|
ONTWERP
16 april 2004
Voorstel
van wet van het lid Luchtenveld tot wijziging van enige bepalingen
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (invoering van een
omgangsnorm, van de handhaving van het omgangsrecht van beide
ouders en van de mogelijkheid van echtscheiding zonder
rechterlijke tussenkomst)
Voorstel
van wet
Wij
Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het
Burgerlijk Wetboek een nadere regeling op te nemen voor de
ontbinding van het huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst,
alsmede omtrent de daaraan te stellen wettelijke vereisten en
teneinde een wettelijke norm inzake de verzorging van en omgang
met eventuele kinderen vast te leggen en nadere regels te stellen
omtrent de nakoming van tussen partijen gemaakte afspraken en
rechterlijke beslissingen daaromtrent;
Zo
is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL
I
Het
Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan
de tekst van artikel 149 wordt een nieuwe tekst geplaatst achter
letter c.:
c.
door
inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand van een
door beide echtgenoten en een of meer notarissen, advocaten of
scheidingsbemiddelaars die tevens jurist zijn ondertekende en
gedateerde verklaring waaruit blijkt dat en op welk tijdstip de
echtgenoten omtrent de beëindiging van het huwelijk een
overeenkomst hebben gesloten;
De
huidige tekst onder c. wordt geplaatst onder letter d.,
de huidige tekst onder letter d. wordt geplaatst onder
letter e. en de huidige tekst onder letter e. wordt
geplaatst onder letter f.
B
De
tekst van artikel 150 wordt geheel vervangen door de volgende
tekst:
De
in artikel 149 onder c. bedoelde overeenkomst betreft ten
minste de verklaring van beide echtgenoten dat hun huwelijk
duurzaam ontwricht is en dat zij het willen beëindigen. Voorts
betreft de overeenkomst, op straffe van nietigheid:
a.
een
ouderschapsplan dat ten minste afspraken omvat met betrekking tot:
1.
de wijze van uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk
gezag over de tot het gezin behorende kinderen;
2.
de gewone verblijfplaats van de tot het gezin behorende
kinderen als bedoeld in artikel 377a., tweede lid;
3.
de wijze waarop de ouders elkaar informatie verschaffen en
raadplegen bij gewichtige aangelegenheden ten aanzien van de tot
het gezin behorende kinderen;
4.
de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin
behorende kinderen;
b.
een
regeling ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud ten
behoeve van de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn
levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan
verwerven;
c.
wie
van de echtgenoten huurder van de woonruimte die hun tot
hoofdverblijf dient, zal zijn of wie van de echtgenoten gedurende
een bij de overeenkomst te bepalen termijn het gebruik zal hebben
van de woning en de inboedel die een van hen of hun beiden
toebehoren dan wel ten gebruike toekomen;
d.
een
regeling ten aanzien van de verdeling van enige gemeenschap waarin
de partners zijn gehuwd dan wel de verrekening die bij huwelijkse
voorwaarden is overeengekomen;
e.
de
verevening of verrekening van pensioenrechten.
C
Aan
de tekst van artikel 151 wordt een nieuw eerste lid toegevoegd. De
huidige tekst wordt verplaatst naar een toe te voegen tweede lid:
-
Echtscheiding
tussen echtgenoten die niet van tafel en bed gescheiden zijn,
wordt uitgesproken op verzoek van één der echtgenoten of op
hun gemeenschappelijk verzoek.
-
Echtscheiding
wordt op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken,
indien het huwelijk duurzaam ontwricht is.
-
Echtscheiding
op gemeenschappelijk verzoek als bedoeld in lid 1 is slechts
mogelijk indien partijen een schriftelijke overeenkomst als
bedoeld in artikel 150 bij het verzoekschrift hebben overlegd.
D
Toevoeging
van een nieuw artikel 377a. met het gevolg dat het oude artikel
377a. vernummerd wordt naar 377b. en zo verder:
-
Een
kind over wie ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen heeft
recht op een naar tijdsevenredigheid gelijke omgang met elk
van beide ouders.
-
Een
kind als bedoeld in het eerste lid heeft zijn gewone
verblijfplaats voor de helft van de tijd bij de ene ouder en
voor de helft van de tijd bij de andere ouder, waarbij een
kind ten hoogste zeven aaneengesloten dagen
zijn gewone verblijfplaats bij een ouder heeft.
-
Ouders
als bedoeld in het eerste lid kunnen van het bepaalde in het
tweede lid van dit artikel afwijkende afspraken maken in een
overeenkomst als bedoeld in artikel 149 onder c. of in
het kader van een procedure als bedoeld in artikel 151.
-
In
alle gevallen waarin een ouder de gemaakte of door de rechter
vastgestelde omgangsregeling schendt, kan de andere ouder het
geschil aan de rechtbank voorleggen op grond van het bepaalde
in artikel 253a. De rechtbank gelast vervolgens binnen zeven
dagen nadat het geschil haar is voorgelegd een comparitie
waartoe beide ouders worden opgeroepen teneinde een vergelijk
te beproeven. Slaagt zij hierin niet, dan legt de rechtbank de
weigerachtige ouder een maatregel op die haar in het
specifieke geval als het meest geëigend voorkomt.
ARTIKEL
II
Deze
wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
(Lasten
en bevelen….)
MEMORIE
VAN TOELICHTING
ALGEMEEN
1.
Inleiding
De
primaire doelstelling van het onderhavige wetsvoorstel is om de
verantwoordelijkheid voor de echtscheiding en de omgang met de
kinderen bij de echtgenoten te laten.
Dit
vergt een mentaliteitsverandering. Het motto is: als je samen kunt
trouwen en kinderen verwekken, kun je ook samen scheiden. Het gaat
in de kern derhalve om een zekere dejuridisering van de
echtscheiding. Uiteraard blijft in klemmende gevallen de gang naar
de rechter mogelijk maar uitsluitend als ultimum remedium.
Voorts
dient het recht aan te sluiten bij de maatschappelijke realiteit.
Deze is dat het overgrote deel van de echtscheidingen door de
echtgenoten zelf kan worden geregeld, al dan niet met behulp van
een bemiddelaar. Dit is ook de wens van vele echtgenoten. Dezen
nemen thans in toenemende mate hun toevlucht tot de gekunstelde
omweg van de zogenaamde flitsscheiding, teneinde een procedure via
de rechtbank overbodig te maken (zie ook het artikel van mr.
L.J.H. Gijbels in het septembernummer 2003 van EB,
Tijdschrift voor scheidingsrecht).
Tevens
moeten ouders zelf primair verantwoordelijk blijven voor de
opvoeding en verzorging van en het opstellen van een
omgangsregeling met hun kinderen. Voor zover afspraken daarover
door een van de ouders niet worden nageleefd, voorziet dit
wetsvoorstel in een voorstel tot verbetering van de nakoming.
2.
Aangaan en ontbinden van relaties
Bij
het aangaan van een relatie tussen personen is de
overheidsbemoeienis zeer beperkt. Zowel het huwelijk als het
geregistreerde partnerschap worden ingeschreven in de burgerlijke
stand. Dit zijn louter formele handelingen, zonder dat er een
inhoudelijke toets plaatsvindt.
Ook
bij het ontbinden van een relatie is de overheidsbemoeienis
beperkt. Er is wel een uitzondering. De overheidsbemoeienis is
nadrukkelijk aanwezig als een huwelijk wordt ontbonden. Dit geldt
ook voor beëindiging van een geregistreerd partnerschap zonder
gemeenschappelijk verzoek. Dit vanuit de achterliggende gedachte
dat de overheid de zwakkere partij dient te beschermen.
Als
een huwelijk wordt ontbonden, start een zogenaamde
echtscheidingsprocedure.
Het
ontbinden van een huwelijk geschiedt bij rechterlijke beschikking,
die wordt ingeschreven in de burgerlijke stand. Bij de procedure
voor de rechter is procesvertegenwoordiging door een advocaat
verplicht. Dat betekent een tamelijk bureaucratisch proces en
tevens (gedwongen) hoge kosten voor betrokkenen. Bij een
gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding waarbij geen verschil
van mening aan de rechter wordt voorgelegd heeft de rechter geen
enkele mogelijkheid van toetsing of oordeelsvorming.
De
enige wettelijke reden voor de rechter om een scheidingsverzoek
niet te honoreren is het ontbreken van “duurzame ontwrichting
van het huwelijk”.
Indien
partijen stellen dat hiervan sprake is, is de rol van de rechter
al uitgespeeld, immers artikel 154 lid 1 geeft aan dat de rechter
zich moet conformeren aan het door partijen gestelde.
Een
geregistreerd partnerschap kan in beginsel door de partners
zelf worden beëindigd, zonder rechterlijke toets. Wel vindt een
juridische toetsing plaats door een advocaat of een notaris.
Een
samenlevingscontract wordt tussen partijen onderling, of
via de notaris, ontbonden. Hier blijft overheidsbemoeienis dus
geheel achterwege.
Deze
feiten geven aanleiding om te komen tot een herbezinning van de
rol en de taak van de overheid bij het ontbinden van relaties.
De
vraag is derhalve: moet het ontbinden van een relatie aan de
betrokken personen zelf worden overgelaten of bestaat er reden
voor de overheid om regels te stellen? En als die rol er is,
waaruit bestaat die dan? Moet er een principieel verschil zijn
tussen het aangaan en het ontbinden van een relatie? Indien er
kinderen in het geding zijn, dient de overheid in ieder geval de
taak te hebben het belang van het kind te waarborgen.
Een
ander belangrijk punt vormt mitsdien de onwenselijke situatie die
in echtscheidingsprocedures thans te vaak ontstaat met betrekking
tot de omgang door beide ouders met de kinderen. Kinderen worden
met grote regelmaat de speelbal van de ouders die over hun rug
partneremoties op elkaar botvieren. De rechter neemt zijn
toevlucht tot deskundigenrapporten die worden opgesteld door de
Raad voor de Kinderbescherming. Maar hij zou de ouders moeten
confronteren met de verantwoordelijkheid die zij op zich hebben
genomen toen zij besloten kinderen te krijgen; deze
verantwoordelijkheid eindigt niet daar waar de (huwelijkse)
relatie strandt. Zaken die tijdens het huwelijk geen probleem
vormden zouden dat ook niet moeten worden door het verbreken
daarvan. Veel ouders begrijpen of zijn ervan te overtuigen dat hun
ouderrol een andere is dan hun ex-partnerrol.
3.
Overwegingen
Invoering
van het onderhavige wetsvoorstel levert de volgende voordelen op.
Echtscheidingen
worden in beginsel door
de echtgenoten zelf afgewikkeld; zij nemen de verantwoordelijkheid
voor hun eigen (relationele) problemen. Dit leidt tot het afnemen
van “vechtscheidingen”: echtscheidingen die escaleren omdat de
echtgenoten tegenover elkaar worden gepositioneerd. Ingeval er
kinderen zijn is een dergelijke positionering (vechthouding) ook
volkomen onverantwoord. Een huwelijk kan worden opgebroken,
ouderschap blijft altijd.
De
kwaliteit van de door de echtgenoten zelf gemaakte afspraken is
voorts -blijvend- veel groter, juist omdat deze afspraken door hen
zelf zijn gemaakt. Het proces dat tot het maken van deze afspraken
leidt, is immers een proces van bewustzijnsvergroting.
Een
bijkomend -groot- voordeel is dat de rechterlijke macht niet meer
wordt belast met zaken waarin zij vrijwel geen toegevoegde waarde
biedt. Dit leidt tot verlichting van de werkdruk en
kostenbesparingen. Dit wetsvoorstel kan derhalve een niet
onbelangrijke financiële bijdrage leveren aan de vergroting van
capaciteit die ingezet kan worden op het terrein van de
veiligheidshandhaving.
Het
wetsvoorstel sluit naadloos aan bij de reeds bestaande
maatschappelijke realiteit van het scheiden zonder rechter. Via de
route van de flitsscheiding is de administratieve beëindiging van
het huwelijk immers reeds een door velen gewenst feit (zie ook het
Editorial van prof. dr. K. Boele-Woelki in het juninummer 2003 van
het Tijdschrift voor
familie- en Jeugdrecht).
Indien
een echtscheiding in beginsel als een niet-juridisch maar
relationeel fenomeen wordt beschouwd, zijn in de meeste gevallen
ook besparingen mogelijk op de gefinancierde rechtshulp. Wel zou
kunnen worden voorzien in een bijdrage in de kosten van
scheidings- en omgangsbemiddeling via
een erkende mediator, bijvoorbeeld door betaling van
bijvoorbeeld 12 bemiddelingsuren aan degenen die thans in
aanmerking zouden komen voor gefinancierde rechtshulp.
4.
Mediation
Zeker
de laatste jaren is er in de praktijk in toenemende mate ervaring
opgedaan met vormen van mediation voor het oplossen van
conflicten. Ook nu zijn er tal van succesvolle experimenten op het
gebied van mediation bij echtscheidingen, waardoor de verplichte
gang naar de rechter eigenlijk niet meer nodig is. De huidige
rechtspraktijk laat overigens zien dat indien de advocaten van de
twee conflicterende partijen het eens zijn, de rechter geen toets
kan of mag doen. De rechter wordt in deze gevallen dus eigenlijk
onterecht belast.
Ook
in gevallen waarbij kinderen en de omgang door de ouders met hen
in het geding zijn blijkt mediation als vorm van conflictoplossing
zeer succesvol te zijn. Wel moet uiteraard een toegang tot de
rechter mogelijk blijven. Dit wordt overigens ook voorgeschreven
in onze Grondwet (artikel 17) en via internationale verdragen.
Verwezen wordt in dit kader naar het onderzoek van Mr. B.E. S.-L.
Chin-A-Fat: Scheiden: (ter)echter zonder rechter. Een onderzoek
naar de meerwaarde van scheidingsbemiddeling.
Inmiddels
heeft een behoorlijk aantal reeds zeer goed gekwalificeerde
bemiddelaars met een juridisch-academische achtergrond op VFAS of
VMN-niveau de (top)cursus Forensische Mediation gevolgd en
is de belangstelling voor de desbetreffende opleiding groot. Deze
opleiding is ook toegankelijk voor anderen dan advocaten of
notarissen die beschikken over een vergelijkbare juridische
achtergrond. Te denken valt aan (gewezen) rechters of
wetenschappers. Naar verwachting zijn er op korte termijn dan ook
voldoende bemiddelaars van het gewenste niveau beschikbaar.
5.
Nieuwe regeling
De
nieuw voorgestelde regeling is eenvoudig en transparant. Daarnaast
is het uitgangspunt een vorm van drang, en niet dwang. Om de
nieuwe regeling succesvol te laten zijn dienen er voldoende
bemiddelaars (mediators) beschikbaar te zijn.
Gekozen
is voor het invoegen in Boek 1 Burgerlijk Wetboek van een regeling
die in hoofdlijnen overeenkomt met de huidige artikelen 1:80c en
80d BW.
De
laatstgenoemde regeling blijkt in de praktijk goed te werken.
6.
Omgangsregelingen
Ouders
zijn en blijven verantwoordelijk voor het opstellen van een
deugdelijke omgangsregeling voor hun kinderen. Daarom is het
noodzakelijk om een omgangsnorm in de wet op te nemen. Het
moet echtgenoten duidelijk zijn dat de scheiding in beginsel geen
verandering aanbrengt waar het betreft hun ouderschap. De norm
dient dan ook duidelijk te maken dat de wetgever geen onderscheid
maakt tussen de ouders.Wettelijk vastgelegde normen zijn voorts
onontbeerlijk waar het bemiddeling betreft: bemiddeling vindt
immers plaats in de schaduw van de normen die wettelijk zijn
vastgelegd.
Tevens
speelt reeds jarenlang het probleem van de naleving van
gezagsvoorzieningen/omgangsregelingen die door de rechter zijn
opgelegd. In de praktijk komt soms niets terecht van naleving.
7.
Naleving
Ten
aanzien van de naleving van omgangsregelingen zijn er vier
situaties te onderscheiden:
1.
de betrokkenen maken zelf een regeling en voeren deze ook
uit;
2.
de betrokkenen voeren de door de rechter opgelegde regeling
uit;
3.
de man voert de al dan niet door de rechter opgelegde
regeling (deels) niet uit; gevolg is dat er vrijwel meteen
sancties door de overheid worden opgelegd;
4.
de vrouw voert de al dan niet door de rechter opgelegde
regeling (deels) niet uit; sancties door de overheid blijven
meestal achterwege;
Zo
komt het te vaak voor dat een niet-verzorgende ouder (heel vaak de
man) het kind jarenlang niet ziet.
Waar
het gaat om het vaststellen van een omgangsregeling, dient het
initiatief en de verantwoordelijkheid in principe bij de
betrokkenen zelf te liggen. Slechts indien bemiddeling geen uitweg
meer biedt, behoort een beroep op overheidsbemoeienis worden
gedaan. Als de overheid (de rechter) een omgangsregeling
vaststelt, dient deze wel adequaat te worden nageleefd. Indien dat
niet het geval is, moet de overheid toezien op naleving en de
middelen daartoe ter beschikking stellen Het past in het beter
naleven van normen en waarden dat niet vrijblijvend met
rechterlijke uitspraken wordt omgegaan.
Daarnaast
moet een korte, maar efficiënte rechtsgang mogelijk blijven voor
omgangsgeschillen tussen ouders die na de scheiding gezamenlijk
het gezag over hun kinderen hebben (i.e. de overgrote meerderheid
van deze ouders).
Tot
slot kan nog worden overwogen om een drempel in te bouwen waar het
betreft de toegang tot de rechter. Het ligt voor de hand om hier
te kiezen voor een verhoogd griffierecht (drang en geen dwang).
Een dergelijke maatregel valt echter buiten het bereik van dit
wetsvoorstel.
8.
Slot
Het
onderhavige wetsvoorstel is zeer overzichtelijk, kan snel worden
ingevoerd op eenvoudige wijze en sluit goed aan bij de huidige
systematiek. Indien ingevoerd leidt het er toe dat echtgenoten het
einde van hun huwelijk gaan associëren met eigen
verantwoordelijkheid en met bemiddeling in plaats van met conflict
en rechtbank. Dit effect is vergelijkbaar met het effect dat is
opgetreden na de invoering van het gezamenlijk gezag.
Dat
het gezamenlijk gezag na scheiding voortduurt aanvaardt vrijwel
iedereen nu als volkomen vanzelfsprekend: het is immers de
wettelijke norm.
ARTIKELGEWIJZE
TOELICHTING
A.
toelichting op artikel 149
Zoals
reeds blijkt uit het voorgaande is gekozen voor het introduceren
van de mogelijkheid van beëindiging van het huwelijk in
onderling overleg naar analogie van de regeling die thans waar het
betreft het geregistreerd partnerschap is opgenomen in artikel
80c. Boek 1 Burgerlijk Wetboek.
Het
bestaande systeem van het uitspreken van de echtscheiding door de
rechter wordt geheel in tact gelaten maar -waar het betreft de
volgorde der artikelen- voorafgegaan door de mogelijkheid van beëindiging
door de echtgenoten. De wetgever maakt daarmee duidelijk –echter
zonder dwang uit te oefenen- dat beëindiging door de echtgenoten
zelf de norm is en ontbinding door de rechter middels het
uitspreken van de echtscheiding de uitzondering.
Via
de indirecte en gekunstelde omweg van de zogenaamde flitsscheiding
is de beëindiging van het huwelijk
reeds enkele jaren in de praktijk beproefd en er zijn
daarbij geen wezenlijke problemen naar voren gekomen. Kleine
obstakels die zich voordeden op de weg van de flitsscheiding
worden automatisch opgeheven door de positionering van het artikel
in Titel 9 van Boek 1 Burgerlijk Wetboek. Deze positionering leidt
er immers toe dat alle artikelen van deze titel ook op de beëindiging
van het huwelijk van toepassing zijn.
In
vergelijking met artikel 80c. Boek 1 Burgerlijk Wetboek is de
scheidingsbemiddelaar die tevens jurist is, toegevoegd als een van
de professionals die de overeenkomst mede-ondertekenen. Beoogd
zijn hier gewezen advocaten, gewezen notarissen,
kandidaat-notarissen en (gewezen) rechters en wetenschappers. Het
verdient waarschijnlijk aanbeveling om te komen tot een register
van professionals die bevoegd zijn tot mede-ondertekening.
Immers,
bij voorbaat staat evenmin vast dat elke advocaat of
notaris in staat is de desbetreffende overeenkomst op zijn
juridische merites te toetsen.
B.
toelichting op artikel 150
Dit
artikel is de tegenhanger van artikel 80d. Boek 1 Burgerlijk
Wetboek maar vult dit aan en wijkt er van af op enkele meer
ondergeschikte punten.
De
aanvullingen betreffen:
-
de
verplichting voor de echtgenoten om de onderwerpen die
in dit artikel onder a. tot en met e. worden
opgesomd uit te werken in de overeenkomst, op straffe van
nietigheid;
-
de
toevoeging van het ouderschapsplan als (verplicht)
onderdeel van de overeenkomst.
Deze
aanvullingen zijn opgenomen omdat er naar de mening van de
indiener geen reden is voor vrijblijvendheid op dit terrein. Met
name de vormgeving van het ouderschap in een ouderschapsplan vergt
een adequate uitwerking. Hiervoor zij verwezen naar het voorgaande
in deze toelichting.
De
overeenkomst levert geen executoriale titel op.
In
de eerste plaats kan worden opgemerkt dat het afdwingen via de geëigende
rechtsmiddelen ook in het geheel niet past bij het samen de
verantwoordelijkheid nemen voor de beëindiging van het huwelijk
door de echtgenoten. In de meeste convenanten die door bemiddeling
tot stand komen wordt dan ook een regeling opgenomen die er toe
strekt dat de echtgenoten ingeval van toekomstige geschillen zich
opnieuw wenden tot de bemiddelaar teneinde tot een oplossing te
komen. Ingeval de echtgenoten toch een executoriale titel wensen,
kan deze eenvoudig worden verkregen door de overeenkomst op te
laten maken in de vorm van een notariële akte. Veelal zal notariële
tussenkomst toch reeds aan de orde zijn in verband met de
verdeling van de echtelijke woning en/of het afsluiten van een
nieuwe hypothecaire lening. Ook zou in uitzonderlijke gevallen de
rechter kunnen worden gevraagd om een verklaring voor recht af te
geven.
C.
toelichting op artikel 151
Gekozen
is voor de samenvoeging van de tekst van artikel 150 (oud) Boek 1
Burgerlijk Wetboek en de tekst van artikel 151 (oud) Boek 1
Burgerlijk Wetboek. Materiële wijzigingen worden niet beoogd.
D.
toelichting op artikel 377a.
De
achtergronden van dit voorgestelde artikel en de uit hoofde
daarvan gemaakte keuzen zijn in het voorgaande al uitvoerig aan de
orde geweest. Hier zij herhaald dat het artikel beoogt een
duidelijke norm te geven en overigens de keuzevrijheid van de
ouders voorop stelt.
Met
betrekking tot de geschillenregeling die is opgenomen in het
vierde lid van het artikel wordt opgemerkt dat hiermee een
laagdrempelige rechtsingang wordt gecreëerd waar het betreft
conflicten over omgangsregelingen. De gedachte is dat een ouder of
beide ouders het desbetreffende geschil zelf kan/kunnen voorleggen
aan de rechtbank, zonder tussenkomst van een procureur.
Hiertoe dienen de rechtbanken gezamenlijk een voor iedere
rechtbank gelijkluidend en zeer eenvoudig toepasbaar protocol op
te stellen.
Vervolgens
vindt binnen 7 dagen een comparitie plaats waarin onder leiding
van de rechter wordt gezocht naar een oplossing voor het geschil.
Ingeval geen oplossing wordt gevonden, legt de rechter de
maatregel op die hem als zijnde het meest geëigend voorkomt. De
rechter heeft daartoe een zeker arsenaal aan rechtsmiddelen
beschikbaar.
Uiteraard
staat ook in het geval van een conflict over de omgangsregeling de
ouderlijke verantwoordelijkheid voorop en dienen zij –ingeval
zij in onderling overleg geen oplossing vinden- zich eerst te
wenden tot een bemiddelaar. Het laagdrempelige karakter ten spijt
is rechterlijke tussenkomst ook in deze conflicten de uitzondering
die de regel bevestigt.
De
rechter zal de kosten verbonden aan zijn tussenkomst in beginsel
dan ook dienen te laten voldoen door de ouder die de
omgangsafspraken schendt, danwel zich niet constructief heeft
opgesteld bij de bemiddeling of de comparitie.
Het
onderhavige artikel is uit de aard der zaak alleen van toepassing
ingeval ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Verwacht mag
worden dat door toekomstige wetswijziging het leeuwendeel van de
omgangsconflicten tussen geregistreerde partners en tussen
samenwoners onder de werking van dit artikel wordt gebracht,
aangezien ook zij alsdan van rechtswege gezamenlijk het gezag
zullen uitoefenen over hun kinderen tijdens de relatie en na de beëindiging
daarvan. Uiteraard ziet het artikel nu reeds op die geregistreerde
partners en samenwoners die er zelf voor hebben gekozen om
gezamenlijk het gezag over hun kinderen uit te oefenen tijdens hun
relatie en na de beëindiging daarvan. Overigens heeft het
merendeel van de geregistreerde partners geen kinderen.
Luchtenveld
|