|
Hoofdstuk 9. Beleidsaanwijzingen strafzaken 9.1 Inleiding. De Raad heeft een taak in het kader van het jeugdstrafrecht. Binnen het jeugdstrafrecht behartigt de Raad de belangen van de minderjarige in die zin dat specifiek /pedagogisch gereageerd kan worden op strafbare feiten gepleegd door minderjarigen. De Raad heeft een voorlichtings- en adviesfunctie naar de Officier van Justitie en de kinderrechter. Daarnaast heeft de Raad een selectiefunctie waarbij bezien wordt of het criminele gedrag van de minderjarige een signaal is van achterliggende problematiek en of hulpverlening noodzakelijk is (zie daarvoor hoofdstuk 9.2.3). Het jeugdstraf(proces)recht is van toepassing op minderjarigen van 12 jaar en ouder. De politie bepaalt of er proces-verbaal wordt opgemaakt indien een strafbaar feit is gepleegd. Naar aanleiding van een opgemaakt proces-verbaal dan wel een inverzekeringstelling meldt de politie een minderjarige van 12 jaar en ouder aan bij de Raad. Tevens meldt de politie bij de Raad minderjarigen aan die jonger zijn dan 12 jaar wanneer
Naast de politie kan ook een leerplichtambtenaar een proces-verbaal opmaken tegen een minderjarige van 12 jaar en ouder en dit aan de Raad voor de Kinderbescherming melden. De Raad voert op twee gebieden de regie nl. de individuele casusregie en de beleidsregie:
Deze regietaak heeft tot doel het bevorderen van samenhang tussen de verschillende activiteiten van de organisaties die met jeugdreclasseringstaken zijn belast (de Raad zelf, de afdeling jeugdreclassering van de gezinsvoogdij-instelling en de Stichting Reclassering Nederland) Voorts betreft het de samenhang van deze jeugdreclasseringsactiviteiten met de activiteiten van andere instanties binnen de jeugdstrafrechtpleging (politie, parket van de Officier van Justitie, rechtbank en Justitiële Jeugdinrichtingen). Een en ander om te komen tot een snelle, vroegtijdige en consequente reactie op het gedrag van de jeugdige wetsovertreder.
Concreet worden door de Raad voor de Kinderbescherming de volgende taken uitgevoerd:
9.2.Voorlichting, advies en selectie 9.2.1 Basisonderzoek Inleiding Het basisonderzoek vindt plaats
hetzij naar aanleiding van een melding proces-verbaal of inverzekeringstelling
door de politie, hetzij naar aanleiding van een melding proces-verbaal door een
leerplichtambtenaar. Ook wordt er een basisonderzoek ingesteld als de politie
een minderjarige beneden de leeftijd van 12 jaar bij de Raad heeft gemeld
vanwege het plegen van een strafbaar feit (zie Inleiding 9.1) Doel Doel van het basisonderzoek is het maken van een selectie: de Raad beziet of het incidenteel delictgedrag betreft of een signaal van een ernstige onderliggende problematiek. Ten aanzien van de minderjarige van 12 jaar en ouder vindt er bovendien voorlichting aan de rechter(-commissaris) en /of de Officier van Justitie plaats over de persoon en de omstandigheden van de minderjarige. De Raad kan de Officier van Justitie en de rechter ook uit eigen beweging adviseren over de afdoening van de strafzaak. Bevoegdheid Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de minderjarige feitelijk verblijft. Verantwoordelijkheid De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale onderzoek, waaronder het inschakelen van interne of externe gedragsdeskundigen en /of het inschakelen van interne juristen en voor de besluitvorming op grond van alle terzake uitgebrachte rapportage. De raadsonderzoeker is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek.
9.2.1.1 Na melding proces-verbaal Uitgangspunt is, dat zowel na melding proces-verbaal als na melding inverzekeringstelling een basisonderzoek plaatsvindt. Na melding proces-verbaal wordt op deze regel een uitzondering gemaakt in de volgende gevallen:
Na melding inverzekeringstelling worden de minderjarige en zo mogelijk ook de ouders in principe op dezelfde dag bezocht, ook wanneer deze in het weekend of op een feestdag plaatsvindt.
De Raad verzamelt informatie over de persoon van de minderjarige, diens woon- en gezinssituatie, zijn school of werk en zijn vrije tijdsbesteding. Voorts vindt bespreking plaats van het delict. In geval van inverzekeringstelling wordt zonodig spoedeisende hulp verleend aan de minderjarige. Ook heeft de raadsonderzoeker tijdens de vroeghulp aandacht voor praktische zaken die verband houden met het verblijf van de minderjarige op het politiebureau.
Termijn Het basisonderzoek wordt uiterlijk binnen 4 weken na ontvangst van de melding afgerond. Ingeval van inverzekeringstelling zorgt de Raad ervoor dat de Officier van Justitie over het rapport beschikt voordat de minderjarige aan hem wordt voorgeleid. Afsluiting onderzoek Betreft het een minderjarige van 12 jaar of ouder dan wordt op grond van de verzamelde informatie een rapport opgesteld, ten behoeve van de eventuele voorgeleiding c.q. de verdere afdoening van de strafzaak, met advies aan de Officier van Justitie en /of de rechter(-commissaris). De rapportage dient tijdig beschikbaar te zijn ten behoeve van de besluitvorming door eerder genoemde functionarissen. In het rapport wordt advies gegeven, vooral gebaseerd op pedagogische overwegingen, ten behoeve van de beslissing van de rechter en de Officier van Justitie. Ingeval van inverzekeringstelling dient de advisering tevens voor de beslissing van de rechter-commissaris om de voorlopige hechtenis van de minderjarige al of niet te schorsen en zo ja onder welke voorwaarden dat eventueel zou moeten gebeuren. Verder kan geadviseerd worden over de vraag of een persoonlijkheidsonderzoek gewenst is, waar en hoe (al of niet ambulant) dat eventueel het beste uitgevoerd kan worden en welke onderzoeksvragen dan van belang zouden kunnen zijn.. Hoofdstuk 3 is niet van toepassing op rapportage over het basisonderzoek. Wel geldt de alinea betreffende ondertekening. Het rapport wordt aan betrokkenen toegezonden onder aanbieding van de mogelijkheid tot een gesprek of een schriftelijke reactie. 9.2.2 Vervolgonderzoek 9.2.2.1 Inleiding Indien daartoe blijkens het basisonderzoek aanleiding bestaat, stelt de Raad uit eigen beweging een vervolgonderzoek in. Wanneer er korter dan een half jaar tevoren reeds een basisonderzoek heeft plaatsgevonden kan rechtstreeks tot een vervolgonderzoek worden besloten.De Raad kan ook een vervolgonderzoek instellen op verzoek van de justitiële autoriteiten. Een enkele maal ontvangt de Raad een verzoek van een Justitiële Jeugdinrichting die een persoonlijkheidsonderzoek instelt om een deelonderzoek te doen naar het milieu. 9.2.2.2 Doel Doel van het vervolgonderzoek is het op systematische en procesmatige wijze verzamelen van relevante gegevens omtrent de persoon en de levensomstandigheden van de jeugdige verdachte van 12 jaar en ouder, op basis van van tevoren geformuleerde onderzoeksvragen, teneinde de Officier van Justitie en de kinderrechter (nadere) voorlichting te geven. Het onderzoek biedt tevens de mogelijkheid om een doeltreffende oplossing te realiseren ter afwending van de risico’s die de jeugdige in zijn ontwikkeling bedreigen alsmede om de kans op recidive te beperken. 9.2.2.3 Bevoegdheid Het onderzoek wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de minderjarige feitelijk verblijft. 9.2.2.4 Verantwoordelijkheid De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale onderzoek, waaronder het inschakelen van interne of externe gedragsdeskundigen en /of het inschakelen van interne juristen, en voor de besluitvorming op grond van alle terzake uitgebrachte rapportage. De raadsonderzoeker is verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek. Het vervolgonderzoek wordt bij voorkeur verricht door de raadsonderzoeker die het basisonderzoek heeft verricht. De praktijkleider kan besluiten het onderzoek door twee raadsonderzoekers te laten verrichten. Indien een gedragsdeskundige een (deel-)onderzoek instelt is deze zowel voor de inhoud als voor de uitvoering daarvan verantwoordelijk. 9.2.2.5. Procedure Het onderzoek vangt aan op basis van van tevoren door de raadsonderzoeker geformuleerde vragen waarbij aansluiting gezocht wordt bij de via het basisonderzoek verkregen informatie. Ook hierbij staat het belang van de minderjarige centraal. Bij de vaststelling van de onderzoeksvragen dient de gedragsdeskundige te worden betrokken. De onderzoeksvragen vormen de basis en leidraad voor het opzetten van een onderzoeksplan en geven sturing aan het onderzoek.
Informatie van derden Indien de Raad het van belang acht voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen kan informatie van derden in het onderzoek worden betrokken. Dit geschiedt altijd met medeweten van de belanghebbenden en in de regel met hun toestemming (al dan niet schriftelijk). Wanneer belanghebbenden toestemming weigeren, terwijl het raadplegen van een of meer informanten in het belang van het onderzoek noodzakelijk is, kan aan deze weigering voorbij worden gegaan. Tot het raadplegen van informanten met medeweten doch zonder toestemming van belanghebbenden kan worden overgegaan nadat hiertoe, in samenspraak met de praktijkleider, een gemotiveerd besluit is genomen en dit aan cliënten is meegedeeld. In alle gevallen waarin het voorstel tot het betrekken van derden, als informant, dan wel het voorstel gebruik te maken van ander materiaal in het onderzoek afkomstig is van (leden van) het cliëntsysteem of een derde zelf, wordt een gemotiveerd besluit genomen. Aan cliënten en eventueel derden wordt het besluit tot het al dan niet honoreren van dit voorstel meegedeeld. Aan informanten wordt de folder voor informanten uitgereikt. De door informanten gegeven informatie moet schriftelijk gefiatteerd zijn. Multidisciplinair overleg en onderzoek Indien daartoe aanleiding bestaat kan de praktijkleider bepalen dat interne of externe gedragsdeskundigen en /of juristen bij het onderzoek worden betrokken. Inschakeling van de gedragsdeskundige is op twee momenten verplicht:
Daarnaast kan de gedragsdeskundige worden ingeschakeld op initiatief van de raadsonderzoeker of de praktijkleider. Indien inschakeling van een externe gedragsdeskundige gewenst is, wordt hiertoe door de praktijkleider overgegaan met inachtneming van de daarvoor bij circulaire van 18 maart 1996 /kenm.546621/PJR door de Staatssecretaris van Justitie vastgestelde richtlijnen (zie Bijlage 10.2) Termijn Het onderzoek wordt afgesloten binnen een termijn van dertien weken, vanaf het moment van ontvangst van het verzoek tot onderzoek. Van deze termijn kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer het belang van het onderzoek dit vereist, dan wel de omstandigheden daartoe dwingen. Van deze besluitvorming dienen de belanghebbenden schriftelijk in kennis te worden gesteld. Afsluiting onderzoek Een onderzoek wordt afgesloten met een raadsrapport. Voor de rapportage wordt verwezen naar hoofdstuk 3. Het rapport wordt in concept aan de belanghebbenden aangeboden. Deze krijgen in beginsel een week de gelegenheid om mondeling dan wel schriftelijk op het conceptrapport te reageren. Voor zover een gedragsdeskundige een zelfstandig aandeel van de rapportage heeft verzorgd is deze zelf verantwoordelijk voor de bespreking daarvan. Informanten krijgen de door hen gegeven informatie in concept toegezonden. 9.3 Uitbreiding naar onderzoek beschermingszaken / opvoedingsproblemen Zowel tijdens het basisonderzoek als tijdens het vervolgonderzoek kan naar voren komen dat sprake is van een vermoedelijke schending van het fundamentele recht van een minderjarige op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid op grond waarvan een maatregel moet worden overwogen. In een dergelijke situatie kan de Raad door tussenkomst van de praktijkleider (die ervoor verantwoordelijk is dat multidisciplinair wordt getoetst of de zaak voldoet aan de criteria om een dergelijk onderzoek in stellen) besluiten ambtshalve een onderzoek te doen naar opvoedingsproblemen. De raadsonderzoeker stelt de belanghebbenden daarvan schriftelijk in kennis. Afhankelijk van de zaak besluit de praktijkleider of er al dan niet een andere raadsonderzoeker wordt ingezet. Zie verder hoofdstuk 8.1.1 en 8.1.c (bevoegdheid, verantwoordelijkheid en procedure). De maximale onderzoeksduur voor deze twee onderzoeken tezamen bedraagt 18 weken16. 9.4. Taakstraffen voor jeugdigen (van 12 jaar en ouder) Inleiding Een jeugdige van 12 jaar en ouder tegen wie door de politie proces-verbaal is opgemaakt kan door de Officier van Justitie of de rechter een taakstraf opgelegd krijgen. De taakstraf kan bestaan uit een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide. Bij een werkstraf gaat het om onbetaalde, fysieke arbeid op niet commerciële basis ten dienste van de samenleving gedurende een aantal vastgestelde uren. Bij een leerstraf worden de minderjarige in een verplichtend kader bepaalde vaardigheden bijgebracht of wordt hij geconfronteerd met de gevolgen van zijn daad voor het slachtoffer. De leerstraffen variëren in duur en intensiteit. De Raad is verantwoordelijk voor het aanbod aan projectplaatsen ten behoeve van minderjarige taakgestraften. Hij beschikt daartoe over een gedifferentieerd aanbod van: a. werkprojectplaatsen, die zinvolle werkzaamheden bieden en op de jeugdige gerichte begeleidingsmogelijkheden, en b. leerprojecten, welke zoveel mogelijk in relatie staan tot het gepleegde delict en /of problematiek van de jeugdige. De Raad ziet erop toe dat projectplaatsen zich ten aanzien van minderjarige taakgestraften houden aan de regelgeving omtrent de arbeidsomstandigheden en andere veiligheidsvoorschriften. Tevens houdt de Raad rekening met de regelgeving rond arbeidstijden voor minderjarigen. Met betrekking tot leerstraffen is de raad verantwoordelijk voor een kwaliteitszorgsysteem, waarbij aandacht wordt besteed aan de omstandigheid dat de begeleider van de leerstraf over voldoende kwalificaties beschikt. De Raad is verantwoordelijk voor een adequate opleiding van begeleiders. Wanneer de Raad invoering van een nieuw werk- c.q. leerproject overweegt legt hij dat ter toetsing voor aan het Openbaar Ministerie (OM), aangezien de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van straffen aldaar berust. De raad draagt er zorg voor dat de rechter, het OM, de verdachte en diens raadsman zich steeds op de hoogte kunnen stellen van gegevens omtrent de beschikbare projectplaatsen voor de tenuitvoerlegging van een taakstraf en de aard van de te verrichten werkzaamheden of de te volgen leerprojecten. Doel Het bevorderen van een gedragsverandering ten goede bij de jeugdige door de selectie van een pedagogisch adequate (werk- en /of leer-)projectplaats en door het ondersteunen van de jeugdige en het houden van toezicht tijdens de uitvoering van de taakstraf. Bevoegdheid De coördinatie wordt in beginsel verricht door de vestiging in wiens arrondissement de minderjarige feitelijk verblijft. Verantwoordelijkheid De praktijkleider draagt de eindverantwoordelijkheid voor de coördinatie taakstraffen. De coördinator is verantwoordelijk voor de uitvoering. Procedure Alvorens een jeugdige taakgestrafte overeenkomstig de rechterlijke uitspraak of de door de Officier van Justitie gestelde voorwaarde op een project te plaatsen, heeft de coördinator taakstraffen met hem een persoonlijk gesprek (intake). De ouders /verzorgers van de jeugdige krijgen ook een uitnodiging voor het intake-gesprek, tenzij dat op grond van de leeftijd van de betrokken jeugdige of vanwege bijzondere omstandigheden contra geïndiceerd is. Wanneer de jeugdige taakgestrafte niet op de uitnodiging reageert, volgt een herhaalde oproep. Daarbij wordt de minderjarige er uitdrukkelijk op gewezen wat de consequentie is als hij verstek laat gaan. Als, na verificatie van de adresgegevens, ook op de tweede oproep niet wordt gereageerd, wordt daarvan melding gedaan bij het OM Tijdens het intakegesprek stelt de coördinator taakstraffen de taakgestrafte op de hoogte van de regels, rechten en plichten die gelden bij de tenuitvoerlegging van een taakstraf. De beslissing tot plaatsing wordt, inclusief de gemaakte afspraken, schriftelijk vastgelegd en ondertekend door de taakgestrafte. Deze ontvangt hiervan een afschrift. De schriftelijke beslissing wordt aan het OM gezonden. Bij het bepalen van de feitelijke werkzaamheden of verplichtingen houdt de coördinator taakstraffen rekening met het gepleegde delict, de capaciteiten, mogelijkheden en specifieke omstandigheden van de taakgestrafte alsmede met de reisafstand tot de projectplaats. Middagpauze en reistijden tellen niet als taakstrafuren. De dagen en aanvang- en eindtijden worden in overleg met de taakgestrafte vastgesteld. De coördinator taakstraffen begeleidt de jeugdige taakgestrafte tijdens diens kennismaking met het project. In het gesprek tussen de coördinator taakstraffen, de betrokken jeugdige en de contactpersoon van de projectplaats c.q. de begeleider van het leerproject wordt ingegaan op de huisregels van de projectplaats, de werkzaamheden en /of andere verplichtingen, de aan-vangsdatum en de tijden waarop de jeugdige op het (werk- c.q. leer-)project aanwezig dient te zijn. Vanuit pedagogische overwegingen vindt er altijd een afsluitend contact plaats met de taakgestrafte. Als regel gebeurt dit in de vorm van een evaluerend eindgesprek tussen de coördinator taakstraffen en de taakgestrafte, waarbij wordt nagegaan in hoeverre de gestelde leerdoelen zijn gehaald althans of er pedagogisch leereffect is bereikt. Als van een eindgesprek wordt afgezien vindt er in ieder geval een schriftelijke afsluiting plaats. Op basis van het afloopbericht van de contactpersoon c.q. begeleider rapporteert de coördinator taakstraffen aan de Officier van Justitie over het verloop van de taakstraf. De coördinator verwerkt in deze rapportage tevens de bevindingen uit het eindgesprek met de taakgestrafte. De taakgestrafte heeft recht op een afschrift. Hoofdstuk 3 is niet van toepassing op de rapportage met betrekking tot taakstraffen. Wel geldt de alinea betreffende ondertekening: Rapporten worden ondertekend door de coördinator taakstraffen en de praktijkleider. Adviezen worden onder vermelding van "namens de ressortsdirecteur" ondertekend door de praktijkleider." Problemen ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de taakstraf Bij bijzondere omstandigheden - zoals onvoldoende beschikbaarheid van werk, een onoplosbaar conflict op de projectplaats, ongeschiktheid van de taakgestrafte voor het werk of het niet aansluiten van verplichtingen bij de specifieke omstandigheden van de taakgestrafte - kan de coördinator taakstraffen de projectplaats wijzigen, al dan niet met wijziging van de feitelijke werkzaamheden of verplichtingen. Indien de taakgestrafte de taakstraf niet naar behoren verricht, waaronder ongeoorloofd verzuim, kan de coördinator taakstraffen de taakgestrafte eenmaal een officiële waarschuwing geven. De coördinator taakstraffen kan de tenuitvoerlegging van de taakstraf opschorten indien, na een waarschuwing, de taakgestrafte de taakstraf niet naar behoren verricht. Hetzelfde geldt ingeval van ernstige misdraging aan de kant van de taakgestrafte. In alle bovengenoemde gevallen wordt de taakgestrafte, zo mogelijk van tevoren gehoord. De beslissing wordt schriftelijk vastgelegd, gedagtekend en gemotiveerd. Bij de rapportage aan de Officier van Justitie wordt de op schrift gestelde beslissing gevoegd en, voor zover beschikbaar, het standpunt van de taakgestrafte. Een beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging wordt onverwijld ter kennis van de Officier van Justitie gebracht met het advies om de taakstraf te beëindigen. De Officier van Justitie neemt zo spoedig mogelijk een beslissing, hetzij tot wijziging van de opgelegde sanctie, hetzij om de zaak aan de rechter voor te leggen. Een afschrift van de rapportage en bijbehorende stukken wordt aan de taakgestrafte ter beschikking gesteld. Rapportage betreft in dit geval een verslag, met eventuele bijzonderheden, over de wijze waarop de minderjarige de taakstraffen heeft uitgevoerd, aan de hand van hetgeen hiervoor (onder procedures) is aangehaald. De taakgestrafte kan schriftelijk, onder opgave van redenen, bezwaar aantekenen tegen de beslissing tot wijziging van de projectplaats of de aard van de werkzaamheden en tegen de beslissing tot het geven van een officiële waarschuwing. Na ontvangst van het bezwaar wordt de verdere tenuitvoerlegging opgeschort. De coördinator taakstraffen zendt het bezwaar, voorzien van de rapportage en bijbehorende stukken, terstond naar de Officier van Justitie, die zo spoedig mogelijk op het bezwaar beslist. NB: de hiervoor genoemde mogelijkheid bezwaar aan te tekenen laat onverlet het recht om in zich voordoende gevallen een klacht in te dienen op grond van het Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming (zie hoofdstuk 6.1) |