6. Klachten- en bezwarenprocedure

6.1 Klachtenprocedure

De klachtenprocedure voor de Raad is opgenomen in het Besluit klachtbehandeling Raad voor de Kinderbescherming van 24 juni 1996 (Stb. 1996, 330).

Onderstaand zijn de belangrijkste punten hieruit opgesomd.

a. Een ieder die als belanghebbende of als informant betrokken is bij een bij de Raad in behandeling (geweest) zijnde aangelegenheid (hierna: klager) kan een klacht indienen.

b. De klacht moet een gedraging van een medewerker van de Raad betreffen die gevolgen heeft voor de klager persoonlijk. Onder gedraging wordt verstaan: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een beslissing. Bij beslissingen die ten aanzien van de klager zijn of worden genomen, moet worden gedacht aan feitelijke beslissingen die in het kader van de uitoefening van de taak worden genomen. Dit betekent dat men bijvoorbeeld over de inhoud van een raadsadvies niet kan klagen, maar wel over de wijze waarop een advies tot stand komt. Tevens sluit de regeling uit dat over het algemene beleid dat door de Minister van Justitie is vastgesteld, kan worden geklaagd. Met een klacht over het algemene beleid moet de klager zich tot de minister wenden.

c. Een klacht moet uiterlijk binnen twee maanden na de dag waarop de klager kennis heeft gekregen van de gewraakte gedraging worden ingediend. Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk indien blijkt dat de klacht is ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van de klager kon worden verlangd. Dit laatste dient te blijken uit door klager naar voren te brengen feiten en omstandigheden.

d. De klacht moet worden ingediend bij de directeur van het ressort waar de vestiging onder valt. De directeur kan een ander persoon aanwijzen die met de klachtbehandeling wordt belast. Gaat de klacht over een gedraging van een medewerker van het landelijk bureau dan kan beklag worden gedaan bij de algemeen directeur van de Raad. Betreft een klacht een gedraging van de (algemeen) directeur zelf, dan dient de klager zich direct tot de klachtencommissie te wenden.

e. 1: Een klacht kan mondeling of schriftelijk bij de directeur worden ingediend. De ontvangst van de klacht dient onverwijld schriftelijk door de directeur aan de klager te worden bevestigd waarbij de klachtenfolder moet worden meegestuurd.

2: De klager kan zich bij de behandeling van zijn klacht laten bijstaan door een raadsman of een vertrouwenspersoon. Van deze mogelijkheid moet aan klager in de ontvangstbevestiging van de klacht mededeling worden gedaan.

3: Indien de klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover de Raad een verzoek of een advies tot de rechter heeft gericht en de rechter over die aangelegenheid nog geen beslissing heeft genomen, stelt de Raad de rechter onverwijld in kennis van het indienen van de klacht.

4: De directeur onderzoekt de klacht en tracht, samen met de klager en (eventueel) de medewerker tegen wiens gedraging de klacht is gericht, tot een voor klager aanvaardbare oplossing te komen. Slaagt hij hierin niet, dan moet hij binnen acht weken na de ontvangstbevestiging van de klacht, een beslissing op de klacht nemen. De directeur neemt deze beslissing niet dan na de klager en de medewerker te hebben gehoord.

5: Indien de directeur de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond heeft bevonden, moet deze in zijn beslissing tevens meedelen of, en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie daaraan worden verbonden.

f. 1: De klager kan van de beslissing van de directeur binnen zes weken schriftelijk in beroep gaan bij een onafhankelijke klachtencommissie.

2: De klachtencommissie hoort de klager alsmede de medewerker over wiens gedraging wordt geklaagd en neemt in beginsel uiterlijk zes weken nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt een schriftelijke met redenen omklede beslissing.

3: Indien een door de klachtencommissie behandelde klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden, moet de directeur binnen drie weken na ontvangst van de beslissing van de klachtencommissie aan de klager schriftelijk meedelen of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie daaraan worden verbonden.

4: Bij de behandeling van de zaak voor de klachtencommissie kan zowel de klager als degene over wiens gedraging wordt geklaagd zich door een raadsman of vertrouwenspersoon doen bijstaan.

g. Er is geen hoger beroep mogelijk van een beslissing van de klachtencommissie.

Nationale ombudsman

Naast de hiervoor genoemde klachtenprocedure heeft iedereen het recht de Nationale ombudsman schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop (een medewerker van) de Raad zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen.

Voordat de verzoeker zijn verzoek aan de Nationale ombudsman doet, moet hij eerst een klacht indienen bij de Raad zelf (het zgn. kenbaarheidsvereiste), tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Of dit laatste het geval is, is ter beoordeling van de Nationale ombudsman.

De Nationale ombudsman is niet verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien een klacht over dezelfde gedraging bij de onafhankelijke klachtencommissie van de Raad (zie paragraaf 6.1. onder f) in behandeling is of daardoor is afgedaan. Hij is evenmin verplicht een onderzoek in te stellen of voort te zetten indien de verzoeker een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden.

De klacht dient binnen één jaar na de gedraging of het eindigen van de klachtenprocedure bij de Raad c.q. bij de onafhankelijke klachtencommissie aan de Nationale ombudsman te worden voorgelegd.

Gedragsdeskundigen

De gedragsdeskundigen vallen als raadsmedewerkers onder de klachtenregeling van de Raad. Daarnaast vallen zij met betrekking tot klachten over hun professioneel handelen onder het voor de desbetreffende beroepsgroep ingestelde klachtorgaan en onder het tuchtrecht voorzover als beroepsbeoefenaar ingeschreven in een register ingevolge de Wet BIG.

Voor klachten over externe gedragsdeskundigen wordt verwezen naar de richtlijnen voor het (laten) verrichten van extern onderzoek (circulaire van 18 maart 1996, nr. 546621/96/PJR; zie bijl. 10.2).

6.2. Bezwarenprocedure (Algemene wet bestuursrecht)

De Raad voor de Kinderbescherming is een publiekrechtelijk bestuursorgaan. Besluiten van de Raad vallen onder de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover ze ook voor het overige aan de in de wet gestelde voorwaarden voldoen (zie onder a. en b.).

a. Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit van de Raad is betrokken (belanghebbende) kan hiertegen schriftelijk bezwaar maken.

b. 1: Het bezwaar moet gericht zijn tegen een schriftelijke beslissing van de Raad, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling (besluit). Dat wil zeggen dat met de beslissing van de Raad een rechtsgevolg moet zijn beoogd. Een rapport of een advies aan de rechter of aan de Minister van Justitie is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht omdat dat niet op een zelfstandig of direct rechtsgevolg is gericht.

Voorbeelden van een besluit waartegen door de belanghebbenden een bezwaarschrift bij de Raad kan worden ingediend zijn:

a. het niet afgeven van een Verklaring van geen bezwaar door de Raad ( zie hoofdstuk 8.1.3.1) en;

b. het niet voldoen aan het verzoek om afgifte van stukken in het kader van de Wob (zie hiervoor Hoofdstuk 5).

2: Ook tegen een schriftelijke weigering van de Raad om een besluit te nemen en tegen het niet tijdig nemen van een besluit (zgn. fictieve weigering) kan door de belanghebbende een bezwaarschrift worden ingediend.

3: Het maken van bezwaar heeft geen schorsende werking ten aanzien van het besluit waartegen het is gericht. Wel kan aan de President van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd met schorsende werking, om te voorkomen dat een besluit ten uitvoer wordt gelegd, terwijl dat onomkeerbaar is (bijv. de afgifte van een rapport).

c. Het bezwaarschrift moet ingediend worden bij de Raad i.c. de vestiging of de directie die het besluit heeft genomen of had moeten nemen.

d. Een bezwaarschrift moet binnen zes weken na de bekendmaking (door toezending of uitreiking) van het besluit worden ingediend.

e. De Raad bevestigt aan de indiener en /of zijn gemachtigde schriftelijk de ontvangst van het bezwaarschrift.

f 1: Voordat de Raad op het bezwaar beslist, moet de belanghebbende in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord. Van dit horen kan worden afgezien, indien duidelijk is dat het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, de belanghebbende van het horen afziet of er aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen.

2: Het horen geschiedt door een of meerdere medewerker(s) die in meerderheid, waaronder degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken zijn geweest.

3: De belanghebbende kan zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

g. 1: Het besluit wordt in beginsel binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift genomen door de naast hogere leidinggevende.

2: In de beslissing op het bezwaarschrift moet worden aangegeven dat binnen zes weken bij de rechtbank tegen de beslissing van de Raad beroep kan worden aangetekend. 

3. In zich voordoende situaties (zie b. onder 3.) dient betrokkene ook geïnformeerd te worden over de mogelijkheid een voorlopige voorziening te vragen.