt voor een beslissing over:

- verlenging van de geldigheidsduur van een beginseltoestemming, die op 3 jaar is bepaald;

- de voorgenomen intrekking van de beginseltoestemming;

- de opneming van een tweede of volgend kind;

- de afgifte van een vergunning tot verblijf voor een kind dat minder dan een jaar tevoren ter adoptie is opgenomen tijdens een periode waarin de aspirant-adoptiefouder(s) hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden (art. 11 Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie).

 

8. De Raad gaat bij verzoeken om onderzoek naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden op grond van art. 3, 5, of 8 Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie uit van de Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 1998-II van 19 oktober 1998.

Dit betreft respectievelijk de opneming van meer dan één kind tegelijk, overschrijding van de leeftijdsgrenzen van aspirant- adoptiefouder(s), overschrijding van het leeftijdsverschil tussen aspirant-adoptiefouder(s) en het kind en overschrijding van de maximale leeftijdsgrens van het kind.

Wat betreft de leeftijd van aspirant-adoptiefouder(s) is het niet meer mogelijk een beroep te doen op bijzondere omstandigheden indien beide aspirant-adoptiefouders ten tijde van het indienen van het verzoek de leeftijd van 44 jaar hebben bereikt, of indien redelijkerwijs te verwachten is dat de oudste aspirant-adoptiefouder op het tijdstip van de beslissing over de verlening van een beginseltoestemming de leeftijd van 46 zal hebben bereikt. Een alleenstaande mag ten tijde van het indienen van het verzoek de leeftijd van 44 jaar niet hebben bereikt.

De beoordeling van verzoeken van aspirant-adoptiefouder(s) waarin sprake is van leeftijdsoverschrijding vindt plaats op grond van het zogenaamde "nee-tenzij principe". Dat wil zeggen dat het verzoek wordt afgewezen tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die tot uitdrukking komen in de afwezigheid van bijzondere risico’s. Dit geldt ook voor de opname van een tweede of volgend kind.

Bij de start van het onderzoek stelt een gedragsdeskundige van de Raad een zgn. IBO-profiel op (Instrumentarium Bijzondere Omstandigheden). Aan de hand van de in dit verband door de aspirant-adoptiefouder(s) ingevulde vragenlijsten worden mogelijke bijzondere risico’s voor de opname van een adoptiekind afgeleid. Vanwege het hiervoor genoemde vereiste leeftijdsverschil tussen aspirant-adoptiefouder(s) en het kind, van maximaal 40 jaar, gaat het in deze gevallen behoudens bijzondere omstandigheden om kinderen van 2 jaar of ouder. Voor het onderzoek geldt verder hetgeen hiervoor vermeld staat onder 8.3.1.2.1. t/m 8.3.1.2.4., punt 7.

 

  • Termijn

Het onderzoek wordt afgesloten binnen een termijn van dertien weken, vanaf het moment van ontvangst van het verzoek tot onderzoek.

Van deze termijn kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer het belang van het onderzoek dit vereist, dan wel de omstandigheden daartoe dwingen. Van deze besluitvorming dienen de belanghebbenden schriftelijk in kennis te worden gesteld.

 

  • Afsluiting onderzoek

Een onderzoek wordt afgesloten met een raadsrapport. Voor de rapportage wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Het rapport wordt in concept aan de belanghebbenden aangeboden. De belanghebbenden krijgen in beginsel een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het conceptrapport te reageren. Voor zover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd is deze zelf verantwoordelijk voor de bespreking daarvan. Informanten krijgen de door hen gegeven informatie in concept toegezonden.

 

Voor alle rapporten met betrekking tot onderzoeken i.v.m. het opnemen van een buitenlands kind met het oog op adoptie geldt dat deze rapporten, indien deze leiden tot een positief advies, niet kunnen worden afgegeven, ook niet in conceptvorm. Indien de Raad negatief adviseert en het Ministerie van Justitie op grond daarvan geen beginseltoestemming verleent kan afgifte plaatsvinden.

 

8.3.1.3. Onderzoeken in verband met het opnemen van een in Nederland geboren kind ter adoptie8.6.3. Onderzoeken in verband met het opnemen van een in Nederland geboren kind met het oog op adoptie

Indien in Nederland een kind geboren wordt dat ter adoptie wordt afgestaan (zie 8.1.2.) of dat langs andere weg voor adoptie in aanmerking komt, worden aspirant-adoptiefouder(s) benaderd die op dat moment reeds in het bezit zijn van een beginseltoestemming voor opname van een buitenlands kind en van wie verwacht wordt dat zij ook bereid en geschikt zijn een in Nederland afgestaan kind te adopteren.

 

Bij de keuze van de aspirant-adoptiefouder(s) wordt zoveel mogelijk met de eventuele wensen van de afstandsouder(s) rekening gehouden.

De Raad bevordert dat het kind, drie maanden nadat de afstandsouder(s) toestemming hebben gegeven voor de adoptie van dit kind, bij de aspirant-adoptiefouders wordt geplaatst. De Raad wijst zowel de afstandsouder(s) als de aspirant-adoptiefouder(s) erop dat de toestemming tot adoptie door de afstandsouder(s) kan worden ingetrokken totdat de adoptie door een rechterlijke uitspraak is geformaliseerd.

De Raad zal met de in aanmerking komende aspirant-adoptiefouder(s) een aanvullend contact hebben over de vraag hoe zij na een eventuele plaatsing van een kind denken te zullen omgaan met het desgevraagd informeren van de afstandsouder(s) over de ontwikkeling van het kind en vragen van het kind over zijn herkomst.

De Raad acht de bereidheid van aspirant-adoptiefouder(s) tot het geven van de gevraagde informatie van wezenlijk belang. Gewezen dient te worden op de mogelijkheid van wederzijds contact tussen afstandsouder(s) en kind.

 

8.3.1.4.Draagmoederschap.6.4.Draagmoederschap

In Nederland wordt ten aanzien van draagmoederschap een ‘ontmoedigingsbeleid’ gehanteerd. Dit zal in het bijzonder benadrukt worden indien vóór de bevruchting vragen worden gesteld.

Indien wensouders een kind willen opnemen binnen 6 maanden na de geboorte moeten zij daartoe vooraf schriftelijk toestemming aan de Raad vragen (art. 241, lid 3 bk 1 BW). Bovendien zijn zij verplicht binnen een week na opneming van een kind in hun gezin, ook indien dit kind ouder is dan 6 maanden, Burgemeester en Wethouders van de gemeente waar het pleegkind verblijft schriftelijk daarvan in kennis te stellen (art. 5 Pleegkinderenwet). Nalaten van een en ander is strafbaar. De gemeente dient deze melding door te geven aan de Raad, die een onderzoek kan instellen.

[NB: een kind dat jonger is dan 18 jaar en verzorgd en opgevoed wordt door bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad geldt niet als pleegkind (art. 1, lid 1 Pleegkinderenwet), zie ook hoofdstuk 8.1.3.3].

Als opname in een pleeggezin ondanks het ontmoedigingsbeleid niettemin plaats vindt en goed verloopt kan de Raad gevraagd worden de ontheffing van de moeder c.q. de ouders aanhangig te maken, zulks ter voorbereiding op adoptie.

 

8.3.1.5. Partneradoptie (vorm van éénpersoonsadoptie).6.5. Partneradoptie (vorm van éénpersoonsadoptie)

Doel van het onderzoek

Wanneer de rechtbank de Raad om onderzoek en advies vraagt gaat hij na of de adoptie in het kennelijk belang van het te adopteren kind is.

 

Bijzondere voorwaarden voor partneradoptie zijn:

1. dat de verzorgende ouder alleen of samen met de partner het gezag heeft.

2. dat de adoptant en de ouder het kind gedurende ten minste drie aaneengesloten jaren hebben verzorgd en opgevoed.

De ouder-niet-gezagsdrager van het kind kan de adoptie van zijn kind door een partner van de andere ouder in beginsel tegenhouden; één van de voorwaarden voor adoptie is namelijk dat geen der ouders het verzoek mag tegenspreken.

Aan de tegenspraak van deze ouder kan echter worden voorbij gegaan:

- indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd, of

- indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of

- indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van één van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV (misdrijven tegen de burgerlijke staat, misdrijven tegen de zeden en verlating van hulpbehoevenden) en XVIII tot en met XX (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid, misdrijven tegen het leven gericht, afbreking van zwangerschap en mishandeling) van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.

 

De Raad stelt op verzoek van de rechter een onderzoek in nadat uit de behandeling van het verzoek tot partneradoptie door de rechtbank is gebleken dat de ouder-niet-gezagsdrager het verzoek niet tegenspreekt.

 

In het onderzoek door de Raad wordt aandacht besteed aan de vraag of het kind wordt voorgelicht door de ouder en partner over zijn biologische afkomst.

Tevens wordt aandacht besteed aan de relatie tussen het kind en de ouder-niet-gezagsdrager (eventuele omgangsregeling).

 

De termijn voor het raadsonderzoek is maximaal 13 weken.

 

  • Afsluiting onderzoek

Een onderzoek wordt afgesloten met een raadsrapport. Voor de rapportage wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Het rapport wordt in concept aan de belanghebbenden aangeboden. Deze krijgen in beginsel een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het conceptrapport te reageren. Voor zover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd is deze zelf verantwoordelijk voor de bespreking daarvan. Informanten krijgen de door hen gegeven informatie in concept toegezonden.

 

 

8.3.2. Naamswijziging8.7. Naamswijziging

 

8.3.2.1. Inleiding8.7.1. Inleiding

8.3.1.2. Onderzoek8.7.2. Onderzoek

8.7.3. Rapportage8.3.2.3. Overgang naar / samenloop met onderzoek omgangsregeling.7.4. Overgang naar / samenloop met onderzoek omgangsregeling

8.3.2.4. Uitbreiding naar onderzoek 8.7.5. Uitbreiding naar onderzoek beschermingszakenopvoedingsproblemen

 

8.3.2 Naamswijziging

 

8.3.2.1 Inleiding.7.1 Inleiding

Indien via het Ministerie van Justitie wijziging van de geslachtsnaam wordt gevraagd en één van de ouders of beide ouders bezwaar maakt /maken dan dient de Raad in íeder geval advies uit te brengen aan het Ministerie van Justitie (directie bestuurszaken).

Binnen de facultatíeve bevoegdheid van de minister dient de Raad desgevraagd ook advies uit te brengen als geen statusvoorlichting blijkt te hebben plaatsgevonden, dan wel daarover twijfel bestaat, ook al is geen bezwaar aangetekend door één van de ouders (of beide ouders).

Indien geslachtsnaamswijziging tegelijkertijd wordt gevraagd met een verzoek om gezamenlijk gezag of voogdij kan ook de rechter advies vragen aan de Raad omtrent die wijziging.

 

8.3.2.2 Onderzoek.7.2 Onderzoek

Doel8.7.2.1 Doel

Het op systematische en procesmatige wijze verzamelen van relevante gegevens om te komen tot een zorgvuldig advies met betrekking tot het verzoek om naamswijziging waarbij wordt nagegaan of het belang van het kind zich tegen inwilliging van het verzoek verzet.

 

Bevoegdheid8.7.2.2 Bevoegdheid

Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de minderjarige feitelijk verblijft.

 

Verantwoordelijkheid8.7.2.3 Verantwoordelijkheid

De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale onderzoek, waaronder het inschakelen van interne of externe gedragsdeskundigen en /of het inschakelen van interne juristen, en voor de besluitvorming op grond van alle terzake uitgebrachte rapportage. De raadsonderzoeker is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek. De praktijkleider kan besluiten het onderzoek door twee raadsonderzoekers te laten verrichten.

Indien de gedragsdeskundige een (deel-)onderzoek instelt is deze zowel voor de inhoud als voor de uitvoering daarvan verantwoordelijk.

 

Procedure8.7.2.4 Procedure

Het onderzoek valt uiteen in:

a. voorlichting aan belanghebbenden;

b. toetsing van de vijf hierna genoemde criteria.

 

ad a. Voorlichting

- De raadsonderzoeker stelt vanaf het eerste onderzoekscontact pogingen in het werk om een (minimale) samenwerkingsrelatie met het cliëntsysteem te verkrijgen.

Hij geeft de belanghebbenden uitleg omtrent de aanleiding, het doel en de opzet van het onderzoek en verstrekt, niet later dan tijdens het eerste contact, foldermateriaal over de werkwijze van de Raad, voor zover dit niet reeds in een eerdere fase heeft plaatsgevonden.

De raadsonderzoeker geeft informatie over de specifieke aspecten en gevolgen van naamswijziging. Indien statusvoorlichting niet heeft plaatsgevonden, is dat ontbreken op zichzelf in beginsel een belemmering voor de inwilliging van een verzoek. De raadsonderzoeker bevordert dat alsnog tot (adequate) statusvoorlichting wordt gekomen.

 

- In het onderzoek wordt met de betrokken ouders en eventuele verzorgers en de minderjarige van 12 jaar en ouder gesproken. Minderjarigen jonger dan 12 jaar worden in het onderzoek betrokken met inachtneming van hun leeftijd en ontwikkelingsniveau. Wanneer er niet met de genoemde gezagsdragers en /of verzorgers c.q. minderjarigen is gesproken dient dit in het rapport te worden gemotiveerd.

 

De raadsonderzoeker gaat uit van de feitelijke omstandigheden zoals hij deze aantreft. Hij verdiept zich dus niet in het ontstaan van omstandigheden en in de rol die ieder van de ouders hierbij gespeeld heeft. Hij draagt deze opstelling duidelijk uit naar de belanghebbenden.

 

Indien de voorlichting ertoe leidt, dat het verzoek of het bezwaar wordt ingetrokken, bericht de Raad dit schriftelijk aan betrokkenen en aan het Ministerie van Justitie.

 

ad b. Toetsing

Indien de voorlichting niet leidt tot intrekking van het bezwaar of intrekking van het verzoek toetst de raadsonderzoeker het verzoek aan de volgende vijf criteria:

1. is het kind voorgelicht omtrent zijn afkomst (zgn. statusvoorlichting)?

2. eenheid van naam in het gezin;

3. voert het kind de gevraagde naam reeds in de praktijk en hoe lang doet het dit al?

4. de rol die beide ouders in het leven van het kind hebben, alsmede de kontakten tussen het kind en de beide ouders;

5. wordt de bestaande gezinssituatie door het kind geaccepteerd?

 

- Informatie derden

Indien de Raad het van belang acht voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen kan informatie van derden in het onderzoek worden betrokken. Dit geschiedt altijd met medeweten van de belanghebbenden en in de regel met hun (schriftelijke) toestemming. Wanneer belanghebbenden toestemming weigeren, terwijl het raadplegen van een of meer informanten in het belang van het onderzoek noodzakelijk is, kan aan deze weigering voorbij worden gegaan. Tot het raadplegen van informanten met medeweten doch zonder toestemming van belanghebbenden kan worden overgegaan nadat hiertoe, in samenspraak met de praktijkleider, een gemotiveerd besluit is genomen en dit aan cliënten is meegedeeld.

In alle gevallen waarin het voorstel tot het betrekken van derden, als informant, dan wel het voorstel gebruik te maken van ander materiaal in het onderzoek, afkomstig is van (leden van) het cliëntsysteem of een derde zelf, wordt een gemotiveerd besluit genomen. Aan cliënten en eventuele derden wordt het besluit tot het al dan niet honoreren van dit voorstel meegedeeld.

Aan informanten wordt de folder voor informanten uitgereikt. De door informanten gegeven informatie moet schriftelijk gefiatteerd zijn.

 

-Multidisciplinair overleg en onderzoek

Indien daartoe aanleiding bestaat kan de praktijkleider bepalen dat interne of externe gedragsdeskundigen en /of juristen bij het onderzoek worden betrokken.

Inschakeling van de gedragsdeskundige is op twee momenten verplicht:

1. bij de formulering van de onderzoeksvragen en

2. bij de besluitvorming.

Daarnaast kan de gedragsdeskundige worden ingeschakeld op initiatief van de raadsonderzoeker of de praktijkleider.

Indien inschakeling van een extern gedragsdeskundige gewenst is, wordt hiertoe door de praktijkleider overgegaan met inachtneming van de daarvoor bij circulaire van 18 maart 1996/kenm. 546621/PJR door de Staatssecretaris van Justitie vastgestelde richtlijnen. (Zie Bijlage 10.2.)

 

-Termijn Het onderzoek wordt afgerond binnen een termijn van drie maanden gerekend vanaf de ontvangst van het verzoek van het Ministerie van Justitie tot onderzoek. Deze termijn kan bij wijze van uitzondering met maximaal drie maanden worden verlengd. Het ministerie wordt hiervan schriftelijk en gemoti-veerd op de hoogte gesteld.

 

-Afsluiting onderzoek.7.3 Rapportage Een onderzoek wordt afgesloten met een raadsrapport, waarin het advies is opgenomen.

In de rapportage wordt in elk geval aan de volgende aspecten aandacht besteed:

-de motieven van de verzoeker om naamswijziging te vragen;

-de vijf genoemde criteria worden alle belicht;

-de mening van de minderjarige (in elk geval die van de minderjarige van 12 jaar en ouder).

Voor het overige wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Het rapport wordt in concept aan de belanghebbenden aangeboden. Deze krijgen daarna in beginsel een week de gelegenheid om op het conceptrapport te reageren. Voor zover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel in de rapportage heeft verzorgd is deze zelf verantwoordelijk voor de bespreking daarvan. Informanten krijgen de door hen gegeven informatie in concept toegezonden.

De Raad adviseert negatief, indien de minderjarige van twaalf jaar of ouder (alsnog) weigert in te stemmen met de verzochte naamswijziging of indien de belangen van het kind zich tegen inwilliging verzetten.

 

8.3.2.3 Overgang naar /samenloop met onderzoek omgangsregeling.7.4 Overgang naar/samenloop met onderzoek omgangsregeling

De (eventuele) naamswijziging is geen beletsel voor het hebben van omgang tussen het kind en de niet- verzorgende ouder. Indien naar aanleiding van het naamswijzigingonderzoek de niet-verzorgende ouder, die geen contact (meer) heeft met zijn kind (weer) een omgangsregeling op gang wil brengen, legt de raadsonderzoeker de ouder de mogelijkheden voor het verkrijgen van een omgangsregeling (vrijwillig of via een procedure) uit. Verwezen wordt naar hoofdstuk 8.2. Dit laat onverlet dat het advies omtrent het verzoek om naamswijziging aan het Ministerie van Justitie wordt uitgebracht.

Indien de rechtbank (ingeval van een aangespannen procedure voor het verkrijgen van een omgangsregeling) de Raad (vervolgens) om advies vraagt dan wel het de Raad wenselijk voorkomt ongevraagd te adviseren, kan de Raad hierbij binnen een tijdsbestek van één jaar gebruik maken van de informatie die tijdens het naamswijzigingonderzoek is verkregen.

 

8.3.2.4 Uitbreiding naar onderzoek 8.7.5 Uitbreiding naar onderzoek beschermingszakenopvoedingsproblemen

Indien tijdens het onderzoek sprake is van een vermoedelijke schending van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid en om die reden een maatregel overwogen moet worden kan de Raad ook daarnaar een onderzoek instellen. Dit kan aan de orde zijn als het gaat om complexe situaties waarin sprake is van een strijd tussen betrokken volwassenen met zeer nadelige gevolgen voor de minderjarigen. In een dergelijke situatie zal de Raad door tussenkomst van de praktijkleider (deze is er verantwoordelijk voor dat multidisciplinair wordt getoetst of de zaak voldoet aan de criteria voor dit onderzoek), besluiten tot het ambtshalve doen van een onderzoek naar opvoedingsproblemen.

De raadsonderzoeker stelt de belanghebbenden daarvan schriftelijk in kennis.

Zie verder hoofdstuk 8.1.1 en 8.1.c (bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure van onderzoek).

 

Als deze situatie zich voordoet, zal de Raad het Ministerie laten weten, dat het advies met betrekking tot de verzochte naamswijziging zal worden aangehouden gedurende een periode van 13 weken (de duur van het beschermingsonderzoek). De uitkomst van het ambtshalve ingestelde beschermingsonderzoek kan immers van invloed zijn op het advies met betrekking tot de verzochte naamswijziging.

 

 

8.3.3 Meerderjarigverklaring

 

8.3.3 Meerderjarigverklaring

 

De minderjarige ongehuwde moeder kan, als zij de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, de kinderrechter verzoeken om haar meerderjarig te verklaren en haar met het gezag te belasten. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de minderjarige zelf actie onderneemt richting kinderrechter. Het verzoek kan ten behoeve van de minderjarige moeder ook door de Raad worden gedaan. Deze heeft hiervoor de schriftelijke toestemming van de minderjarige moeder nodig. De kinderrechter willigt het verzoek in, indien hij dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk oordeelt.

 

Onderzoek

Doel

Wanneer de kinderrechter de Raad om onderzoek en advies vraagt gaat hij na of de meerderjarigverklaring in het belang van de moeder en haar kind is.

 

Inhoud

- Nagaan of de moeder in staat is het kind te verzorgen en op te voeden. Aan de wens van de minderjarige moeder wordt zwaar gewicht toegekend.

- De vader-erkenner dient in het onderzoek betrokken te worden. Hij kan namelijk ook het gezag vragen.

- Indien reeds in het gezag over het kind is voorzien moet die gezagsdrager in het onderzoek worden betrokken.

- De Raad overlegt met de instellingen die eventueel betrokken zijn bij de begeleiding van de minderjarige moeder.

- In het algemeen worden degenen die het gezag over de de minderjarige moeder hebben (dit kunnen de ouders van de minderjarige moeder zijn) in het onderzoek betrokken. Indien het in het belang van de minderjarige moeder en het kind nodig is kan ervan worden afgezien degenen die het gezag over de minderjarige moeder hebben in het onderzoek te betrekken. De Raad zal dit moeten motiveren in zijn rapport. Degene(n) die het gezag over de minderjarige moeder heeft /hebben zal /zullen als belanghebbende(n) in de procedure door de kinderrechter worden opgeroepen.

 

Voor de rapportage wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Het rapport wordt in concept aan de belanghebbenden aangeboden. Deze krijgen in beginsel een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het conceptrapport te reageren. Voor zover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd is deze zelf verantwoordelijk voor de bespreking daarvan. Informanten krijgen de door hen gegeven informatie in concept toegezonden.

 

 

8.3.4 Afstammingsvragen.9. Afstammingsvragen

 

8.3.4 Afstammingsvragen

 

De Raad wordt regelmatig geconfronteerd met verzoeken in verband met afstamming. Hiervan kan sprake zijn in zogenoemde post-adoptiezaken, maar ook in beschermingszaken (in het bijzonder terzake opvoedingsproblemen)

Voor verzoeken ten aanzien van eerstgenoemde zaken worden cliënten veelal verwezen naar de FIOM.

 

Er kunnen twee typen verzoeken worden onderscheiden namelijk

1. verzoeken om informatie en

2. verzoeken om bemiddeling.

Beide soorten verzoeken kunnen afkomstig zijn van (afstands-)ouders, en van kinderen (al dan niet geadopteerd) en adoptief- of pleegouders.

 

ad 1. Een verzoek om informatie kan betreffen:

- informatie uit eventueel bij de Raad aanwezige documenten over het kind, de adoptief- of

pleegouders en de (afstands-)ouder(s).

Op een dergelijk verzoek zijn de uitgangspunten met betrekking tot openbaarheid van toepassing (zie hoofdstuk 5). Voor een kind geldt daarbij dat hij recht heeft te weten van wie hij afstamt. Dit betekent echter niet dat hij zondermeer inzage in of afgifte van alle eventueel aanwezige informatie krijgt.

 

ad 2. Een verzoek om bemiddeling kan betreffen:

- informatie over het kind, de adoptief- of pleegouders en de (afstands-)ouders welke niet bij de

Raad berust

- de wens van de (afstands-)ouder(s) om in contact te komen met het kind of

de wens van het kind om in contact te komen met de (afstands-)ouder(s).

Voor zover deze verzoeken niet verwezen worden naar de FIOM zal de Raad een gesprek hebben

met de verzoeker voor toelichting op het verzoek. Tevens zal de raad pogingen doen om in

contact te komen met het kind c.q. de ouder teneinde te kunnen bemiddelen ten aanzien van het

verzoek om informatie of contact.

 

 

8.3.5 Weggelopen minderjarigen8.10 Weggelopen minderjarigen

 

8.3.5 Weggelopen minderjarigen

 

Aan een weggelopen minderjarige kan hulp worden verleend, in de vorm van het verschaffen of regelen van onderdak, door een officiële (d.i. een door de overheid gesubsidieerde) instelling of door een niet-officiële instelling (dit kan ook een particulier zijn). Een ieder die een weggelopen minderjarige aan onderdak helpt moet dit onverwijld melden aan degene(n) die het gezag heeft (hebben) over de minderjarige. Ingeval van een ondertoezichtstelling dient ook de gezinsvoogdij-instelling geïnformeerd te worden.

Een niet-officiële instelling of een particulier moet tevens zijn identiteit en zijn verblijfplaats bekendmaken aan de gezagsdrager(s). Deze melder kan er echter ook voor kiezen een melding te doen aan de Raad voor de Kinderbescherming, waarbij de verblijfplaats van de minderjarige aan de Raad bekend gemaakt moet worden.

Het niet melden op de voorgeschreven wijze aan de gezagsdrager(s) of aan de Raad is strafbaar.

 

Intake

Een officiële instelling die zelf geen plaatsende instelling is moet zo spoedig mogelijk een plaatsende instelling, met opgave van redenen, informeren over de plaatsing. Een officiële instelling is niet verplicht aan de Raad te melden. De plaatsende instelling moet op haar beurt binnen 14 dagen nagaan of verdere plaatsing en begeleiding voor de minderjarige aangewezen is. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de hiervoor genoemde hulpverlening wel noodzakelijk is, maar dat de gezagsdrager(s) niet mee wil(len) werken dan is nader onderzoek door de Raad aangewezen.

(zie hierna 5.)

 

Procedure

Indien een niet-officiële instelling cq een particulier aan de Raad het weglopen van een minderjarige meldt wordt de volgende procedure gevolgd:

 

1. de gegevens van de melding worden zorgvuldig genoteerd omdat deze van belang

kunnen zijn mede in een mogelijke door de gezagsdrager(s) aan te spannen strafzaak tegen de (medewerker van de) niet-officiële instelling c.q. de particulier die onderdak verleende aan de weggelopen minderjarige. Het aannemen van de melding wordt gedaan door de raadsonderzoeker die met de intake is belast (zie hoofdstuk 8.1.b.).

Naast de gebruikelijke personalia worden in ieder geval genoteerd:

- datum van melding, datum van weglopen en datum van inschakeling instelling c.q. particulier;

- verblijfplaats minderjarige;

- naam van de instelling of van de particulier;

- adres van de instelling of particulier.

 

2. De Raad informeert de melder dat de Raad via archief, Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en Justitieel Documentatieregister (JDR) zal nagaan of er bezwaren bekend zijn ten aanzien van degene die de minderjarige opvangt. Indien degene die de minderjarige opvangt aangeeft een erkend pleeggezin te zijn wordt dit bij de voorziening van pleegzorg nagetrokken.

 

3. De Raad vraagt de melder of deze de gezagsdrager(s) reeds op de hoogte heeft gesteld. In ieder geval informeert ook de Raad zelf onverwijld de gezagsdrager(s) over de melding. Hij deelt dan tevens mee met welke medewerker van de Raad daarover contact kan worden opgenomen en wat de Raad gaat doen c.q. dat nader bericht volgt. De verblijfplaats van de minderjarige moet aan de gezagsdragers bekend worden gemaakt tenzij het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.

Zodra het belang van de minderjarige zich hier niet meer tegen verzet moet(en) degene(n) die met het gezag over de minderjarige zijn belast door de Raad over de verblijfplaats van de minderjarige worden ingelicht.

 

4. De Raad raadpleegt zo spoedig mogelijk het archief, waarbij wordt nagegaan of het

opvanggezin bekend is, en vraagt informatie bij de GBA en het Justitieel Documentatieregister overeenkomstig de procedure bij aanvraag van een Verklaring van geen bezwaar (zie hoofdstuk 8.1.3.1). Indien nodig wordt de zaak aangemeld bij een voorziening van pleegzorg.

 

5. Indien besloten wordt tot een onderzoek door de Raad wordt het opvangadres /gezin zo spoedig mogelijk na de melding bezocht. Met de minderjarige wordt apart gesproken.

Bijzondere aandacht verdient het schoolbezoek van de minderjarige.

Zie verder hoofdstuk 8.1.1 en 8.1.c.

 

6. Indien er geen reden is voor een onderzoek wordt dit schriftelijk aan de gezagsdrager(s), de minderjarige van 12 jaar en ouder en degene die onderdak verschafte of regelde meegedeeld. Bij de besluitvorming wordt de mogelijkheid van verwijzing naar een hulpverleningsinstelling betrokken.

 

 

8.3.6 Opneming kind bij een ouder in een inrichting8.11 Opneming kind bij een ouder in een inrichting

 

8.3.6 Opneming kind bij een ouder in een inrichting

 

Indien een gedetineerde, een t.b.s.-gestelde of een jeugdige, die in een penitentiaire inrichting, een t.b.s.-inrichting of een justitiële jeugdinrichting verblijft, haar of zijn kind in een inrichting wil opnemen, is hiervoor de toestemming van de directeur van de inrichting vereist. De directeur kan over een door hem voorgenomen onderbrenging van een kind in de inrichting het advies van de Raad voor de Kinderbescherming inwinnen. De Raad kan ook om medewerking worden verzocht als de directeur de toestemming tot opneming wil intrekken en hij in het kader hiervan een nader onderzoek door de Raad nodig oordeelt.

 

De Raad neemt bij het opstellen van het advies de volgende belangen in overweging:

- de bescherming van de persoonlijke veiligheid of de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

- de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de ouder;

- het over het kind gestelde gezag.

 

8.3.7 Huwelijksdispensatie

 

8.3.7 Huwelijksdispensatie

 

Om een huwelijk te mogen aangaan moeten man en vrouw de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Indien degenen die met elkaar willen huwen beiden de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en de vrouw een verklaring van een arts overlegt dat zij zwanger is of reeds een kind ter wereld heeft gebracht, vervalt het vereiste van de 18-jarige leeftijd. Dit laat echter onverlet dat een minderjarige de toestemming van de ouder(s) nodig heeft om te mogen huwen en indien van toepassing ook die van de voogd(en). Een toestemming kan worden vervangen door die van de kantonrechter.

 

Indien iemand een huwelijk wil aangaan terwijl niet aan het leeftijdsvereiste van 18 jaar is voldaan en evenmin sprake is van de hiervoor genoemde situatie kan de minister van justitie om gewichtige redenen ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste (d.i. huwelijksdispensatie).

De minister vraagt daartoe een onderzoek aan het Openbaar Ministerie. Het Ministerie van Justitie stuurt gelijktijdig een kopie van het verzoek tot huwelijksdispensatie naar de Raad met het verzoek om advies uit te brengen aan het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie verzoekt de politie terzake een ‘staat van inlichtingen’ op te maken. De Raad gaat na of hij gegevens heeft van (een van) de aspirant echtgenoten en neemt contact op met de politie om te overleggen of op dat moment in het belang van de minderjarige reeds bemoeienis van de Raad nodig is. Is dat het geval dan neemt de Raad na vier weken opnieuw contact op met de politie. Binnen 6 weken na ontvangst van het verzoek van het Ministerie van Justitie, brengt de Raad aan de Officier van Justitie advies uit.

Dit zal veelal mogelijk zijn aan de hand van de door de politie aangedragen informatie.

Voor het geval onderzoek van de Raad aangewezen is, wordt verwezen naar 8.1.b. en 8.1.c, met dien verstande dat voor het advies aan de Officier van Justitie de hiervoor aangegeven termijn blijft gelden. Voor rapportage zie hoofdstuk 3.

 

8.3.8 Paspoortaanvraag ten behoeve van een minderjarige8.13. Paspoortaanvraag ten behoeve van een minderjarige

 

8.3.8 Paspoortaanvraag ten behoeve van een minderjarige

 

Bij de aanvraag van een paspoort door of ten behoeve van een minderjarige moet(en) degene(n) die met het gezag over de minderjarige is (zijn) belast, een verklaring van toestemming overleggen (artikel 34 Paspoortwet).

Indien een van de ouders weigert, kan deze toestemming vervangen worden door die van de rechter op verzoek van de andere ouder. De rechter kan advies/onderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming vragen. Indien een verklaring van toestemming door één of beide ouders dan wel door de voogd(en) wordt geweigerd kan een minderjarige van 16 jaar of ouder zelf aan de rechter om vervangende toestemming verzoeken.

Indien een minderjarige onder toezicht staat moet in plaats van een toestemmingsverklaring van degene(n) die met het gezag over de minderjarige is (zijn) belast een verklaring van de kinderrechter worden overgelegd (artikel 36 Paspoortwet).

De hiervoor bedoelde verklaring van ouder(s) of gezagsdrager(s) c.q. van de kinderrechter hoeft niet te worden overgelegd bij de aanvraag van een Europees identiteitsbewijs (5 jaar geldig) door of ten behoeve van een minderjarige van 12 jaar en ouder.

Het doel van een eventueel onderzoek vloeit voort uit het verzoek van de rechter.

Voor onderzoek en rapportage wordt verwezen naar de hoofdstukken 8.1.c. en 3.

8.3.9 Internationale kinderontvoering.14 Internationale kinderontvoering

 

8.3.9 Internationale kinderontvoering

 

In het kader van de Uitvoeringswet inzake de Verdragen met betrekking tot Internationale Kinderontvoering kan in het kader van een procedure bij de kinderrechter met betrekking tot de teruggeleiding van een minderjarige en /of een verzoek omgangsregeling aan de Raad advies worden gevraagd.

Inhoudelijk komen deze onderzoeken overeen met de onderzoeken in het kader van opvoedingsproblemen c.q. zaken betreffende scheiding en omgang.

Verwezen wordt derhalve naar de hoofdstukken 8.1.1., 8.1.c. en 8.2.

Voor rapportage zie hoofdstuk 3.

8.3.10 Voogdij Antilliaanse jongeren.15. Voogdij Antilliaanse jongeren

 

8.3.10.1. Inleiding8.15.1. Inleiding

8.3.10.2. Onderzoek8.15.2. Onderzoek

 

8.3.10 Voogdij Antilliaanse jongeren

 

8.3.10.1 Inleiding.15.1 Inleiding

De Ministers van Justitie van Nederland en van de Nederlandse Antillen hebben een protocol ondertekend waarin afspraken zijn vastgelegd over de samenwerking op het gebied van voogdijvoorzieningen ten behoeve van alleen migrerende minderjarigen. Het protocol en de daarbij behorende richtlijnen zijn 1 augustus 1999 in werking getreden. De voogdijregeling strekt ertoe te voorkomen dat minderjarigen met de kennelijke bedoeling zich in Nederland te vestigen, alleen en onbegeleid de Nederlandse Antillen verlaten zonder dat wordt voorzien in het wettelijk vereiste gezag. Vertrek uit de Nederlandse Antillen van deze jongeren is alleen mogelijk indien zij beschikken over een verklaring van geen bezwaar tot het reizen naar Nederland, verstrekt aan de minderjarige en degene die de ouderlijk gezag of voogdij over de minderjarige uitoefent.

 

Overeengekomen is dat de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen maatregelen treft met betrekking tot de gezagsvoorziening in de Antillen voor de situatie waarin een aldaar verblijvende minderjarige alleen en onbegeleid dat land wenst te verlaten om zich in Nederland te vestigen, zonder dat sprake is van gezinshereniging of anderszins aannemelijk gemaakt kan worden dat het verblijf in Nederland van korte duur zal zijn, ten gevolge waarvan het gezag over de minderjarige niet kan worden uitgeoefend.

De Minister van Justitie van Nederland zal maatregelen treffen in verband met gezagsvoorziening en onderzoek in Nederland op een daartoe strekkend verzoek van de Voogdijraad in de Nederlandse Antillen.

 

8.3.10.2 Onderzoek.15.2 Onderzoek

Doel8.15.2.1 Doel

Op verzoek van de voogdijraad op de Antillen onderzoekt de Raad de bereidheid van de beoogd voogd om de minderjarige in het gezin op te nemen en de tijdelijke voogdij te aanvaarden en informeert de Raad de voogdijraad op de Antillen over zijn bevindingen, opdat de Voogdijraad kan besluiten of een verklaring van geen bezwaar al dan niet kan worden afgegeven.

 

Bevoegdheid8.15.2.2 Bevoegdheid

Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de

beoogde tijdelijk voogd woont.

 

Verantwoordelijkheid8.15.2.3 Verantwoordelijkheid

De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale onderzoek, waaronder het inschakelen van interne of externe gedragsdeskundigen en /of het inschakelen van interne juristen, en over de besluitvorming op grond van alle terzake uitgebrachte rapportage.

De raadsonderzoeker is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek.

De praktijkleider kan besluiten het onderzoek door twee raadsonderzoekers te laten verrichten. Indien een gedragsdeskundige een (deel-)onderzoek instelt is deze zowel voor de inhoud als voor de uitvoering daarvan verantwoordelijk.

 

Procedure8.15.2.4 Procedure

Wanneer de minderjarige bij zijn voornemen blijft om naar Nederland af te reizen dan wel in het geval de minderjarige reeds in Nederland verblijft wordt de volgende procedure gevolgd:

  • De ouders of voogd dienen een aanvraag bij de voogdijraad op de Antillen in voor een verklaring van geen bezwaar tot het reizen naar Nederland.

  • De voogdijraad onderzoekt of onmiddellijk de verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven. Zo niet, dan verzoekt hij de Raad voor de Kinderbescherming informatie te geven over de bereidheid van de beoogd voogd om de minderjarige in het gezin op te nemen en de tijdelijke voogdij te aanvaarden.

  • De bemoeienis van de Raad omvat een gesprek met de beoogd voogd waarin diens bereidheid om de tijdelijke voogdij te aanvaarden wordt onderzocht en waarin relevante aspecten die verbonden zijn aan het opnemen van een Antilliaanse minderjarige in het gezin aan de orde komen. De aspecten kunnen zijn:

- de gezinssamenstelling en de plaats van de op te nemen minderjarige daarin;

- de woonomstandigheden;

- de keuze voor en begeleiding bij school en /of werk;

- de wijze waarop de ouder(s) of voogd(en) op de Nederlandse Antillen betrokken blijven bij de ontwikkeling van de minderjarige;

- de wijze waarop de beoogd voogd met eventuele problemen van de minderjarige zal omgaan.

  • Voorts vraagt de Raad gegevens op uit het Justitiële Documentatieregister van alle bewoners van 12 jaar en ouder van het adres van de beoogd voogd en gaat na of sprake is van bezwarende feiten en omstandigheden. Daarnaast raadpleegt de Raad eveneens ten aanzien van alle bewoners de Gemeentelijke Basisadministratie en het eigen archief (dat zich op meerdere vestigingen kan bevinden).

  • De Raad bericht de voogdijraad zijn bevindingen. Indien de beoogd voogd bereid is de minder- jarige in zijn gezin op te nemen en de tijdelijke voogdij te accepteren legt de Raad aan de voogdij-

raad bij zijn bevindingen een door de beoogd voogd ondertekende bereidverklaring over.

  • De Raad bevordert voorts dat de beoogd voogd reeds een rekest tot tijdelijke voogdij bij de kantonrechter indient, vooruitlopend op de komst van de minderjarige naar Nederland.

  • De Raad gaat na 3 maanden na of de minderjarige in het voogdijregister is opgenomen.

 

 

  • Termijn

De Raad bericht binnen zes weken na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek zijn bevindingen aan de voogdijraad.

 

  • Afsluiting onderzoek

Een onderzoek wordt afgesloten met een raadsrapport. Voor de rapportage wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Het rapport wordt in concept aan de belanghebbenden aangeboden. Deze krijgen in beginsel een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het conceptrapport te reageren. Voor zover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd is deze zelf verantwoordelijk voor de bespreking daarvan. Informanten krijgen de door hen gegeven informatie in concept toegezonden.

 

  • Op basis van de door de Raad verkregen informatie kan de voogdijraad een verklaring van geen bezwaar verstrekken die bij de grensautoriteit op de Nederlandse Antillen moet

worden getoond. Op basis van de verklaring van geen bezwaar kan de minderjarige zich laten uitschrijven uit het bevolkingsregister en ontvangt daartoe een uitschrijfbewijs.

 

  • Indien de voogdijraad van mening is dat op grond van de informatie van de Raad geen verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven, kan de voogdijraad met betrekking tot dezelfde minderjarige daarna nog éénmaal een verzoek aan de Raad richten voor informatieverstrekking over een andere beoogd voogd.

 

Indien de problematiek zo ernstig is dat een (voorlopige) maatregel geïndiceerd is dient het onderzoek te worden uitgebreid met het besluit "uitbreiding naar onderzoek opvoedingsproblemen". De raadsonderzoeker stelt de belanghebbende daarvan schriftelijk in kennis. De aanpak van het onderzoek geschiedt overeenkomstig het vermelde onder hoofdstuk 8.1.1. en 8.1.c.

 

N.B. Naast een verzoek van de voogdijraad om onderzoek is ook een GBA-melding reden tot onderzoek. In dit geval start de Raad een onderzoek om tijdelijke gezagsvoorziening te treffen indien blijkt dat de Antilliaanse minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat of dat dit niet wordt uitgeoefend.