|
Het
omgangsrecht tussen kinderen en hun vaders stoelt in Nederland op zeer
gebrekkige wetgeving. In feite is er slechts één wetsartikel dat dit
recht vastlegt, en dat is artikel
377 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit artikel stelt dat het recht op omgang dient te worden geëerbiedigd
zolang "het belang van het kind" zich daar niet tegen verzet.
De
vraag rijst dan onmiddellijk: wat is (in) het belang van het kind?
Deze
vraag wordt niet klinisch-wetenschappelijk benaderd, maar louter politiek-ideologisch.
Honderden wetenschappelijke studies wijzen namelijk uit dat het voor een
kind uiterst schadelijk is om te worden beroofd van de band met één
van zijn ouders. Toch gebeurt dat in Nederland zeer veelvuldig, althans
tussen kinderen en hun vaders. De enige reden daarvoor is in vrijwel
alle gevallen de onwil van de moeder om de band en de relatie tussen
kind en vader te respecteren. De redenering van de Staat is dan als
volgt: "Het kind heeft rust nodig" en "het kind mag niet
bekneld raken in het conflict tussen de ouders". Het kind dient
"dus" aan één der ouders te worden toegewezen. Dat is in
negen van de tien gevallen de moeder, omdat de heersende politieke
ideologie bepaalt dat kinderzorg gelijk staat aan vrouwenzorg (zie
verder).
Maar waarover ging dat conflict tussen de ouders? Juist, dat conflict
handelde over de omgang tussen kind en vader, een omgang die door de wet
wordt beschermd maar die moeder wilde verhinderen. En waarom wordt die
omgang tussen kind en vader vervolgens daadwerkelijk teniet gedaan?
Omdat het kind "niet in een conflict tussen de ouders mag worden
geplaatst".
Wie
enig gezond verstand heeft kan dus het volgende concluderen:
-
Als
de ouders een conflict hebben wijkt vanwege dat conflict het recht
van omgang tussen kind en vader.
-
Het
conflict zelf handelt vrijwel altijd juist over de omgang tussen
kind en vader.
-
Ergo:
vader verliest in alle gevallen de kinderen zodra moeder dit wenst.
Gaat hij geen conflict aan, dan legt hij zich bij de wil van moeder
neer en ziet hij zijn kinderen niet meer. Gaat hij wel een conflict
aan en legt hij de kwestie voor aan de kinderrechter, dan ziet hij
de kinderen ook niet meer, aangezien er dan "een conflict
tussen de ouders" is.
Het
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermt
het recht op family-life van kind en vader, tenzij er "zwaarwegende
omstandigheden" zijn om dat recht te beperken of te ontzeggen. Ook
hier rijst direct de vraag: wat zijn zwaarwegende omstandigheden?
De
Nederlandse wetgever heeft verzuimd deze "zwaarwegende
omstandigheden" in de voor ons geldende Nationale wetten op te
nemen. Het gevolg is dat iedere vader die van zijn kind is beroofd,
wordt verplicht zich tot het Europees Hof te wenden teneinde van dat Hof
te vernemen of deze de omstandigheden voldoende "zwaarwegend"
achtte.
Wie een kind van drie heeft en zich tot het Europees Hof wendt, krijgt
van dat Hof een uitspraak als dat kind een jaar of negen is. De
uitspraak van het Europees Hof kan dus hoogstens nog van principiële
betekenis zijn, want praktisch gesproken zijn kind en vader in die zes
tussenliggende jaren in ernstige mate van elkaar vervreemd. Dit kan niet
meer worden rechtgezet. Indien het Hof na die zes jaren stelt dat het
family-life ten onrechte werd aangetast, kan het wel een gevorderde
schadevergoeding toewijzen. De bedragen die hiermee gepaard gaan staan
echter in geen enkele verhouding tot de werkelijke schade en het leed
dat vader en kind zijn aangedaan. Ook het Europees Verdrag is in de
praktijk dus een dode letter.
Strijdigheid
met andere wetten
De handelwijze van de Staat, gebaseerd op artikel 377 van het Burgerlijk
Wetboek, is in strijd met diverse andere wetten en in strijd met de
Grondwet. Zo bepaalt de Grondwet in artikel 1 dat de Staat niet mag
discrimineren op grond van geslacht. Toch vindt deze discriminatie in
zeer ernstige mate plaats jegens ouders van het manlijk geslacht. Wie de
pech heeft als ouder niet toevallig de moeder maar de vader te zijn,
wordt door de Staat geacht een "normale omgang met zijn kind"
te hebben indien hij dat kind in het beste geval hooguit eenmaal per
veertien dagen een klein weekend ziet, en in het slechtste geval
helemaal niet.
Ook is er in Nederland een "Wet Gelijke Behandeling". Toch
worden vaders en moeders in Nederland in strijd met die wet zeer
ongelijk behandeld. Zodra een moeder een gerechtelijk vonnis strekkend
tot omgang tussen kind en vader niet naleeft, gebeurt er namelijk niets.
"Ingrijpen zou niet in het belang van het kind zijn". Leeft
vader eenzelfde vonnis op eenzelfde wijze niet na, dan staat binnen
vierentwintig uur de politie op de stoep om de kinderen mee te nemen. In
dat geval is het voor de kinderen kennelijk in het geheel niet
schadelijk om door agenten te worden meegenomen naar de andere ouder.
Vaders
bestaan niet
De onvermijdelijke conclusie is, dat vaders in ons land geen enkele
juridische status hebben. Als vader bestaan zij domweg niet. Als mens
overigens evenmin. Vaders die van hun kinderen worden beroofd, lijden
daar in zeer ernstige mate onder. Er is evenwel geen medische discipline
die hen dan serieus neemt. Toch wijzen ook hier vele wetenschappelijke
onderzoeken zonder uitzondering uit, dat de levenskansen van deze vaders
aanzienlijk kleiner worden. Zij ontwikkelen meer ziekten en sterven
sneller. Voor hun kinderen gelden overeenkomstige pessimistische
statistieken: zij lopen aanzienlijk meer kans te ontsporen, om
slachtoffer te worden van huiselijk geweld (in het gezin bij moeder), en
om psychische aandoeningen van lange duur op te lopen. Dit risico is er
niet zolang het contact met de eigen vader zo normaal mogelijk kan
blijven verlopen. Elders op deze website staat een overzicht van de vele
onderzoeken die tot deze onomstotelijke conclusies hebben geleid.
Staats-ideologie
Hoe komt het dat er in ons land niets verandert, terwijl in vele
andere landen het roer wordt omgegooid, omdat men daar ziet hoe ernstig
de gevolgen van het huidige beleid voor de betrokken kinderen en vaders
zijn? Helaas is in ons land door niemand een poging gedaan een goede
analyse te maken van de gang van zaken hier. De ruime ervaring van SOS
Papa leert ons echter:
-
Nederlandse
politici steunen een staats-ideologie waarin de kinderzorg exclusief
het domein van de moeder is. Het motto is daarbij: "voor wat
hoort wat". Nederlandse vrouwen worden namelijk veel meer dan
elders gediscrimineerd in het bedrijfsleven, hebben minder
carrièrekansen op de arbeidsmarkt en worden lager gehonoreerd dan
mannen. Ons land is zogezegd nogal achterlijk als het gaat om de
gelijkstelling van vrouwen en mannen in 'slands economie. Daar
krijgen die vrouwen echter wel wat voor terug: de Staat beschouwt
hen als degenen die exclusief verantwoordelijk zijn voor de zorg
voor de kinderen. Op dat gebied worden mannen op hun beurt dus
ernstig gediscrimineerd. Zo wordt een strikt ideologisch systeem
"met geven en nemen" krampachtig door de Staat in stand
gehouden.
-
De
rechterlijke macht is overbelast en heeft "protocollen"
ontwikkeld om binnen een kwartier een omgangskwestie af te handelen.
Hier heerst een volstrekte beroepsdeformatie en een bijna
onmenselijke vorm van cynisme. Rechters scheppen er groot genoegen
in zaken zo snel en handig mogelijk binnen het protocol te krijgen
op basis waarvan zij een routineuze uitspraak kunnen doen. Het
gevolg is dat het individuele kind niet meer aan bod komt, om van
zijn vader maar te zwijgen. Advocaten spelen behendig in op deze
gang van zaken en vergemakkelijken het de rechter op deze manier te
werk te gaan. In de rechtszaal gelden enkele platitudes omtrent
"het belang van het kind" dus als toverformules. Niemand
die zich intussen om het kind in kwestie bekommert, laat staan zich
in de zaak verdiept.
-
Rond
het omgangsrecht is een hele industrie ontstaan van
"toeleveranciers", zoals de Raad voor de Kinderbescherming
en FORA
Ook deze toeleveranciers zijn uitsluitend gericht op het door de
rechter gehanteerde protocol. Zij zorgen ervoor dat de routine in de
rechtszaal wordt versterkt en vullen deze derhalve aan met hun eigen
vaste formules. Van een onafhankelijke rechter is dan ook geen
sprake meer. De rechter baseert zijn uitspraken zoveel mogelijk op
het advies van deze toeleveranciers en neemt dat in bijna alle
gevallen letterlijk over. Het gevolg is dat de toeleveranciers al
tijdens hun "onderzoek" feitelijk op de stoel van de
rechter zitten. Deze heeft daar - zo leert de praktijk- geen enkel
bezwaar tegen.
-
Ook
de rechtshandhaving draagt haar steentje bij aan een "standaard
benadering". Indien een moeder een gerechtelijke uitspraak niet
naleeft, wordt dat gedoogd en gebeurt er niets. Overtreedt een vader
een gerechtelijke uitspraak, dan is het land ineens te klein. Deze
"standaard benadering" is een noodzakelijke steunpilaar
onder het bouwwerk dat wetgever en rechter hebben opgetrokken en de
handelwijze is dus ook niet toevallig. In feite blijkt uit de
onzinnige argumentatie waarvan deze vorm van
"rechtshandhaving" zich bedient, hoe wankel het bouwwerk
van wetgeving en recht is waar het omgangsrecht in ons land op
stoelt.
 |