Ouder
blijf je
Een
PvdA-notitie over ouderschap en scheiding
Tweede
Kamerfractie PvdA
Ella
Kalsbeek
Den
Haag, april 2004
Inhoud
1. Samenvatting
2.
Inleiding
Verantwoord ouderschap voor altijd
3.
Over echtscheiding
Feiten en cijfers
Ouderlijke macht: wet- en regelgeving
Deskundigen over kind en scheiding
4.
Problemen in de praktijk; visie van de PvdA
Publiekscampagne
Verplicht ouderschapsplan op maat
Rechter toetst ouderschapsplan
Uitzondering op de regel
Als niet alles volgens plan verloopt
Infrastructuur voor hulpverlening
Effectieve en daadkrachtige jeugdzorg
Juridische
procedures en sancties als uiterste
noodzaak
1.
Samenvatting
Bij
een echtscheiding moet het belang van het kind voorop staan, vindt
de PvdA. Scheiden kan niet zomaar. Ouders moeten weten dat
ouderschap altijd doorgaat en dat zij hiervoor gezamenlijk
verantwoordelijk zijn. Eerst moeten ze goed nadenken over de
consequenties van de scheiding voor hun kind(eren). Een
publiekscampagne moet ouders van hun verantwoordelijkheden
doordringen.
Besluiten
ze na rijp beraad toch tot scheiden, dan zijn ze verplicht eerst
samen een ouderschapsplan op te stellen. Daarin leggen ze
bijvoorbeeld vast hoe ze zorg, omgang en informatie-uitwisseling
na de scheiding zullen regelen. Geen vrijblijvend plan, maar een
document dat de rechter aan een aantal criteria zal toetsen. Pas
als de rechter akkoord is met het ouderschapsplan, kan hij de
scheiding uitspreken.
De
PvdA denkt dat de meeste ouders heel goed zelf zo’n plan kunnen
opstellen. Ouders die daar niet (helemaal) in slagen, kunnen, zo
nodig op verzoek van de rechter, een beroep doen op begeleiding,
bemiddeling en allerlei vormen van hulpverlening (bijvoorbeeld
omgangshuizen en begeleide omgangsregelingen). Hiertoe worden in
gemeenten laagdrempelige (informatie)centra voor hulp bij
scheiding en omgang ingericht. Betaling vindt plaats naar
draagkracht. Ook nadat een ouderschapsplan is vastgesteld, moet
volop hulp beschikbaar zijn. Als het mis dreigt te gaan met een
kind, moet jeugdzorg en jeugdhulpverlening effectief kunnen worden
ingeschakeld.
De
PvdA is ervan overtuigd dat voluit inzetten op hulpverlening een
groot preventief effect heeft en slepende en dure juridische
procedures voorkomt. De PvdA pleit daarom voor een verregaande
dejuridisering van het beleid rond omgang en scheiding. Conflicten
die desondanks toch bij de rechter belanden, worden zo snel
mogelijk afgedaan. Dwangmiddelen worden als ultieme remedie
opgelegd bij het consequent schenden van afspraken.
2.
Inleiding
Verantwoord
ouderschap voor altijd
Jaarlijks
eindigen zo’n 35 duizend huwelijken in een scheiding. Meestal
gaan de voormalige echtelieden op redelijke wijze met elkaar om.
Gelukkig. Maar dat is niet altijd zo. Regelmatig leidt een
echtscheiding tot ruzies en conflicten. Vaak tot in de rechtszaal
toe. Financiën, omgang met kinderen of een combinatie van beide
kunnen de bron zijn van een slepend conflict. Dat twee mensen
elkaar naar het leven staan is treurig, maar daarom niet
noodzakelijkerwijs een zaak voor politieke bemoeienis. Anders
wordt het als (minderjarige) kinderen in het spel zijn. Zij hebben
niet om een scheiding gevraagd, zijn geen partij in de ruzie, maar
worden vaak letterlijk ‘kind van de rekening’. Dat moet
anders, vindt de PvdA. Het belang van het kind rechtvaardigt
politieke bemoeienis. Er is slechts één goede oplossing: vaders
en moeders vullen ook tijdens en na een scheiding hun ouderschap
verantwoord in. Gaat dat niet goed en worden kinderen hiervan het
slachtoffer, dan ligt er een taak voor de overheid.
Hoe
kan verantwoord ouderschap na scheiding het beste worden
bewerkstelligd in het belang van het kind? Deze vraag staat hier
centraal en daartoe beperken we ons ook. Allerlei andere uitermate
relevante kwesties rondom scheidingen, zoals alimentatie, vallen
buiten het bestek van deze nota. Hoe zit het met de feiten en
cijfers? Wat zegt de wet? Hoe zien deskundigen het kind van
gescheiden ouders? Wat zien we in de praktijk van vandaag? En
tenslotte: wat zijn de aanbevelingen van de PvdA voor de
toekomst?
3.
Over echtscheiding
Feiten
en cijfers
Echtscheidingen
komen voor de Tweede Wereldoorlog weinig voor. We zien een korte
hausse aan scheidingen vlak na de oorlog (tot tienduizend
scheidingen per jaar). Ook in de jaren vijftig en zestig blijft
het aantal scheidingen beperkt. Daarin komt verandering na de
herziening van de scheidingswetgeving in 1971. De wet laat
‘duurzame ontwrichting’ toe als scheidingsgrond. Dat opent
deuren. Vanaf dat moment neemt het aantal echtscheidingen gestaag
toe. In de laatste twee decennia stabiliseert het aantal: ongeveer
een op de vier huwelijken eindigt in een scheiding.
In
1996 vinden 34.900 echtscheidingen plaats. In 16.200 gevallen zijn
daarbij minderjarige kinderen (29.500) betrokken. In 2001
scheiden 37.000 echtparen. Het grootste aantal ooit. Het gaat om
19.700 scheidingen waarbij in totaal 36.300 kinderen betrokken
zijn. Het jaar 2002 meldt 33.000 echtscheidingen. Bij 18.700 ervan
zijn in totaal 34.700 kinderen in het spel. (bron: CBS)
Ongeveer
een kwart van de kinderen heeft na echtscheiding geen contact meer
met de niet-verzorgende ouder. Nog eens een kwart heeft slecht
contact met de niet-verzorgende ouder. Verreweg de meeste kinderen
(85 procent) blijven na de scheiding bij hun moeder wonen. Tien
procent bij hun vader. Slechts in drie procent van de gevallen is
sprake van co-ouderschap. ( Literatuurstudie “Het verdeelde
kind” in opdracht van de Raad voor de Kinderbescherming (2003),
gebaseerd op Bauserman (2002), Kalmijn en De Graaf (2000) en
Kosmos (2001)).
De
Raad voor de Kinderbescherming behandelt jaarlijks zo’n 2300
omgangsregelingen en 1300 gezagszaken. (bron: Raad voor de
Kinderbescherming)
Ouderlijke
macht: wet- en regelgeving
Scheiding
en gezag
Vóór
1995 hebben beide ouders alleen tijdens het huwelijk de ouderlijke
macht (gezag). Na een scheiding krijgt een van de ouders de
voogdij over het kind. De andere ouder wordt meestal benoemd tot
‘toeziend voogd’. Een aantal uitspraken van de Hoge Raad in de
jaren tachtig leidt tot een fundamentele wijziging van deze
wetgeving. Aanleiding hiervoor is het principe continuation of
family life, dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees
Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). ‘Ouders en kinderen
hebben in principe een onvervreemdbaar recht op een
gezinsleven’, zo luidt de kern van dit artikel. De Hoge Raad
oordeelt dat de ouderlijke macht na een scheiding alleen mag worden
beëindigd als dit in het belang van het kind is. Met andere
woorden: ontkoppeling van huwelijk en gezag. Dit nieuwe principe
wordt in 1995 in wetgeving vervat, zij het voorzichtig. Als beide
ouders dat wensen, kunnen zij de rechter verzoeken de ouderlijke
macht te laten doorlopen. Dit gebeurt als de rechter van oordeel
is dat de ouders een goede onderlinge verstandhouding hebben en
het belang van het kind niet in het geding is.
Op
1 januari 1998 treedt -na advies van de commissie Herziening
Scheidingsprocedures (Anders scheiden, commissie-De Ruiter,
1996)- de huidige wetgeving in werking: het gezamenlijk ouderlijk
gezag blijft na een scheiding in principe bestaan. Een rechtelijke
beslissing is hiervoor niet meer nodig. Wel kan een ouder of
kunnen beide ouders de rechter verzoeken het gezag alleen aan een
van hen toe te wijzen. Zo’n gezagswijziging moet dan wel
aantoonbaar in het belang van het kind zijn. Ook kan de rechter op
verzoek van een kind ouder dan twaalf jaar, een beslissing nemen
over het gezag. Op dit moment is het principe continuation in
family life tamelijk vergaand in wetgeving vastgelegd. De
regering benadrukt in de memorie van toelichting dat met de
principiële wijziging van de gezagsregeling uit 1998 ‘de
overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het familie-
en gezinsleven (art. 8 EVRM) bij scheiding zo beperkt mogelijk
[is]’.
Recht
op omgang
Lange
tijd is niets vastgelegd in de wet over de omgang van ouders met
hun kinderen na scheiding. Dat verandert in 1971. Op verzoek van
de ouder die geen voogd is, kan de rechter een omgangsregeling
treffen voor deze ouder met zijn kind. In het belang van het kind
kan de rechter dit verzoek ook naast zich neerleggen. Van een
‘recht op omgang’ is dan ook geen sprake. Dit recht wordt per
1 december 1990 wel expliciet in de wet opgenomen. In principe is
het aan de ouders zelf om een omgangsregeling vast te stellen.
Komen zij er samen niet uit, dan kan de rechter dat doen. In
slechts enkele gevallen kan de rechter afwijken van het ‘recht
op omgang’. Ook dat regelt de wet (artikel 1:377a, lid 3 BW).
Afwijken kan wanneer sprake is van ernstig nadeel voor geestelijke
of lichamelijke ontwikkeling van het kind, kennelijke
ongeschiktheid van de ouder, ernstige bezwaren van het kind (ouder
dan twaalf jaar) zelf en als de omgang op een andere manier in
strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De
wet bepaalt tevens dat de ouder die belast is met het gezag, de
andere ouder op de hoogte houdt van ‘gewichtige
aangelegenheden’ met betrekking tot het kind. Maar ook deze
informatieplicht kan de rechter buiten werking stellen als dat in
het belang is van het kind. In de praktijk geldt die
informatieplicht regelmatig als compensatie voor het gebrek aan
omgang. Tenslotte kan
de rechter in geval van gezamenlijk gezag (regel na 1998) een
omgangsregeling vaststellen tussen kind en ouder ‘bij wie het
kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft’(art. 1:377h, BW). In
zo’n geval kan de rechter de omgang in principe niet ontzeggen.
Gezag impliceert immers omgang. De praktijk ziet er echter
regelmatig anders uit: ouders die wél gezag hebben over hun
kinderen, maar geen omgang met hen. Zelfs niet wanneer er een
rechterlijke uitspraak ligt.
Het
principe ‘gezamenlijk ouderlijk gezag’ zegt nog niets over de
wijze waarop beide ouders het ouderschap invullen. Het zegt ook
niets over hun verantwoordelijkheden voor de kinderen. Dit is niet
expliciet opgenomen in de wet en het wordt dus ook niet getoetst.
De wet gaat er in principe vanuit dat de ouders hun gezag zonder
problemen kunnen invullen. In de praktijk blijkt dat lang niet
altijd het geval. Overigens werd de invulling van het ouderschap
wel getoetst toen het ouderlijk gezag in principe nog bij één
ouder was ondergebracht.
Als
een minderjarige zo opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke
belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, kan de
rechter hem onder toezicht stellen. Voor dit toezicht benoemt de
rechter een gezinsvoogdij-instelling (art 1: 254 ,BW).
Ondertoezichtstelling (OTS) beperkt het ouderlijk gezag, maar
ontneemt het niet. Soms spreekt de rechter, op advies van de Raad
voor de Kinderbescherming, een OTS uit om een omgangsregeling te
realiseren of vlot trekken. In de volksmond wordt dit ook wel een
‘omgangs-OTS’genoemd. Alleen het feit dat omgang moet worden
geregeld, kan volgens de wetgever een OTS niet rechtvaardigen.
Toch komt het in de praktijk nogal eens voor. Meestal is er dan
sprake van meer problemen dan alleen de omgang met het kind.
Recent bepaalde de Hoge Raad dat de keuze voor een
‘omgangs-OTS’ beter moet worden gemotiveerd
.
Deskundigen
over kind en scheiding
De
(juridische) discussies gaan meestal over het recht
van de ouders. Het kind als ‘lijdend voorwerp’. Het zou anders
moeten zijn, vindt onder andere Liesbeth Smulders-Groenhuijsen,
gedragsdeskundige bij de Raad voor de Kinderbescherming. Zij
betoogt dat het recht op omgang eigenlijk een recht is van het
kind. Ouders hebben de plicht
zinvol contact met hun kind te onderhouden.
Deskundigen
hanteren veelvuldig de theorie van de Hongaar Nagy. Nagy beweert
dat een kind een natuurlijke loyaliteit heeft aan beide ouders. In
geval van scheiding kan de loyaliteit aan een ouder
‘ondergronds’ gaan. Dan is sprake van een gespleten
loyaliteit. Kinderen vertellen soms ogenschijnlijk tegenstrijdige
dingen. Ze doen dit om hun ‘openlijk’ loyale ouder tevreden te
stellen. Een kind vertelt dan bijvoorbeeld zijn moeder dat het
bezoek aan zijn vader vreselijk was. Maar zijn vader had hij bij
afscheid nog laten weten hoe leuk hij het had gevonden.
Populair
bij vaders en hun actiegroepen is de theorie van de Amerikaanse
hoogleraar kinderpsychiater Gardner: het Pariental Aliention
Syndroom (PAS). Zonder direct aanwijsbare oorzaak kleineert,
beschuldigt en stagneert het kind de niet-verzorgende ouder. Dit
kan een verklaring geven voor sommige beschuldigingen van misbruik
en mishandeling. Omdat het kind worstelt met loyaliteit aan de
ouders, kiest het partij voor de verzorgende ouder en keert zich
tegen de ander. Naast dat er sprake is van ‘hersenspoelen’
door de verzorgende ouder, doet het kind actief mee in de strijd
tegen de niet-verzorgende ouder. Wetenschappelijk is PAS niet
onomstreden. Toch wordt de kern van Gardners analyse wel serieus
genomen.
Na
een echtscheiding kan het voor een kind ‘overzichtelijk’ zijn
voor korte tijd een van zijn ouders niet te zien. Op de lange
termijn kan een verstoorde relatie echter forse schade veroorzaken
aan de ontwikkeling van het kind. Overigens wijst onderzoek uit
dat kinderen die hun vader af en toe zien meer problemen
ondervinden dan kinderen die hun vader helemaal niet zien.
Voldoende reden voor sommigen in uitzonderlijke gevallen geheel af
te zien van omgang. Altijd beter, vinden zij, dan een slepende
omgang waarin het kind speelbal is. De kwaliteit van de relatie
tussen ouders en kinderen is cruciaal, vindt de PvdA
De
PvdA stelt bij het denken over ouderschap en scheiding de belangen
van het kind en zijn mogelijkheden tot een evenwichtige
ontwikkeling voorop. Een kwalitatief hoogwaardige relatie met
beide ouders, zonder daarbij te belanden in een
loyaliteitsconflict, komt de ontwikkeling van het kind ten goede.
Ouders zijn als eerste verantwoordelijk om deze belangen van het
kind te waarborgen.
4.
Problemen in de praktijk; visie van de PvdA
Scheiden
is een emotioneel proces. Sociale en psychische aspecten spelen
hierbij een belangrijke rol. Het ligt dan ook voor de hand
problemen rond scheiding en omgang op te lossen op dat vlak. Met
andere woorden: juridisering voorkomen en alleen als uiterst
redmiddel inzetten. Effectiever is te kiezen voor overleg,
bemiddeling en hulp. De PvdA wil daarom deze hulpverlening aan
kinderen en ouders steunen en juridisering van het scheidings- en
omgangsprobleem sterk beteugelen.
Publiekscampagne
Scheiden
doe je niet van de ene dag op de andere. De meeste ouders zullen
met zo’n ingrijpende beslissing lang worstelen. In deze
‘overwegingsfase’ moet goede informatie voor handen zijn. Een
publiekscampagne kan hierin een belangrijke rol vervullen.
Bijvoorbeeld via internet. Maar ook speciale radio- en t.v.-spots
en Postbus 51 publicaties kunnen dieper ingaan op de scheiding en
de gevolgen ervan voor kinderen. De voorlichting moet zich vooral
richten op voortzetting van gezamenlijk ouderschap en de
verantwoordelijkheden en plichten die daaruit voortvloeien. Het
gaat hierbij nadrukkelijk om meer dan alleen financiële en
juridische consequenties. De publiekscampagne kan ouders tevens
laten zien welke ingrijpende gevolgen een mogelijke scheiding
heeft voor de kinderen. En ook op welke manier de schadelijke
effecten het beste te voorkomen zijn.
Uiteraard
blijft scheiden een verantwoordelijkheid van beide echtelieden.
Een huwelijk met ouders die voortdurend ruzie maken, kan voor
kinderen zeer schadelijk zijn. Maar de PvdA wil dat ouders wel
gedwongen worden de gevolgen van een scheiding voor hun ouderschap
te overzien.
De
PvdA wil een publiekscampagne gericht op ouders die een scheiding
overwegen. In deze campagne staat het gezamenlijke ouderschap na
scheiding centraal. Ze belicht de effecten van een scheiding op
kinderen en toont ouders hoe ze schadelijke gevolgen zoveel
mogelijk kunnen voorkomen.
Verplicht
ouderschapsplan op maat
Wordt
eenmaal tot scheiden besloten, dan is het zaak veel vragen
concreet te beantwoorden. Voor de PvdA is leidraad dat de
partnerrelatie wel wordt beëindigd, maar de relatie tussen ouders onderling en tussen ouders en kind niet. Nu is dit alleen
impliciet uit de wetgeving af te leiden: gezamenlijk ouderlijk
gezag impliceert omgang met de kinderen en een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van beide ouders. De PvdA gaat een stap
verder. Ze wil de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de
kinderen na scheiding expliciet in het Burgerlijk Wetboek opnemen.
Concreet betekent dit dat de PvdA wil dat ouders eerst een
ouderschapsplan maken voordat ze kunnen scheiden. In zo’n
ouderschapsplan geven beide ouders aan op welke wijze ze het
ouderschap na hun scheiding zullen invullen. Bij de afhandeling
van financiële zaken met betrekking tot een scheiding, wordt dat
ook verlangd. Niet valt in te zien waarom dat bij het ouderschap
niet zou moeten.
Dit
ouderschapsplan gaat verder dan alleen een omgangsregeling voor
kind en ouder waar het kind niet woont. In het plan maken ouders
bindende afspraken over de zorg voor en omgang met het kind.
Bijvoorbeeld over (gezamenlijke) aanwezigheid bij gebeurtenissen
(verjaardagen, diploma-uitreikingen) die voor het kind belangrijk
zijn, voortzetten van lidmaatschap bij een (sport)vereniging,
uitwisselen van informatie over het kind, et cetera. Ook in
situaties waarin (tijdelijk) geen omgang mogelijk is, kan het
ouderschapsplan van pas komen: dan kan er in worden opgenomen op
welke wijze ouder en kind nog wel contact met elkaar houden,
bijvoorbeeld via het schrijven van brieven of e-mails. Als
kinderen dat zelf willen, moeten zij zoveel mogelijk worden
betrokken bij het opstellen van het plan. Het ene kind is het
andere niet. Een sjabloon voor een ouderschapsplan bestaat niet.
Iedere situatie vereist een specifieke aanpak: maatwerk dus. De
PvdA is dan ook geen voorstander van het vastleggen van een
standaardomgangsregeling in de wet, zoals wel is geopperd. Daarin
schuilt het gevaar van een minimaal en maximaal niveau van omgang
in de praktijk. Ook in situaties waarbij het ouderlijk gezag bij één
ouder ligt, stellen ouders in beginsel een ouderschapsplan op.
De
PvdA vindt dat ouders met minderjarige kinderen in beginsel pas
kunnen scheiden als zij gezamenlijk een ouderschapsplan hebben
opgesteld. Daarin geven zij aan hoe zij het ouderschap over hun
kind(eren) gaan vormgeven. De plicht tot het maken van een
ouderschapsplan wordt in het Burgerlijk Wetboek verankerd.
Rechter
toetst ouderschapsplan
Een
ouderschapsplan betekent beslist geen ‘vrijheid, blijheid’. De
rechter beoordeelt het plan aan de hand van een aantal criteria.
Hierbij denkt de PvdA aan antwoord op de vraag wie dagelijks voor
het kind zorgt, wie belangrijke beslissingen voor het kind neemt
en hoe de informatie-uitwisseling over het kind plaatsvindt. Pas
als de rechter akkoord is, spreekt hij de scheiding uit. Met ander
woorden: eerst een gedegen plan, dan pas scheiden. Al met al is
het maken van zo’n ouderschapsplan een belangrijk ‘project’
voor ouders. Ze moeten goed nadenken over hun oudertaken na de
scheiding.
Veel
ouders zullen zelfstandig en in onderling overleg zo’n plan
kunnen opstellen. In dat geval volstaat uiteraard een marginale
toets door de rechter, vergelijkbaar met de procedure rond de
financiële kant van de scheiding. Een aantal ouders zal er niet
in slagen gezamenlijk en op eigen kracht een plan op te stellen.
Zij moeten een beroep kunnen doen op bemiddeling of andere vormen
van geschikte hulpverlening. De PvdA denkt aan laagdrempelige
(informatie)centra voor scheiding en kind in gemeenten. Waar
mogelijk bieden die centra zelf hulp. In andere gevallen wijzen ze
ouders op mogelijkheden van bemiddeling en begeleiding. Hulp moet
zo snel mogelijk van de grond komen, het liefst nog voordat de
rechter zich over de zaak heeft gebogen. Als ouders zonder
ouderschapsplan toch bij de rechter komen, verwijst hij door naar
de hulpverlening.
De
PvdA vindt dat ouders die er niet in slagen op eigen kracht een
ouderschapsplan te maken, een beroep moeten doen op laagdrempelige
en professionele hulp, zo nodig op aandringen van de rechter.
Uitzondering
op de regel
Alleen
in extreme situaties kan de rechter besluiten een scheiding uit te
spreken zonder dat er een ouderschapsplan ligt. Dit is
bijvoorbeeld het geval als herhaaldelijk blijkt dat tussen de
ouders geen redelijk overleg mogelijk is. Ook in situaties waarbij
sprake is van mishandeling of misbruik, moet van de verplichting
worden afgeweken. Als geen ouderschapsplan wordt gemaakt, moet de
rechter zich wél uitspreken over de verdere invulling van het
ouderschap na de scheiding.
Als
niet alles volgens plan verloopt
Het
ouderschapsplan is vastgesteld. De rechter heeft het goedgekeurd
en de scheiding is een feit. Dat betekent natuurlijk niet dat
alles nu altijd vlekkeloos verloopt. Ook bij de uitvoering van een
ouderschapsplan kan hulp en begeleiding nodig zijn. Het vertrouwen
is soms zo geschaad, dat begeleide omgang nodig is. Dit blijkt
helaas ook uit de praktijk van vandaag. Tal van omgangsregelingen
die door de rechter zijn vastgesteld, worden niet of slechts ten
dele nagekomen. Zijn er problemen bij de uitvoering van het
ouderschapsplan, dan moeten ouders zo snel mogelijk een beroep
doen op hulp. Als de strijdende ouders zich toch bij de rechter
melden, verwijst deze door naar de hulpverlening. Overigens denkt
de PvdA bij ‘hulpverleners’ nadrukkelijk niet alleen aan
professionals. Soms is het in scheidingskwesties mogelijk en zelfs
wenselijk dat iemand anders een bemiddelingspoging onderneemt. Dit
kan bijvoorbeeld een vriend of familielid zijn waarin beide ouders
vertrouwen hebben. Of iemand die het kind goed kent.
De
laagdrempelige gemeentelijke (informatie)centra zijn vertrekpunt
bij de zoektocht van ouders naar geschikte hulp. Daar aangekomen
zijn er verschillende opties. De PvdA denkt hierbij bijvoorbeeld
aan de omgangshuizen, waarin ouders onder begeleiding van
deskundigen omgang hebben met hun kind. Ook de succesvolle
projecten met begeleide omgangsregelingen (BOR) van de Raad voor
de Kinderbescherming verdienen aanbeveling. Natuurlijk doen ook
veel particuliere mediationbureaus goed werk. Deze zijn echter
vaak slecht toegankelijk voor ouders met weinig geld. Niet alleen
ouders, maar ook kinderen moeten, als zij dat willen, een beroep
kunnen doen op hulp en begeleiding. De centra voor scheiding en
omgang moeten hiervoor worden toegerust. Ook instanties als de
kinderrechtswinkels kunnen hier een nuttige taak vervullen. Er
moet een brede waaier komen van alle mogelijke soorten van
hulpverlening. Per situatie wordt bekeken welke vorm van hulp het
meest geëigend is.
Bemiddeling,
begeleiding en andere vormen van hulp zijn cruciaal, vindt de
PvdA. Dat betekent natuurlijk wel dat die verschillende vormen van
hulpverlening ook daadwerkelijk beschikbaar moeten zijn. Op dit
moment is dat veelal niet of onvoldoende het geval. De
BOR-projecten van de Raad voor de Kinderbescherming staan al jaren
onder druk van bezuinigingen. Ook de succesvolle experimenten met
scheidings-en omgangsbemiddeling die tussen 1999 en 2001
plaatsvonden in vier ressorten van het OM, krijgen vooralsnog geen
vervolg. Van de 664 zaken scheidingsbemiddeling in dit experiment,
is 77 procent volledig afgerond. Van de 321
omgangsbemiddelingszaken kwam in meer dan de helft van de gevallen
een gehele of gedeeltelijke omgangsregeling van de grond. Ook de
zeer waardevolle omgangshuizen zijn slechts in een beperkt aantal
gemeenten beschikbaar.
De
PvdA vindt dat ook bij problemen met de uitvoering van het
ouderschapsplan snelle en adequate hulp beschikbaar moet zijn.
Ouders en kinderen moeten, zo nodig onder begeleiding, contact met
elkaar kunnen hebben.
Infrastructuur
voor hulpverlening
Ouders
zijn primair zelf verantwoordelijk voor de opvoeding van hun
kinderen. Helaas zijn ouders soms niet of te weinig bij machte die
verantwoordelijkheid waar te maken. Omwille van het kind moet de
overheid dan haar verantwoordelijkheid nemen. Daarom ook vindt de
PvdA dat de overheid een taak heeft bij het ontwerpen van een
infrastructuur voor begeleiding, bemiddeling en andere
hulpverlening. De PvdA benadrukt dat hulpverlening aan ouders en
kinderen een veelvuldig beroep op de (duurdere) rechtsgang zal
voorkomen: een belangrijk preventief effect van hulpverlening. Het
kabinet zal dit moeten erkennen. Zij moet een goede infrastructuur
voor hulpverlening aan ouders en kinderen gestalte geven. Dat
betekent natuurlijk niet dat de rijksoverheid zelf alles moet gaan
organiseren. Wel hoog tijd, vindt de PvdA, dat de regering een
beleid terzake ontwikkelt. Voor wat betreft de (informatie)centra
in gemeenten kan wellicht worden aangesloten bij de te ontwikkelen
Wet op de maatschappelijke ondersteuning.
Overigens
vindt de PvdA het niet noodzakelijk dat de voorzieningen gratis
zijn. Ouders mogen zich best realiseren dat de aangeboden hulp
geld kost en dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor de ontstane
situatie. Van de andere kant mogen financiële drempels geen reden
zijn om van hulp af te zien. Hierbij wijst de PvdA nogmaals op het
belangrijke preventieve effect van hulp. Juridisering van het
conflict kost de samenleving veel meer geld. De PvdA wil daarom
een inkomensafhankelijk betalingssysteem voor hulp bij scheiding
en ouderschapsorganisatie, vergelijkbaar met het stelsel voor
gefinancierde rechtshulp.
De
PvdA benadrukt het belangrijke preventieve effect van
hulpverlening aan ouders en kinderen bij scheiding. Daarom wil ze
een structurele voorziening voor begeleiding, bemiddeling en
andere vormen van hulp. Hulp moet voor iedereen toegankelijk zijn.
Gebruikers betalen er naar draagkracht aan mee.
Effectieve
en daadkrachtige jeugdzorg
Structurele
verankering van begeleiding, bemiddeling en andere vormen van
hulpverlening in het scheidings- en omgangsrecht, kan op termijn
een flinke dejuridisering tot gevolg hebben. Dat is de overtuiging
van de PvdA. Helaas zullen er altijd ouders blijven die elkaar
naar het leven staan. Met alle gevolgen van dien voor het kind.
Het belang van het kind moet altijd voorop staan. Dat vereist hulp
van een meer effectieve en daadkrachtige jeugdzorg. Nu houden
jeugdhulpverleners zich vaak noodgedwongen afzijdig, uit angst in
juridische procedures verwikkeld te raken. Kinderen van wie de
ouders zich hebben verschanst in loopgraven, moeten in de gaten
worden gehouden. Zo mogelijk moeten ze hulp krijgen, meer dan nu
het geval is. Zo moeten bemiddelaars of medewerkers van een
omgangshuis snel de Jeugd-GGZ waarschuwen als ze merken dat het
fout gaat met een kind. De PvdA wil ook dat in ernstige
scheidings-en omgangsconflicten de jeugdzorg eerder en effectiever
wordt ingeschakeld. Dit vereist professionaliteit en
signaleringsvermogen van betrokkenen, samenwerking tussen de
verscheidene instanties, en voldoende capaciteit voor
hulpverlening.
De
PvdA wil snellere en effectievere inschakeling van jeugdzorg in
situaties waarin het kind ernstig te lijden heeft van ruziënde
ouders.
Juridische
procedures en sancties als uiterste noodzaak
Als
serieus werk wordt gemaakt van preventie en hulpverlening, zal de
druk van scheidings-en omgangszaken op de rechtelijke macht
aanzienlijk kunnen afnemen. Conflicten die desondanks toch bij de
rechter belanden, moeten zo snel mogelijk worden afgedaan. Hoe
langer een zaak doorettert, hoe slechter voor het kind.
Beschuldigingen van misbruik of mishandeling door de ene ouder aan
het adres van de andere moeten bijvoorbeeld zo snel mogelijk
grondig worden onderzocht. Nu verloopt vaak veel tijd tussen het
moment dat de rechter de Raad voor de Kinderbescherming opdracht
geeft tot een onderzoek, en het moment waarop dat onderzoek gereed
is. Soms ligt dat aan de lengte van het onderzoek, maar veelal
zijn de wachtlijsten boosdoener: er gaan soms maanden voorbij
totdat met een onderzoek begonnen kan worden. Als de inzet op
preventie en hulpverlening waarvoor de PvdA pleit niet zorgt voor
verkorting van de wachtlijsten bij de Raad, dan moet de Raad extra
worden toegerust voor het op korte termijn plegen van kwalitatief
goed onderzoek.
Juridische
sancties, zoals het opleggen van een dwangsom, zijn zo goed als
nooit in het belang van het kind. Toch is het ook zeer ongewenst
ouders die zaken consequent frustreren, vrijuit te laten gaan. Als
dwangmiddelen onvermijdelijk zijn, moet daarom worden gezocht naar
sancties die de relatie tussen ouders en kinderen niet of zo min
mogelijk belasten.
Conflicten
die nog aan de rechter worden voorgelegd, worden zo snel mogelijk
afgedaan.
Wachtlijsten
voor onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming moeten
korter worden. Als dat nodig is, wordt de Raad hiervoor extra
toegerust. Bij het consequent frustreren van afspraken kunnen als
ultieme remedie sancties worden toegepast. Die sancties moeten
kinderen zo min mogelijk belasten.
“Het
toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent
een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze
maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de
in de wet aangegeven gronden
en dient ter bescherming van het belang van het kind. De
rechter die de ondertoezichtstelling uitspreekt, zal in zijn
beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide
gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van
welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de
minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of
geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden
bedreigd, en andere middelen ter afwending van die bedreiging
hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen”.
|