|
1. Voorwoord De overheid heeft de verplichting om kinderen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Om aan deze verplichting te voldoen is de Raad voor de Kinderbescherming als overheidsorganisatie met een aantal wettelijke taken belast die erop gericht zijn de belangen van de minderjarigen te beschermen. De Raad kan deze taken en bevoegdheden ter bescherming van de rechten en belangen van het kind, onder meer door het doen van onderzoek, ook ongevraagd uitoefenen. De Raad dient de taken op zorgvuldige, deskundige en kenbare wijze uit te voeren. Dit rapport geldt als een algemene aanwijzing in de zin van artikel 1, vierde lid, van het Organisatiebesluit Raad voor de Kinderbescherming en beoogt een gelijke behandeling van zaken door de Raad voor de Kinderbescherming te bewerkstelligen alsmede de kenbaarheid van het handelen van de Raad voor de cliënt te vergroten. Dit is conform de toezegging die de toenmalige Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer heeft gedaan bij de behandeling van de inmiddels van kracht zijnde wet van 13 juni 1996 (Stb 1996, 328), waarin de reorganisatie van de 19 raden tot één Raad voor de Kinderbescherming formeel gestalte heeft gekregen. Dit rapport bevat de fundamentele kaders en beleidsregels die van toepassing zijn op de werkwijze van de Raad en dient leidraad te zijn bij de behandeling van zaken waarmee de medewerkers van de Raad bemoeienis hebben. De in het rapport gegeven beleidsaanwijzingen zijn bindend. Bij de behandeling van een individuele zaak kan hiervan in principe niet worden afgeweken. Daarnaast hanteert de Raad bij iedere categorie zaken de "Wopp" (Werkwijze en organisatie primair proces). Bij de voorbereiding van dit rapport is advies gevraagd aan het College van Advies voor de Justitiële Kinderbescherming, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming en het Platform van Samenwerkende Cliëntenorganisaties in Jeugdzorg en Familierecht. De adviezen en voorstellen zijn in belangrijke mate verwerkt. Bij de indeling van hoofdstuk 8 in dit rapport (civiele zaken) is om praktische reden voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de huidige registratieregels voor de civiele taken zoals deze in het geautomatiseerde informatiesysteem van de Raad voor de Kinderbescherming (KIS) wordt gehanteerd. Naast de in dit rapport aan de orde zijnde beleidsaanwijzingen kan de minister, indien daartoe aanleiding bestaat, in een individuele situatie concrete aanwijzingen geven. De citeertitel van het rapport luidt: "NORMEN 2000". De ondertitel luidt: "Beleidsregels met betrekking tot de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming." Het rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 bevat de grondslag en legitimatie voor het handelen van de Raad en de aan de werkwijze van de Raad te stellen kwaliteitseisen. De hoofdstukken 3 t/m 5 bevatten aanwijzingen die betrekking hebben op de rapportage door de Raad, alsmede het omgaan met en de openbaarheid van dossiers. Hoofdstuk 6 geeft een opsomming van de belangrijkste punten uit de op wet- en regelgeving gebaseerde klachten- en bezwarenprocedure. In hoofdstuk 7 worden de uitgangspunten en aanwijzingen voor de zittingsvertegenwoordiging door de Raad vermeld, dit vanwege een nadrukkelijke toezegging ter zake aan de Tweede Kamer. Hoofdstuk 8 bevat beleidsaanwijzingen met betrekking tot de werkwijze van de Raad in civiele zaken. Hoofdstuk 9 bevat beleidsaanwijzingen met betrekking tot de werkwijze van de Raad in strafzaken. Hoofdstuk 10 bevat een aantal bijlagen, waaronder een begrippenlijst.
|