Hoofdstuk 10. Bijlagen

10.1. 
Kinderbeschermingsmaatregelen

Ondertoezichtstelling

Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling. De kinderrechter kan dit doen op verzoek van een ouder, een pleegouder, de partner van de met het gezag belaste ouder die het kind mede verzorgt, of de Raad voor de Kinderbescherming, dan wel op vordering van het Openbaar Ministerie. De duur van de ondertoezichtstelling wordt op ten hoogste een jaar bepaald. De kinderrechter kan op verzoek de duur telkens met een jaar verlengen.

De kinderrechter kan hangende het onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Een voorlopige ondertoezichtstelling duurt niet langer dan drie maanden.

Spreekt de kinderrechter de ondertoezichtstelling uit, dan draagt hij de uitvoering van de ondertoezichtstelling op aan een gezinsvoogdij-instelling. Ter uitvoering van haar taak kan de gezinsvoogdij-instelling schriftelijk aanwijzingen geven over de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen. Binnen twee weken kunnen zij de kinderrechter verzoeken een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.

Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Bij het verzoek wordt vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd. Voor plaatsing in een gesloten inrichting is een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter nodig.

Een uithuisplaatsing kan worden beëindigd door de gezinsvoogdij-instelling. Deze doet hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van een verslag van het verloop van de uithuisplaatsing mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming. (artikel 1: 263, lid 1 BW)

Op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling, de met het gezag belaste ouder of minderjarige van twaalf jaar of ouder, kan de kinderrechter de gezinsvoogdij-instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere. De Raad voor de Kinderbescherming is bevoegd het in de vorige volzin bedoelde verzoek in te dienen, indien de Raad van oordeel blijft dat de uithuisplaatsing niet op de voet van artikel 263, eerste lid, dient te worden beëindigd.

Ontheffing en ontzetting

Ontheffing en ontzetting zijn maatregelen die leiden tot het geheel ontnemen van het gezag aan een ouder. Ontzetting is ook mogelijk ten aanzien van een voogd.

Mits het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet, kan de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Ontheffing kan niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet, behalve in de in artikel 268, tweede lid, boek I BW genoemde gevallen van zgn. gedwongen ontheffing.

Deze gevallen zijn:

1. Indien na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 254 af te wenden;

2. Indien zonder de ontheffing van de ene ouder, de ontzetting van de andere ouder de kinderen niet aan diens invloed zou onttrekken;

3. Indien de geestvermogens van de ouder zodanig zijn gestoord dat hij niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen;

4. Indien na een verzorging en opvoeding met instemming van de ouder - anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij - van tenminste een jaar in een ander gezin dan het ouderlijke, een voortzetting daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouder ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.

De ontheffing wordt slechts uitgesproken op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, op vordering van het Openbaar Ministerie en, in één geval van gedwongen ontheffing, op verzoek van de pleegouder(s). De pleegouder(s) kan /kunnen in de hiervoor onder 4. genoemde situatie een verzoek indienen indien de kinderrechter een verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het verblijf heeft afgewezen.

Ontzetting van het ouderlijk gezag of de voogdij wordt beschouwd als een zwaardere maatregel dan ontheffing. Daarom kan de rechtbank ontzetting van het gezag slechts uitspreken als zij dit in het belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt, en indien de ouder zich aan bepaalde misdragingen heeft schuldig gemaakt.

Evenals ontheffing kan de ontzetting worden uitgesproken op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, op vordering van het Openbaar Ministerie, en in één geval op verzoek van de pleegouder(s) nl. op grond van het bestaan van gegronde vrees voor de verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen. Daarnaast kunnen ook de andere ouder en een van de bloed- of aanverwanten van de kinderen t/m de vierde graad een verzoek tot ontzetting doen.

Voorlopige voogdij

Op grond van feiten die tot ontzetting of gedwongen ontheffing van een ouder kunnen leiden, kan de kinderrechter, indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of op vordering van het Openbaar Ministerie, de ouder(s) of voogd(en) geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een kind schorsen en een voogdij-instelling belasten met de voorlopige voogdij over het kind. De voorlopige voogdij vervalt als niet binnen zes weken een verzoek of vordering tot ontheffing of ontzetting is ingediend. In zich voordoende gevallen moet daarnaast verlenging van de door de kinderrechter bepaalde termijn gevraagd worden.

Hangende een geding tot ontzetting of gedwongen ontheffing kan de rechtbank, indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, de ouder(s) of voogd(en) geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen. Als een schorsing van het gezag ertoe leidt dat een vacuüm in de gezagsuitoefening ontstaat, belast de rechter een voogdij-instelling met de voorlopige voogdij over het kind.

De kinderrechter kan ook een voorlopige voogdij uitspreken, indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, ingeval van ontbrekend gezag of van niet-uitoefenen van gezag.

Ook hier geldt een wettelijke vervaltermijn van 6 weken, welke in deze situaties ondervangen kan worden door het verzoeken van een gezagsvoorziening.

 

10.2. 
Richtlijnen externe deskundigen

Hoofdstuk 1 
Inleiding

In het onderhavige document zijn de richtlijnen voor het (laten) verrichten van een extern onderzoek neergelegd. Deze richtlijnen beogen de waarborgen waarmee het optreden van een extern onderzoek dient te zijn omkleed aanzienlijk te verbeteren.

De opzet van de richtlijnen luidt volgt:

Voorafgaand aan de richtlijnen voor het (laten) verrichten van een deskundigenonderzoek wordt in hoofdstuk II een omschrijving gegeven van de begrippen die in de richtlijnen worden gebruikt. Tevens worden in dit hoofdstuk de algemene uitgangspunten geformuleerd die bij het uitwerken van de richtlijnen in acht zijn genomen.

In hoofdstuk III zijn de richtlijnen neergelegd die door de Raad voor de Kinderbescherming en de voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen dienen te worden gehanteerd bij het inschakelen van een extern deskundigen. Hoofdstuk IV geeft de richtlijnen die leidraad dienen te zijn bij het doen van een extern deskundigenonderzoek. Hierop volgend zijn de richtlijnen voor de afwikkeling van een deskundigen onderzoek geformuleerd in hoofdstuk V.

Bij de herzieningen van het familieprocesrecht (Stb 1994, 570) is in artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering voor de ouder een recht op contra-expertise opgenomen. Dit was reden in een afzonderlijk hoofdstuk (hoofdstuk VI) richtlijnen te geven voor het verrichten en de afwikkeling van zowel een second opinion, een aanvullend onderzoek alsmede een contra-expertise.

De geformuleerde richtlijnen gelden van 1 april 1996 tot 1 januari 1999. De (werking van de) richtlijnen worden in het begin van 1998 geëvalueerd.

Hoofdstuk 2 
BEGRIPSAFBAKENING EN ALGEMENE UITGANGSPUNTEN

2.1 
Begripsafbakening

In de onderhavige richtlijnen worden diverse begrippen gebruikt die voor meerder uitleg vatbaar zijn of nader dienen te worden omschreven. Het gaat hierbij in het bijzonder om de hierna genoemde begrippen, waaronder het volgende wordt verstaan:

- cliënt degene die onderwerp is van het onderzoek. Hieronder wordt in ieder geval het kind, en in een groot aantal zaken ook de met het gezag belaste ouder(s) of voogd, verstaan.

- betrokkene een ieder die deel uit maakt van het cliëntsysteem. Betrokkenen kunnen onder meer zijn (indien geen cliënt) de (met gezag belaste) ouders, pleegouders, stiefouders, de grootouders of overige gezinsleden.

- opdrachtgever de persoon die of de instantie die de vraagstelling voorlegt aan de extern deskundige.

In deze richtlijnen wordt onder opdrachtgever verstaan de Raad voor de Kinderbescherming en de (gezins-)voogdij-instellingen.

- extern deskundige een gedragswetenschapper (te weten: een (ortho)pedagoog, een klinisch psycholoog, een ontwikkelingspsycholoog) of een (kinder)psychiater die niet in dienst is van of verbonden is aan een opdrachtgever.

- intern deskundige gedragswetenschapper of kinderpsychiater in dienst van of verbonden aan de opdrachtgever.

- informant een ander dan de cliënt of de betrokkene, aan wie in het kader van het (extern) onderzoek informatie wordt gevraagd.

2.2 
Algemene uitgangspunten

Bij het opstellen van de richtlijnen zijn de volgende algemene uitgangspunten in acht genomen:

  • De richtlijnen moeten door een opdrachtgever en een extern deskundige in acht worden genomen bij het (laten) verrichten van een extern onderzoek.

  • Van deze richtlijnen kan – gemotiveerd – worden afgeweken, indien de toepassing ervan een ernstige bedreiging zou opleveren voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van het kind.

  • Van de richtlijnen kan tevens worden afgeweken, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht.

  • De richtlijnen dienen aan de cliënt (een betere) rechtsbescherming en rechtszekerheid te bieden.

  • De verrichtingen van de opdrachtgever en de extern deskundige dienen controleerbaar en toetsbaar te zijn.

Bij het formuleren van de richtlijnen die leidraad zijn bij het doen van een extern onderzoek, hebben de volgende uitgangspunten voorop gestaan:

  • dat gedragswetenschappelijke diagnostiek niet is gericht op waarheidsvinding in juridische zin, maar op verklaring en inzichtelijk maken van aangetroffen problematiek op grond waarvan gedragswetenschappelijke advisering kan plaatsvinden;

  • dat het opzetten en uitvoeren van een diagnostisch onderzoek de verantwoordelijkheid van de deskundige zelf (en diens beroepsgroep) is, daar deze geschoold is op het gebied van gedragswetenschappelijke kennis en toepassing van methoden van onderzoek op dit gebied;

  • dat derhalve toetsing van het beroepsmatig verantwoord verrichten van diagnostisch onderzoek binnen de beroepsgroep moet plaatsvinden.

De richtlijnen zijn ook van toepassing op de minderjarige cliënt. Met betrekking tot de regeling van de rechtspositie van de minderjarige cliënt is aangesloten bij de vigerende regelgeving (vergelijk onder meer de Wet op de Jeugdhulpverlening (Stb. 1989, 358), de Wet tot herziening van het familieprocesrecht (Stb. 1994,570), de Wet omtrent de overeenkomst inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Stb. 1994, 837) en de Wet tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling (Stb. 1995, 255)).

De verplichtingen die voor de opdrachtgever en de extern deskundige voortvloeien uit de richtlijnen dienen eveneens te worden nagekomen jegens de minderjarige cliënt van twaalf jaar en ouder, die tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Heeft de minderjarige cliënt de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar bereikt, dan gelden deze verplichtingen tevens jegens de met het gezag belaste ouder(s) of voogd van de minderjarige.

Heeft de minderjarige cliënt de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt, dan worden de uit de richtlijnen voortvloeiende verplichtingen door de opdrachtgever en de extern deskundige nagekomen jegens de met het gezag belaste ouder(s) of voogd van de minderjarige. Hetzelfde geldt indien de minderjarige cliënt de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, maar niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Hierbij moet worden opgemerkt, dat ook deze minderjarigen het recht hebben hun mening te uiten. De opdrachtgever en de extern deskundige moeten aan die mening van de minderjarige passend belang hechten, in overeenstemming met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind.

Hoofdstuk 3 
RICHTLIJNEN VOOR HET INSCHAKELEN VAN EEN EXTERNE DESKUNDIGE

Inleiding

In vervolg op de aanbevelingen die werden gedaan door de commissies Gijsbers en Vliegenthart is er binnen de jeugdbescherming inhoud gegeven aan het multidisciplinair werken. Uitgangspunt van het beleid is, dat als van overheidswege wordt opgetreden, dit gebeurd op basis van een deskundig onderzoek en dat bij de beoordeling van de situatie uiterste zorgvuldigheid wordt getracht. Zorgvuldigheid op basis van deskundigheid is een eerste vereiste wanneer de overheid zo diep ingrijpt in het privé-leven van burgers als in de jeugdbescherming gebeurt.

In het onderhavige hoofdstuk worden richtlijnen geformuleerd die aangeven wanneer een intern deskundige dient te worden geraadpleegd bij de besluitvorming om al dan niet een extern deskundige in te schakelen. Tevens worden zorgvuldigheidsregels gegeven die de opdrachtgever naar de cliënt toe in acht moet nemen wanneer een extern deskundige wordt ingeschakeld. Aan welke kwaliteitseisen deze externe deskundige dient te voldoen, is opgenomen onder punt 6 van dit hoofdstuk.

Voortraject

Bij het inschakelen van een extern deskundige is het van groot belang dat er een vraagstelling wordt voorgelegd, die uitsluitend van gedragswetenschappelijk aard is en is afgestemd op de in te schakelen discipline. Om dit te realiseren dient - indien aanwezig – gebruik te worden gemaakt van de bij de raad voor de kinderbescherming of de instelling voor (gezins-)voogdij werkzame intern deskundige, die op grond van zijn kennis adviseert met betrekking tot de te ontwikkelen vraagstelling en het daarbij passende specialisme dat moet worden ingeschakeld.

In principe is het uitgangspunt dat er géén vooroverleg plaatsvindt tussen de opdrachtgever en de extern deskundige. Echter een zeer complexe zaak kan aanleiding geven voor de opdrachtgever om, voorafgaand aan een opdracht voor onderzoek, informatie in te winnen bij een extern gedragsdeskundige met betrekking tot zijn specialisme. Dit met als doel vast te kunnen stellen of de gedragsdeskundige beschikt over de specifieke kennis die nodig is voor de betreffende casus.

Voorwaarden hierbij zijn dat:

- de opdrachtgever niet de identiteit van de cliënt vrijgeeft;
- de consultatie is gefiatteerd door de leidinggevende;
- de consultatie wordt vastgelegd in het dossier en ter kennis wordt gebracht aan de cliënt.

Inschakelen van een extern deskundige met toestemming van de cliënt

In beginsel bepaalt de Raad voor de Kinderbescherming of een instelling van (gezins-)voogdij of een extern onderzoek gewenst is. Deze beslissing van de Raad of instelling wordt met de cliënt besproken. In overleg met de cliënt, die moet instemmen met het extern onderzoek, wordt bepaald welk(e) extern deskundige(nbureau) wordt ingeschakeld om het onderzoek uit te voeren. Uiteraard dient de extern deskundige te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals beschreven onder punt 6.

Bestaat tussen de Raad voor de Kinderbescherming of de (gezins-)voogdij- instelling en de cliënt overeenstemming over het te verrichten externe onderzoek en over de in te schakelen deskundige, dan kan de Raad of de instelling deze deskundige zelf inschakelen. Tussenkomst van een (kinder)rechter is in deze gevallen niet vereist.

Na interne besluitvorming tot een extern onderzoek, stelt de opdrachtgever een concept-brief op aan de extern deskundige. De volgende procedure dient hierbij in acht te worden genomen;

- in de brief wordt de aanleiding tot het deskundigenonderzoek aangegeven, eventueel aangevuld met relevante feiten;
- de brief bevat een korte beschrijving van de cliënt en eventuele betrokkenen (leeftijd, (gezags)verhoudingen ten aanzien van de minderjarige, onderlinge relaties, ect) en van de reden waarom genoemde personen bij het onderzoek dienen te worden betrokken;
- voorts wordt kort weergegeven met betrekking tot welk doel het onderzoek wordt gevraagd (toewijzing gezag, omgang, klachtaspecten, mogelijke uithuisplaatsing, plaatsingsproblematiek, etc);

  • daarnaast wordt ten aanzien van de eventuele contra-indicaties (zie onder punt 4) gefundeerd aangegeven welke motivatie aan de besluitvorming ten grondslag ligt;

  • de vraagstelling moet duidelijk worden geformuleerd en dient van gedragswetenschappelijke aard te zijn;

- tevens wordt in de brief opgenomen welke discipline(s), voor zover duidelijk, bij het extern onderzoek worden betrokken, en wordt de termijn aangegeven waarbinnen dient te worden gerapporteerd. Uitgangspunt hierbij dient te zijn dat het onderzoek in het belang van het kind binnen zo kort mogelijk termijn, doch in principe uiterlijk binnen 10 weken vanaf het moment dat het besluit tot onderzoek werd genomen, moet worden afgerond. Van deze termijn kan gemotiveerd worden afgeweken, wanneer het belang van het onderzoek dit vereist;
- ook staat in de brief vermeld welke stukken als bijlage bij de brief aan de extern deskundige zijn meegezonden.

De concept-brief wordt door de raadsonderzoeker/gezinsvoogd met de cliënt besproken. De reacties, als ook gegeven dat de cliënt bereid is zijn medewerking te verlenen aan het extern deskundigenonderzoek, worden in de definitieve brief opgenomen. Deze brief dient vergezeld te gaan van de dossierstukken, die voor (de uitvoering van) de opdracht relevant zijn (zoals de raadsrapportage, de schoolverslagen, e.d.). De cliënt krijgt een afschrift van de definitieve brief.

Contra-indicaties voor een extern onderzoek

Tijdens het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of tijdens de duur van een kinderbeschermingsmaatregel kunnen door de ouder(s) of door de begeleidende hulpverlenende instelling(en) contra-indicaties voor een (extern) deskundigenonderzoek naar voren worden gebracht. Daarbij kan bij voorbeeld worden gedacht aan de verstoring van een therapeutische behandeling van een psychotherapeut(e). Deze contra-indicaties dienen in het team van raadsonderzoeker/gezinsvoogd en intern deskundige onder leiding van de praktijkleider/teamleider te worden besproken.

De opgevoerde contra-indicaties die door de intern deskundige worden onderzocht, worden betrokken in de besluitvorming om een extern deskundige in te schakelen. Besluit de opdrachtgever voorbij te gaan aan de geformuleerde contra-indicaties dan dient hij dit onder opgave van redenen in zijn aanmeldingsbrief aan de extern deskundige aan te geven.

Deze procedure ontslaat de extern deskundige echter niet van een eigen verantwoordelijkheid. Gelet op de geformuleerde contra-indicaties en de redenen die in de aanmeldingsbrief van de opdrachtgever staan vermeld moet de extern deskundige zelf beoordelen of het deskundigenonderzoek onnodige schadelijke gevolgen kan hebben voor de cliënt. Is de extern deskundige van mening dat het deskundigenonderzoek schadelijke gevolgen heeft of kan hebben voor de cliënt dan wijst hij het verzoek om het onderzoek te verrichten met redenen omkleed af.

Inschakelen van een extern deskundige zonder toestemming van de cliënt

Stemt de cliënt en/of –indiende cliënt minderjarig is en de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt – de met het gezag belastende ouder(s) of voogd niet in met een extern onderzoek, met de geformuleerde vraagstelling en/of met de benoeming van een bepaalde extern deskundige, dan zal de opdrachtgever in onderling overleg met de cliënt alsnog ter zake tot overeenstemming trachten te komen.

Blijkt dit niet mogelijk dan kan – in die gevallen waarin geen rechtsgeding aanhangig is – om een ernstige bedreiging voor een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van het kind te voorkomen, in de weigering van de cliënt om mee te werken aan een onderzoek, voor de Raad voor de Kinderbescherming een grond worden gevonden om een maatregel van kinderbescherming te verzoeken (mits overigens is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt voor het treffen van een maatregel).

Voor de gezinsvoogdij-instelling staat in een dergelijk geval de mogelijkheid open om in het kader van de uitvoering van de maatregel van ondertoezichtstelling aan de cliënt een aanwijzing te geven. Ingevolge de artikelen 259 en 260 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder deze aanwijzing ter toetsing aan de kinderrechter voorleggen.

Kwaliteitseisen extern deskundigen

De extern deskundige die voor de opdrachtgever onderzoek verricht dient lid te zijn van een beroepsvereniging en daarbij geregistreerd te zijn als diagnostische bevoegd waarbij deze twee jaar onder supervisie ervaring heeft opgedaan in de kinder- en jeugdpsychologie c.q. – psychiatrie. Een extern deskundige die voor de Raad voor de Kinderbescherming of voor een instelling onderzoek verricht, dient per 1 januari 1997 aan genoemde eis te voldoen.

Hoofdstuk 4 
Richtlijnen voor het verrichten van een deskundigenonderzoek

Inleiding

De in dit hoofdstuk opgenomen richtlijnen die leidraad dienen te zijn bij het doen van een extern deskundigenonderzoek hebben betrekking op de opzet en de afronding van het onderzoek. De uitvoering en methoden van onderzoek vallen buiten het bereik van de richtlijnen; hiervoor is uiteindelijk de onderzoeker zelf verantwoordelijk.

(De opzet van) het onderzoek

De externe deskundige licht de cliënt in het eerste gesprek op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk in over de opzet en werkwijze van het onderzoek. Tevens wijst hij de cliënt op zijn rechten (bijvoorbeeld het inzagerecht of het recht op een klacht in te dienen bij het onderzoeksbureau of bij de beroepsvereniging). Hiertoe krijgt de cliënt ook schriftelijk informatiemateriaal (folders) uitgereikt.

De extern deskundige licht de minderjarige cliënt op zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen.

De extern deskundige kan voor het verrichten van zijn onderzoek gebruik maken van informanten. Dit dient hij vooraf met de cliënt te bespreken. Deze moet voor de informatie-inwinning toestemming verlenen.

De informatie-uitwisseling kan zowel mondeling als schriftelijk geschieden. In ieder geval dient de informatie-uitwisseling te worden vastgelegd en voor akkoord te worden ondertekend door de informant. Vervolgens dient deze verklaring opgenomen te worden in het dossier van de cliënt.

Indien de cliënt de externe deskundige verzoekt bepaalde informanten te raadplegen, dient deze dat schriftelijk en met redenen omkleed te doen. Indien de externe deskundige besluit hieraan geen gevolg te geven, dan motiveert hij zijn besluit in de rapportage.

Met betrekking tot de ontwikkelingen tijdens het onderzoek wordt door de extern deskundige de grootst mogelijke openheid naar de cliënt toe betracht. Zo zal de cliënt zo spoedig mogelijk schriftelijk ervan in kennis worden gesteld wanneer de extern deskundige tijdens het onderzoek wijzigingen aanbrengt ten aanzien van de geschetste opzet van het onderzoek (zoals bijvoorbeeld bij het inschakelen van een andere discipline). Ook hiervan wordt een aantekening gemaakt in het dossier. Tevens brengt de extern deskundige de cliënt ervan op de hoogte indien het onderzoek niet binnen de termijn die in de aanmeldingsbrief (zie Hoofdstuk III onder 3) is gesteld, kan worden afgerond. Ook de opdrachtgever wordt hiervan in kennis gesteld.

Gegeven het algemene uitgangspunt dat gedragswetenschappelijk diagnostisch onderzoek is gericht op verklaring en inzichtelijk maken van aangetroffen problematiek op grond waarvan gedragswetenschappelijke advisering kan plaatsvinden, is het niet noodzakelijk om het gebruik van audiovisuele apparatuur voor te schrijven.

Indien een extern deskundige met betrekking tot wetenschappelijk onderzoek gebruik maakt van audiovisuele apparatuur, dient de bewaartermijn van het materiaal gelijk te worden gesteld aan de bewaartermijn van de onderzoeksgegevens.

Afstemming opzet diagnostisch onderzoek op de vraagstelling van de opdrachtgever

Naar aanleiding van de opdracht en/of de beschikbaar gestelde stukken kan de extern deskundige vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid voor het diagnostisch onderzoek, nadere informatie van de opdrachtgever wensen alvorens hij tot onderzoek overgaat. Te denken valt hierbij aan nadere specificering van en/of uitleg over de vraagstelling of over de beschikbaar gestelde gegevens. Ook kan hij vanuit zijn deskundigheid uitbreiding dan wel beperking van de te betrekken disciplines in het onderhavige onderzoek voorstellen.

Om te voorkomen dat uitwisseling van informatie tussen opdrachtgever en de extern deskundige zich aan het gezichtsveld van de cliënt onttrekt dient hierover naar de cliënt toe de grootst mogelijke openheid te worden betracht. Leidt de informatie-uitwisseling tot een nadere of andere vraagstelling dan moet de cliënt hiervan schriftelijk op de hoogte worden gesteld.

Openbaarheidsregeling

De extern deskundige verstrekt aan de cliënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die zich in het dossier van de cliënt bevinden.

De verstrekking kan (geheel of gedeeltelijk) achterwege blijven voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijk levenssfeer van een ander. Indien de extern deskundige bezwaar heeft tegen de geheel of gedeeltelijke inzage van of afschrift van bescheiden uit het dossier, doet hij daarvan schriftelijk en gemotiveerd mededeling aan de cliënt en aan de opdrachtgever.

De extern deskundige mag voor de verstrekking van het afschrift een redelijke vergoeding bij de verzoeker in rekening brengen.

De extern deskundige verstrekt aan anderen dan de cliënt geen inlichtingen over de cliënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliënt. Ook hierbij geldt dat verstrekking alleen geschiedt voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad.

Onder anderen dan de cliënt zijn niet begrepen de opdrachtgever en de met het gezag belaste ouder(s) of voogd, indien de minderjarige cliënt de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt. Inlichtingen over de minderjarige cliënt dan zal inzage in of afschrift van de bescheiden kan evenwel aan de met het gezag belaste ouder of voogd worden geweigerd, indien de extern deskundige door het verstrekken van inlichtingen over, inzage in of afgifte van bescheiden niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. Zodanige beslissingen dienen duidelijk te worden gemotiveerd en schriftelijk te worden vastgelegd.

Een extern deskundige(nbureau) treft een schriftelijke regeling waarin het recht op inzage in en afschrift van gegevens alsmede de beperkingen aan het verstrekken van inlichtingen en inzag – zoals hierboven weergegeven- worden neergelegd. Deze regeling wordt bij de aanvang van het onderzoek aan de cliënt beschikbaar gesteld.

Klachtenregeling

Zoals staat vermeld in hoofdstuk III, onder 6 moet een extern deskundige die voor een opdrachtgever onderzoek verricht lid zijn van een beroepsvereniging en daarbij staan geregistreerd al diagnostisch bevoegd. Aansluiting bij een beroepsvereniging betekent dat de deskundige is gehouden aan de door de organisatie vastgestelde beroepscode. Dit biedt de cliënt de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij een daarvoor ingesteld college, indien hij van mening is dat een extern deskundige zich niet aan de beroepscode houdt. Ook wanneer een extern deskundige werkzaam is binnen een maatschap, dan wel werkzaam is in dienst van of werkzaamheden verricht voor een onderzoeksbureau, bestaat voor de cliënt de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de beroepsvereniging.

Bovenstaande laat echter onverlet, dat ook de onderzoeksbureau (afzonderlijk dan wel collectief) over een (gezamenlijke) regeling voor de behandeling van klachten kunnen beschikken. Deze klachtenregeling dient met voldoende (rechts)waarborgen te zijn omkleed. De criteria waaraan de klachtenregeling dient te voldoen, omvatten onder meer de volgende punten.

De klachtenregeling:

  1. geeft aan waarover kan worden geklaagd (groep klachtgerechtigden);

  2. voorziet in een omschrijving van de beklaggrond;

  3. voorziet in een omschrijving van de klachtprocedure;

  4. voorziet erin dat de klachten van de klagers/cliënten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaan uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor de extern deskundigen(bureaus);

  5. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht betrekking heeft;

  6. waarborgt dat de klachtencommissie binnen een in de regeling vastgelegde termijn na indiening van de klacht de klager en degene over wie is geklaagd schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van haar oordeel over de (gegrondheid van de) klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen;

  7. waarborgt dat bij afwijking van de onder f bedoelde termijn de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager en degene over wie is geklaagd, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de klacht zal uitbrengen;

  8. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op de klacht;

  9. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan.

De klachtenregeling worden in een klachtreglement vastgelegd en (bij voorkeur in het eerste contact) aan de cliënt ter beschikking worden gesteld.

Hoofdstuk 5 
Richtlijnen voor de afwikkeling van een deskundigenonderzoek

De afwikkeling van het onderzoek door de extern deskundige

Na de afronding van het onderzoek dient de cliënt door de extern deskundige in de gelegenheid te worden gesteld de concept-rapportage te bespreken en zijn mening over de rapportage naar voren te brengen. Indien er van de zijde van de cliënt daar geen bezwaar tegen bestaat, kan de opdrachtgever bij deze bespreking aanwezig zijn. Het door de cliënt geleverde commentaar wordt (door middel van een bijlage) aan het definitieve rapport toegevoegd.

Indien de cliënt niet in staat blijkt om tijdens de bespreking van de rapportage zijn commentaar te formuleren, wordt hem de mogelijkheid geboden om binnen een redelijke termijn alsnog zijn commentaar kenbaar te maken. De opdrachtgever wordt hiervan in kennis gesteld. De extern deskundige verwerkt het commentaar in het definitieve rapport en stelt de cliënt hiervan op de hoogte.

Tijdens en na de afronding van het onderzoek heeft de cliënt het recht op verbetering, aanvulling of verwijdering van feitelijke gegevens die – op hem/haar betrekking hebbende- zijn opgenomen in het dossier/rapport, indien hij kan aantonen dat de opgenomen gegevens onjuist of onvolledig of, gezien de doelstelling van het onderzoek, niet ter zake doende zijn. Het verzoek tot correctie, aanvulling en verwijdering van gegevens dient schriftelijk te geschieden. De extern deskundige bericht de cliënt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 4 weken, na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering dient door de extern deskundige met redenen te worden omkleed.

De rapportage zoals het uiteindelijk is vastgesteld, wordt door de extern deskundige afgegeven aan de cliënt (zie hoofdstuk III, onder 4).

Van belang is bij afgifte van rapportage dat de nadruk wordt gelegd op de beperkte gebruiksduur van de rapportage.

De extern deskundige bewaart het rapport en de overige bescheiden gedurende vijf jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd.

Afwikkeling van een extern onderzoek door de opdrachtgever

De opdrachtgever beoordeelt de rapportage van de extern deskundige. Daarbij dient hij - indien aanwezig- gebruik te maken van een materie-deskundige zoals de intern deskundige. De intern deskundige dient te bezien of de extern deskundige in zijn rapportage de vraagstelling voldoende heeft beantwoord.

Indien de intern deskundige van mening is dat de vraagstelling onvoldoende is beantwoord, schakelt hij de praktijkleider/ teamleider en de raadsonderzoeker/ gezinsvoogd in. In samenspraak met dezen wordt een schriftelijke reactie geformuleerd, gericht aan de extern deskundige. De reactie kan een verzoek om aanvullende informatie inhouden, dan wel opheldering vragen over de beschreven bevindingen. De cliënt wordt hiervan op de hoogte gesteld. Vervolgens zal de extern deskundige de vraagstelling beantwoorden, waarbij hij de in hoofdstuk IV beschreven richtlijnen met betrekking tot het verrichten van een extern onderzoek in acht dient te nemen.

Indien de vraagstelling afdoende is beantwoord, gebruikt de opdrachtgever de rapportage om te komen tot een beslissing in de zaak.

In de rapportage die wordt verzorgd door de opdrachtgever worden de argumenten voor de beslissing onderbouwd met verwijzingen naar de rapportage van de extern deskundige.

Hoofdstuk 6 
Richtlijnen voor het verrichten en de afwikkeling van een second- opinion, een aanvullend onderzoek of een contra-expertise.

Inleiding

Het is mogelijk dat een cliënt nadat hij zijn medewerking heeft verleend aan een deskundigenonderzoek, de bevindingen van de deskundige en de conclusies die daaraan worden verbonden niet kan onderschrijven. De cliënt kan de opdrachtgever dan verzoeken de zaak aan een andere deskundige voor te leggen.

Daarbij zijn te onderscheiden:

  • Een verzoek om de test- en onderzoeksgegevens vanuit het eerste onderzoek te overleggen aan een tweede (extern) deskundige die dezelfde discipline vertegenwoordigt als de eerste deskundige, en die (opnieuw) de bestaande gegevens interpreteert en daarover rapporteert. Dit is een tweede mening of wel second-opinion.

  • Een verzoek om aanvullend onderzoek op het onderzoek van de eerste (extern) deskundige, door een deskundige die een andere discipline/ specialisme vertegenwoordigt. Te denken valt aan een psychiatrisch onderzoek volgend op een psychologisch onderzoek. Dit is een aanvullend onderzoek.

  • Een verzoek om de vraagstelling opnieuw voor te leggen aan een extern deskundige die dezelfde discipline vertegenwoordigt als de eerste (extern) deskundige, en die dezelfde vraagstelling opnieuw onderzoekt. Dit is een tegenonderzoek of wel een contra-expertise.

De opdrachtgever heeft de beleidsvrijheid om te bepalen of hij aan het verzoek van de cliënt gehoor geeft. Indien de opdrachtgever van mening is dat er voldoende feitelijke gegevens beschikbaar zijn om tot oordeelsvorming te kunnen komen, kan hij weigeren op het verzoek van de cliënt in te gaan.

Indien de opdrachtgever positief op het verzoek van de cliënt besluit, zullen de opdrachtgever en de extern deskundige zich dienen te houden aan de procedure zoals omschreven onder de punten 2 en 3.

Verrichten van een second-opinion, een aanvullend onderzoek of een contra-expertise door een extern deskundige

  • Bij een second-opinion wordt van een extern deskundige gevraagd het basis(test)materiaal van het eerdere onderzoek te interpreteren en te voorzien van advies. In de praktijk betekent dit dat de extern deskundige die het eerste onderzoek heeft verricht het testmateriaal en observatiegegevens beschikbaar stelt aan de tweede beoordelaar. Het testmateriaal, de (eerste) opdracht en de relevante dossierstukken vormen het basismateriaal voor de tweede beoordelaar. Naar het oordeel van de werkgroep is ook de tweede beoordelaar gebonden aan de richtlijnen zoals in de hoofdstukken IV, V en VI geformuleerd. Ondanks het feit dat de tweede beoordelaar de cliënten niet persoonlijk heeft onderzocht, zal hij zijn rapportage dienen te bespreken met de cliënt en afgifte daarvan te verzorgen.

  • Een aanvullend onderzoek wordt verricht door een extern deskundige die een andere discipline/specialisme vertegenwoordigt. De extern deskundige zal een schriftelijke vraagstelling ontvangen, aangevuld met de beschikbare relevante informatie. Ook bij een aanvullend onderzoek zijn de richtlijnen beschreven in de voorafgaande hoofdstukken van toepassing.

  • Bij het verrichten van een contra-expertise zijn dezelfde richtlijnen van toepassing als geformuleerd in de hoofdstukken IV, V en VI. De extern deskundige ontvangt een brief (genoemd in hoofdstuk IV, onder 3), waarin de vraagstelling en de reactie van de cliënt is opgenomen, vergezeld van de dossierstukken die voor de uitvoering van de opdracht relevant zijn. Om de objectiviteit van dit onderzoek te waarborgen dient het eerder uitgebrachte deskundigenrapport niet aan de dossierstukken te worden toegevoegd.

Afwikkeling van een second-opinion, een aanvullend onderzoek dan wel een contra-expertise door de opdrachtgever

Bij de afwikkeling van de second-opinion, het aanvullend onderzoek dan wel de contra-expertise verricht in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming of een instelling voor (gezins-)voogdij zijn de richtlijnen zoals geformuleerd in hoofdstuk V, onder 2, van overeenkomstige toepassing.

De resultaten van de contra-expertise dan wel de second-opinion dienen, nadat de intern deskundige het rapport heeft beoordeeld op beantwoording van de vraagstelling, door het multidisciplinaire team van de opdrachtgever vergeleken te worden met de resultaten van het eerste extern deskundigenonderzoek. Vervolgens dient het team te bezien welke consequenties hieruit kunnen worden getrokken voor de eigen rapportage en eerder genomen beslissing(en). In de definitieve rapportage van de opdrachtgever zal duidelijk moeten worden beschreven op grond van welke bevindingen/resultaten men tot advisering is gekomen en waarom (indien van toepassing) men is afgeweken van eerder ingenomen standpunt.

10.3. 
Strafrechtelijke maatregelen

Art. 77 Wetboek van Strafrecht (Sr) somt de maatregelen op:

- Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (artikel 77 s t/m 77 u Sr);
- Onttrekking aan het verkeer;
- Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel;
- Schadevergoeding.
- De plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ).

In het nieuwe jeugdstrafrecht vervangt één maatregel nl. de PIJ, wat voorheen twee maatregelen waren te weten de jeugd TBR (ter beschikkingstelling regering) en de plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling (IBB). De jeugd TBR was bedoeld ter opvoeding van de jeugdige. De IBB was te vergelijken met de terbeschikkingstelling in het meerderjarigenstrafrecht. Het was de maatregel voor ‘afwijkende’ jeugdigen, zeer moeilijk opvoedbare, psychopathische jeugdigen, die niet of verminderd toerekeningsvatbaar zijn, voor jeugdigen bij wie sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis der geestvermogens. De jeugdmaatregel heeft een hybride karakter. Anders gezegd: het is één maatregel met twee sporen.

Criteria voor oplegging van de jeugdmaatregel: deze wordt slechts opgelegd ingeval:

- Het een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
- De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het
opleggen van die maatregel eist;
- De maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de
verdachte.

De wet vermeldt geen gronden voor oplegging. Niettemin is uit de wetsgeschiedenis af te leiden dat als grond voor de maatregel geldt de noodzaak van heropvoeding of behandeling ter beveiliging van de maatschappij en ter bescherming van de jeugdige. Hieruit blijkt dat de maatregel het ultimum remedium van het jeugdstrafrecht is (gevallen waarin meerderjarigenstrafrecht wordt toegepast in verband met de ernst van het feit buiten beschouwing gelaten). Overigens kan voor 16 - 18 jarigen met toepassing van meerderjarigenstrafrecht ingevolge art. 77b Sr ook nog een TBS -van in beginsel onbeperkte duur- worden opgelegd.

Duur van de maatregel

Absolute duur (art 77 t lid 2 Sr)

Hier komt het tweesporen karakter van de PIJ tot uitdrukking. De maatregel kan niet worden verlengd indien het niet gaat om een misdrijf betreffende geweld tegen personen. De maatregel heeft een maximumduur van vier jaar als het gaat om heropvoeding van een in beginsel ‘normale’ jeugdige en een maximumduur van zes jaar als het een jeugdige betreft met een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het strafbare feit. Het gaat hier om jeugdige delinquenten van meestal 16 à 17 jaar oud, die een zeer ernstig delict hebben begaan en die veelal opgegroeid zijn in ernstig gestoorde opvoedingssituaties, waarvan gevolgen zijn te verwachten voor hun psychische ontwikkeling. Het opbouwen van een werkbare behandelingsrelatie kost in zulke gevallen geruime tijd. In elk individueel geval wordt een behandelingsplan opgesteld, waarvan afronding in de vorm van een proefplaatsing in vrijheid thuis of op kamers etc. een onderdeel uitmaakt. Aangezien een leeftijdsgrens vanuit het behandelingsperspectief bezien een min of meer willekeurig moment is, is aan dit bezwaar tegemoet gekomen en zijn de leeftijdsgrenzen als einddatum van rechtswege van de maatregel geschrapt en is gekozen in de huidige wetgeving voor een ruimere, op de behandelingsduur afgestemde periode.

Relatieve duur (artikelen 77 s, lid 6 en 77 t lid 1 Sr)

De maatregel geldt voor de termijn van twee jaar, welke termijn ingaat, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden en welke telkens met ten hoogste twee jaar kan worden verlengd op vordering van het Openbaar Ministerie.

Verlenging

Uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de (tweejaren-of verlengings-) termijn maakt het hoofd van de inrichting waar de jeugdige is geplaatst een rapport op en brengt deze advies uit aan de minister omtrent wel of niet verlenging en de termijn van eventuele verlenging. Ingeval de jeugdige met voorwaardelijk ontslag is wordt het advies vergezeld van een beschouwing van degene die toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden. De minister stuurt het advies naar het Openbaar Ministerie teneinde de Officier van Justitie in de gelegenheid te stellen verlenging te vorderen bij de rechter. Verlenging is mogelijk tot vier jaar en ingeval de maatregel is opgelegd (met toepassing van art. 77 s lid 3 Sr) aan een verdachte die tijdens het begaan van een feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens is verlenging mogelijk tot zes jaar (art. 77 t lid 2 Sr).

Voorwaarde voor verlenging is dat de maatregel is opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (art. 77t, lid 3).

Deskundigenrapportage

De rechter legt de jeugdmaatregel slechts op na advisering door tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, in veel gevallen wordt een persoonlijkheidsonderzoek (P.O.) verricht door de inrichting waar de jeugdige in voorlopige hechtenis verblijft.

Leed de betreffende jongere ten tijde van het begaan van het feit aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, dan dient één van deze deskundigen een psychiater te zijn.

Tenuitvoerlegging (art. 77 s lid 5 Sr art 2 en 3 Btj)

De minister kan bij de Raad voor de Kinderbescherming advies inwinnen omtrent de plaatsing. Het Openbaar Ministerie wordt door de minister belast met de plaatsing van de jeugdige in de aangewezen inrichting.

(Voorwaardelijk) ontslag of (voorwaardelijke) beëindiging

De minister kan de maatregel te allen tijde beëindigen. De beëindiging kan voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn (art. 77 s lid 7 Sr). De minister wint eerst het advies in van de Raad voor de Kinderbescherming. De beëindiging vindt plaats indien het doel is bereikt of indien het doel beter op andere wijze dan door de maatregel kan worden bereikt.

Indien de maatregel voorwaardelijk is beëindigd geldt dat de jeugdige zich dient te gedragen overeenkomstig de aanwijzing van de toezichthouder en hij zich niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.

Voorwaardelijke plaatsing in een Inrichting voor jeugdigen

De maatregel kan ingevolge art. 77 x Sr ook voorwaardelijk worden opgelegd. Nu de strafrechtelijke ondertoezichtstelling uit het jeugdstrafrecht is verdwenen, neemt de voorwaardelijke PIJ de functie van maatregel voor gedwongen ambulante hulpverlening over. De minister draagt de tenuitvoerlegging op aan een afdeling jeugdreclassering van een gezinsvoogdij-instelling. De instelling heeft tot taak hulp en steun te verlenen en tevens toezicht te houden op de naleving van eventuele bijzondere voorwaarden (denk bijvoorbeeld ook aan opname in een inrichting of een afkickkliniek).

Overige (bijkomende) maatregelen

Evenals verbeurdverklaring blijven de maatregelen onttrekking aan het verkeer, ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding steeds mogelijk. De regels daaromtrent van het meerderjarigenstrafrecht zijn overeenkomstig van toepassing.

De maatregel van schadevergoeding kan opgelegd worden voor zover de jeugdige civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade. De maatregel van schadevergoeding is afkomstig uit de Wet Voorlopige Regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29).

10.5 
Begrippenlijst

Arrondissement: Werkgebied van een rechtbank (in totaal 19).

Adoptiefouder: Degene met wie een kind door een uitspraak van de rechter in een familierechtelijke betrekking komt te staan, terwijl die betrekking tussen het kind en zijn oorspronkelijke ouder(s) ophoudt te bestaan. Dit laatste geldt niet voor een ouder wiens partner het kind adopteert.

Belanghebbende: Degene op wiens rechten of verplichtingen een zaak rechtstreeks betrekking heeft.

Betrokkene: Degene wie een zaak aangaat, maar die geen juridisch belang hoeft te hebben en met wie om die reden door de Raad is gesproken (m.a.w. een belanghebbende is altijd tevens betrokkene, maar een betrokkene hoeft geen belanghebbende te zijn).

Cliënt(systeem): De minderjarige en de personen uit diens directe omgeving, op wie het onderzoek zich richt, zoals ouder(s), voogd, verzorger(s), waaronder pleegouder(s). Ook de minderjarige die in het kader van een taakstraf wordt begeleid en de personen uit diens directe omgeving.

Cliëntvolgsysteem: Geautomatiseerd systeem waarin gegevens worden opgenomen van verschillende instanties die dit systeem ook kunnen raadplegen. Bij de Raad toegepast bij minderjarigen die met de politie in aanraking zijn gekomen. Instanties: Raad, politie en Openbaar Ministerie.

Directeur: In de tekst gebruikt voor de betreffende ressortsdirecteur (de Raad heeft vijf ressortsdirecteuren en één algemeen directeur).

Externe gedragsdeskundige: Deskundige op het gebied van menselijke gedragingen (zoals een psycholoog of pedagoog of een (kinder- en jeugd-)psychiater die niet in dienst is van of verbonden is aan de Raad.

Gedragsdeskundige: Deskundige op het gebied van menselijke gedragingen, zoals een psycholoog of een pedagoog, in dienst van de Raad.

Gezag: Bij de Raad in het bijzonder gebruikt als juridische zeggenschap van een of twee volwassene(n) over een minderjarige. Dit kan zijn ouderlijk gezag /gezamenlijk gezag of voogdij (dit is gezag van een of twee niet-ouder(s)). Zie ook gezamenlijk gezag en gezamenlijke voogdij.

Gezamenlijk gezag: Gezag van twee ouders of van een ouder en diens partner over een minderjarige.

Gezamenlijke voogdij: Gezag van twee niet-ouders over een minderjarige.

Hofressort: Het werkgebied van een (gerechts-)hof (in totaal vijf).

Inverzekeringstelling: Het vasthouden van een verdachte op bevel van de Officier van Justitie voor verder verhoor. Dit kan zijn vanwege de ingewikkeldheid van de strafzaak of vanwege de ernst van het strafbare feit (duur 3 dagen, met maximaal 3 dagen te verlengen). Vóór de inverzekeringstelling kan de verdachte gedurende 6 uur verhoord worden door de politie. Hierbij wordt de periode van 12 uur ‘s nachts tot 9 uur ‘s morgens niet meegeteld.

Informant: Een persoon of instantie die geen belanghebbende is, maar die, naar het oordeel van de Raad, wel zodanig bij de zaak betrokken is dat zijn informatie van nut kan zijn voor een juiste beoordeling van de zaak en die om die reden ook is gehoord.

Jeugdreclassering: Wordt uitgevoerd door instellingen voor (gezins-)voogdij (en soms door de volwassenreclassering) en vervult de volgende kernactiviteiten: het bieden van hulpverlening, gericht op verbetering van de leefsituatie van de jongere en diens maatschappelijke integratie; toezicht houden op jongeren die onder voorwaarden in vrijheid zijn gesteld en tenslotte voorlichting en advisering aan de rechterlijke macht omtrent de omstandigheden waarin strafbare feiten zijn gepleegd. Deze niet-vrijblijvende hulp wordt opgelegd door het Openbaar Ministerie of de rechter.

Minderjarige: Een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft en niet op andere wijze meerderjarig is geworden (bijv. door huwelijk).

Moeder: De vrouw uit wie het kind geboren is of die het kind heeft geadopteerd. Tussen haar en het kind bestaan van rechtswege (c.q. door adoptie) familierechtelijke betrekkingen (zie ook ouder).

Multidisciplinair: Meer dan één vakgebied omvattend. Bij de Raad onder meer: de maatschappelijk werkdiscipline, de pedagogische, psychologische en juridische discipline.

Nationale ombudsman: De bij wet ingestelde instantie die onderzoek kan doen naar de wijze waarop een (medewerker van een) overheidsinstantie zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen. Iedere burger heeft het recht een dergelijk onderzoek te vragen.

Niet-ontvankelijk: Verzoek of vordering wordt niet in behandeling genomen wegens onjuiste wijze van indienen (niet door de bevoegde persoon, niet bij de bevoegde instantie, niet op tijd, niet voldaan aan vormvereisten)

Officier van Justitie: Functionaris van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank

Openbaar Ministerie: Overheidsdienst belast met de handhaving van wetten, de vervolging van alle strafbare feiten en het doen uitvoeren van alle strafvonnissen.

Ouder(s): Man en/of vrouw met wie het kind een wettelijke afstammingsrelatie heeft, ook wel familierechtelijke betrekkingen genoemd.

Pleegouder: Volwassene die optreedt als de verzorger en opvoeder van een minderjarige die (tijdelijk) in diens gezin is geplaatst (pleeggezin). In tegenstelling tot een adoptief situatie zijn de familierechtelijke betrekkingen tussen de minderjarige en diens ouder(s) niet verbroken.

Proces-verbaal: Een door een officiële instantie opgesteld verslag van een gebeurtenis. Dit kan bijvoorbeeld een verslag zijn van een melding van een strafbaar feit, van een verhoor door de rechter of van schoolverzuim van een leerplichtambtenaar.

Praktijkleider: Leidinggevende medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming die eindverantwoordelijk is voor de behandeling van meldingen, voor de uitvoering van onderzoeken en voor besluiten in door de Raad behandelde zaken.

Raadsonderzoeker: Medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het onderzoek.

Rekest: Schriftelijk verzoek aan de rechter (bijvoorbeeld een verzoek van de Raad om een maatregel van kinderbescherming uit te spreken).

Taakstraf: Reactie van de offficier van justitie of de rechter op een proces-verbaal van de politie. Dit kan zijn een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide.

Unitmanager/vestigingsmanager: De medewerker van de Raad die leiding geeft aan de medewerkers van een unit of vestiging en die verantwoordelijk is voor de aansturing van die unit of vestiging.

Vader: De man tussen wie en het kind familierechtelijke betrekkingen bestaan (zie ook onder ouder).

Vestiging: Bureau voor het uitvoerende werk van de Raad (totaal 21). Een vestiging kan meerdere units omvatten.

Voogdij: zie onder Gezag.

Voorlopige hechtenis: Indien de Officier van Justitie de verdachte, naar aanleiding van het verhoor, nog langer wil vasthouden, dan moet deze worden voorgeleid bij de rechter-commissaris (d.i. bij minderjarigen de kinderrechter). Indien de rechter-commissaris het verzoek inwilligt wordt de verdachte in bewaring gesteld voor maximaal 10 dagen. Zonodig kan de Officier van Justitie verzoeken de verdachte nog langer vast te houden. Dit wordt gevangenhouding genoemd. Gevangenhouding kan voor ten hoogste 30 dagen worden uitgesproken en kan tweemaal verlengd worden met 30 dagen. De voorlopige hechtenis omvat bewaring en gevangenhouding.

Vroeghulp: Specifieke vorm van het basisonderzoek in een strafzaak, dat wordt uitgevoerd na een melding inverzekeringstelling (zie verder hoofdstuk 9).

10.6 
Lijst van afkortingen

Awb Algemene wet bestuursrecht

AMK Advies- en Meldpunt Kindermishandeling

AMW algemeen maatschappelijk werk

BARO Basis Raadsonderzoek (in strafzaken)

bk Boek

BIG (wet) op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg

BJZ Bureau Jeugdzorg

BW Burgerlijk Wetboek

CAD Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs

FIOM Federatie van Instelling voor Ongehuwde Moeders

GBA Gemeentelijke Basis administratie

GVI Gezinsvoogdij-instelling

IBO Instrumentarium Bijzondere Omstandigheden

JDR Justitieel Documentatie Register

KIS Kinderbescherming Informatie Systeem

OM Openbaar Ministerie

ots ondertoezichtstelling

Sr wetboek van Strafrecht

Stb Staatsblad

TBS Ter Beschikking Stelling

VIA Voorlichting Interlandelijke Adoptie

WBP Wet Bescherming Persoonsgegevens

Wob Wet openbaarheid van bestuur

Wopp Werkwijze en organisatie primair proces